De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen
Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/5.2:5.2 Iets over ‘kwaliteit’ in het algemeen
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/5.2
5.2 Iets over ‘kwaliteit’ in het algemeen
Documentgegevens:
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS702109:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Cuyvers 2007, p. 25.
Zie ook: Giard & Merkelbach, NJB 2018/140.
Ook wel halo-effect. Geïntroduceerd door Frederick Wells en empirisch aangetoond door Edward Thorndike: Thorndike, Journal of Applied Psychology 1920/4, p. 25–29. Zie ook uitvoerig het veel geciteerde artikel van Nisbett & Wilson: Nisbett & Wilson, Journal of personality and social psychology 1977/35, p. 250-256.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Alvorens ik in ga op de kwaliteit van de schadedeskundigen, start ik met een meer algemene kwestie, want wat is ‘kwaliteit’ eigenlijk? Wat moet daaronder worden verstaan? Ogenschijnlijk logische en simpele vragen die toch maar zelden concreet worden beantwoord. Zo signaleer ik dat ‘kwaliteit’ in tal van rapporten en studies op allerlei maatschappelijke en wetenschappelijke terreinen centraal staat, zonder dat vaak duidelijk wordt wat daar nu precies onder wordt verstaan. Anders gezegd: ‘kwaliteit’ lijkt een evident begrip, maar is dat in werkelijkheid niet.
Wanneer bijvoorbeeld ‘de kwaliteit’ van een deskundige centraal staat, bestaat al snel de neiging om die kwaliteit te relateren aan de juistheid van het inhoudelijke advies in een gegeven geval. ‘Deze dokter is kwalitatief in orde, want hij stelde de juiste diagnose van mijn klachten’ – is dan de gedachtegang die wordt gevolgd. Een dergelijke gedachtegang, begrijpelijk als die is, is echter onjuist, omdat alleen de vakinhoudelijke kennis in de afweging wordt betrokken. ‘Kwaliteit’ is echter niet op een lijn te stellen met vakinhoudelijke kennis, of andersom. Kwaliteit bestaat uit meerdere aspecten en is veeleer te beschouwen als een containerbegrip.1 Om de ‘kwaliteit’ van een schadedeskundige adequaat te beoordelen zal dat containerbegrip geoperationaliseerd moeten worden. Dat operationaliseren kan geschieden door middel van een splitsing van het containerbegrip in separate, toetsbare aspecten. Het eindresultaat van die operationalisering is dan een beoordelingskader inzake ‘kwaliteit’. Met dat beoordelingskader kunnen procesactoren de kwaliteit van de ingeschakelde schadedeskundige beoordelen door de afzonderlijke aspecten daarvan in onderlinge samenhang te waarderen.
De beoordeling van de separate kwaliteitsaspecten kan ook geschieden door een op de rechtspraktijk gericht deskundigenregister. De kwaliteitscontrole wordt in zo een geval verricht door het deskundigenregister dat zich daarbij inspant ervoor te zorgen dat de bij hem ingeschreven deskundigen kwalitatief aan de maat zijn. Een procesactor leest de kwaliteit van de deskundige vervolgens af aan het antwoord op de vraag of de ingeschakelde deskundige is ingeschreven in het relevante deskundigenregister. In de hoofdstukken 6 en 7 wordt het deskundigenregister als controlemechanisme en kwaliteitsborg uitgebreid beschreven.
Naast het feit dat een beoordelingskader procesactoren kan helpen bij de beoordeling van de kwaliteit van een schadedeskundige, kan een beoordelingskader ook bijdragen aan het mitigeren van een tweetal ‘biases’ die relevant (kunnen) zijn in situaties waarin een deskundige adviseert in een juridische procedure.
In de eerste plaats denk ik dan aan de al eerder besproken kennisparadox (§ 4.2.4.1). Deze paradox komt erop neer dat een rechter, een bestuursorgaan en/of een procespartij enerzijds het deskundigenrapport op zijn inhoudelijke merites moet beoordelen, maar anderzijds al snel geconfronteerd wordt met de grenzen van de eigen kennis daaromtrent. Wanneer een procesactor bepaalde aspecten van de persoon van de adviseur alsmede de totstandkoming en inhoud van het deskundigenbericht met behulp van een daartoe geschikt beoordelingskader kan controleren, wordt de kennisparadox verkleind.2
In de tweede plaats valt te denken aan de zogenaamde halo-bias.3 De partij voor wie het deskundigenrapport gunstig uitvalt, is geneigd om de persoon van de deskundige in zijn geheel als kwalitatief goed te beschouwen. Zo zal bijvoorbeeld een onteigende voor wie het deskundigenrapport gunstig uitpakt – in die zin dat hem een royale schadeloosstelling wordt toegedacht – de deskundige al snel als kwalitatief goed bestempelen. Er wordt, met andere woorden, een algehele indruk ontleend aan de hand van een specifieke indruk. Een geoperationaliseerd beoordelingskader inzake kwaliteit mitigeert de halo-bias. Het beoordelingskader – en niet de bias – is immers leidend voor een gemotiveerd oordeel over de kwaliteit van de deskundige.