Verlofstelsels in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/8.1:8.1 Inleiding
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/8.1
8.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS605904:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Paragraaf 1.2a; paragraaf 2.2f.
Paragraaf 1.2a.
CRM 27 juli 2010, nr. 1797/2008, NJ 2012/305, m.nt. Schalken (Mennen/Nederland); EHRM 22 februari 2011, nr. 26036/08, NJ 2012/306, m.nt. Schalken (Lalmahomed/Nederland); CRM 24 juli 2014, nr. 2097/2011 (Timmer/Nederland).
Paragraaf 1.2a.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Sinds ongeveer 1989 wordt in de Nederlandse juridische literatuur gediscussieerd over de wenselijkheid van zogeheten verlofstelsels in hoger beroep en cassatie. In het bijzonder in de strafrechtspleging flakkert deze discussie met regelmaat op, waarschijnlijk als gevolg van de grote instroom van strafzaken bij de Hoge Raad. De één meent dat een verlofstelsel op termijn onontkoombaar is, anderen bestempelen een verlofstelsel als een “geforceerde constructie” en een “wezensvreemd element” in de Nederlandse rechterlijke organisatie.1 Hoewel deze discussie vruchtbaar is, zijn volgens mij twee voorvragen onderbelicht gebleven.
Ten eerste is onduidelijk in hoeverre verlofstelsels toelaatbaar zijn onder internationale mensenrechten, in het bijzonder het recht op review van een strafrechtelijke veroordeling uit artikel 14 lid 5 IVBPR en artikel 2 Zevende Protocol EVRM, en het recht op een eerlijk proces uit artikel 6 EVRM. Aan deze kwestie besteedt de bestaande literatuur nauwelijks aandacht.2 Voor grondige aandacht is echter alle reden, aangezien Nederland in 2010, 2011 en 2014 is geconfronteerd met drie veroordelingen voor de schending van mensenrechten door toepassing van het verlofstelsel van artikel 410a Sv in strafrechtelijk hoger beroep.3 Onderzoek naar de toelaatbaarheid van verlofstelsels wordt evenwel bemoeilijkt omdat ten tweede onduidelijk is wat het begrip verlofstelsel inhoudt. De term ‘verlofstelsel’ wordt op tal van manier gebruikt,4 terwijl voor onderzoek naar de toelaatbaarheid van verlofstelsels eenduidige begripsbepaling essentieel is.
Dit boek beoogt aan het debat over verlofstelsels in strafzaken bij te dragen, ten eerste door het centrale begrip in de discussie te verhelderen, ten tweede door te onderzoeken wat de verdragsrechtelijke (minimum)eisen zijn aan verlofstelsels in strafzaken en ten derde door te bezien of reeds bestaande Nederlandse verlofstelsels aan die vereisten voldoen. Deze deelvragen komen samen in de hoofdvraag van dit boek: in hoeverre zijn verlofstelsels in hoger beroep en cassatie in Nederlandse strafzaken verdragsrechtelijk toelaatbaar? Hieronder volgen per deelvraag de belangrijkste conclusies en wordt daarop gereflecteerd. De reflecties monden soms uit in suggesties voor nader onderzoek. Hoewel dit boek nadrukkelijk is beperkt tot de beantwoording van conceptuele en verdragsrechtelijke vragen, wordt in dit hoofdstuk daarnaast soms ook commentaar gegeven op de wenselijkheid van het geldende recht omtrent verlofstelsels en de wenselijkheid van verlofstelsels in het algemeen.