AB 2019/195
Materiële deprivatie ná vergunningverlening in andere lidstaat aanleiding voor niet toepassen wederzijds vertrouwensbeginsel.
HvJ EU 19-03-2019, ECLI:EU:C:2019:219, m.nt. L. Hillary (Ibrahim)
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
19 maart 2019
- Magistraten
K. Lenaerts, A. Prechal, M. Vilaras, E. Regan, F. Biltgen, K. Jürimäe, C. Lycourgos, A. Rosas, E. Juhász, M. Ilešič, J. Malenovský, L. Bay Larsen, D. Šváby
- Zaaknummer
C-297/17
C-318/17
C-319/17
C-438/17
- Noot
L. Hillary
- Roepnaam
Ibrahim
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS45058:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Vreemdelingenrecht / Algemeen
EU-recht / Algemeen
Bestuursrecht algemeen / Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
- Brondocumenten
ECLI:EU:C:2019:219, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 19‑03‑2019
ECLI:EU:C:2018:617, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie (Advocaat-Generaal), 25‑07‑2018
- Wetingang
Essentie
Materiële deprivatie na vergunningverlening in de andere lidstaat kan reden zijn om overdracht achterwege te laten. Hiermee formuleert het HvJ EU een nieuwe uitzondering op het wederzijds vertrouwensbeginsel.
Samenvatting
Art. 33 lid 2 [Procedurerichtlijn] moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet ertegen verzet dat een lidstaat krachtens de door die bepaling verleende bevoegdheid een verzoek om toekenning van de vluchtelingenstatus niet-ontvankelijk verklaart omdat aan de verzoeker in een andere lidstaat subsidiaire bescherming is verleend, wanneer de voorzienbare levensomstandigheden van die verzoeker als persoon die subsidiaire bescherming geniet in die andere lidstaat, hem niet blootstellen aan een ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.