Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/1.1.1
1.1.1 Het langdurig uitblijven van voortschrijdend onderzoek naar de regeling van klachtdelicten
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946075:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Handelingen der Nederlandsche Juristen-Vereeniging, ’s-Gravenhage: Gebr. Belinfante 1877.
Sprenger 1881, Schönfeld 1886 en Schreuder 1899.
Vermelding verdient slechts het artikel dat in 2021 in het Nederlands Tijdschrift voor Strafrecht verscheen van de hand van Kampen, waarin wordt voorgesteld om de regeling van klachtdelicten af te schaffen dan wel te herijken: Kampen 2021.
De Hullu 2021, p. 5.
De Hullu 2021, p. 8.
Van der Aa & Groenhuijsen 2012, p. 1 en Groenhuijsen 2018, p. 170.
Zie voor een bespreking van die ontwikkeling onder meer: Langemeijer 2010, p. 4-6; Groenhuijsen 2018, p. 170-171; Buruma 2020, p. 6; Corstens 2021, p. 122 en Groenhuijsen 2021, p. 484-485.
Gelet op het ingrijpende karakter van dit vervolgingsbeletsel mag worden verwacht dat de wenselijkheid van klachtdelicten goed is doordacht en onderbouwd. Omstreeks de invoering van het Wetboek van Strafrecht in 1886 is ook uitvoerig gedebatteerd over het nut van klachtdelicten en de plaats die deze rechtsfiguur al dan niet zou moeten innemen in de Nederlandse rechtspleging. Zo stond op de jaarvergadering van de Nederlandsche Juristen-Vereeniging in 1877 de vraag centraal van welke beginselen de wetgever zou moeten uitgaan bij de aanwijzing van klachtdelicten.1 Daarnaast zijn er rondom de invoering van het Wetboek van Strafrecht in 1886 drie dissertaties verschenen over klachtdelicten waarin het nut van deze rechtsfiguur ter discussie is gesteld.2 In de juridische wetenschap gaat sindsdien echter al decennialang weinig aandacht uit naar deze rechtsfiguur. Het klachtdelict komt wel zijdelings aan bod in literatuur over bijvoorbeeld de rol van het slachtoffer en het doen van aangifte, maar daarbij gaat nauwelijks aandacht uit naar de aard van het klachtdelict en de wenselijkheid van dit soort strafbaarstelling.3 De regeling van klachtdelicten is sinds de negentiende eeuw dus niet meer ten gronde onderzocht.
Het is opvallend dat het al meer dan 100 jaar ontbreekt aan een fundamentele discussie over de regeling van klachtdelicten. De maatschappij en het recht zijn immers veranderlijk. Juridische concepten die tientallen jaren op dezelfde wijze een goede dienst hebben bewezen, blijven dat niet zonder meer doen. De Hullu wijst in dit verband op het dynamische karakter van het strafrecht. Daarmee bedoelt hij dat beginselen en waarden in de strafrechtspleging geen onveranderlijke, maar een dynamische inhoud en betekenis hebben die bijvoorbeeld mede afhankelijk is van de omstandigheden en opvattingen die in een bepaalde periode in een samenleving domineren. Bij de nadere invulling van algemene leerstukken en strafbaarstellingen volgen de door de wetgever te maken keuzes zijns inziens niet eenduidig en definitief uit bepaalde beginselen, maar gaat het om complexe afwegingen van argumenten die mettertijd aan belang kunnen winnen of verliezen.4 De Hullu voegt daaraan toe: “Bij de veranderende tijden moet ook worden betrokken dat de criminaliteit van vandaag de dag niet meer steeds vergelijkbaar is met die van 1886.”5
De maatschappij, de criminaliteit en de strafrechtspleging zijn sinds de invoering van het Wetboek van Strafrecht in 1886 inderdaad aanzienlijk veranderd. Het is goed voorstelbaar dat die ontwikkelingen ook implicaties hebben voor de regeling van klachtdelicten. Zo kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de ontwikkeling van de positie van het slachtoffer. In de negentiende eeuw en in een groot deel van de 20ste eeuw betrof het strafproces een aangelegenheid tussen de overheid en de verdachte waarin het slachtoffer een beperkte rol speelde.6 Vanaf de jaren ’80 van de vorige eeuw nam de aandacht voor (de belangen van) het slachtoffer aanzienlijk toe en dit leidde tot een versterking van zijn positie binnen de strafrechtspleging.7 Het is de vraag of de groeiende positie van het slachtoffer in de strafrechtspleging en de toegenomen aandacht voor diens belangen van invloed zijn, of zouden moeten zijn, op de wijze waarop de regeling van klachtdelicten toepassing vindt. Bij de vervolging van klachtdelicten staat het persoonlijk belang van de door het feit getroffen klachtgerechtigde immers voorop en is het uitgangspunt verlaten dat het openbaar ministerie ambtshalve kan vervolgen. Een veranderde kijk op de positie en het belang van het slachtoffer kan daarmee leiden tot een andere waardering van klachtdelicten. Een tweede relevante ontwikkeling is de digitalisering van de samenleving en meer in het bijzonder het ontstaan van het internet en social media. Deze ontwikkeling raakt aan diverse klachtdelicten, zoals bijvoorbeeld smaad en laster. In de negentiende eeuw kon een persoon op straat mondeling en via de uitdeling van pamfletten (al dan niet leugenachtige) informatie over een ander verspreiden. Tegenwoordig kan dergelijke informatie via e-mail en social media sneller worden gedeeld en kan een veel breder publiek worden bereikt. Daarnaast verdwijnen de pamfletten na enkele dagen weer uit het straatbeeld, terwijl het niet of nauwelijks mogelijk is om de digitaal verspreide informatie (volledig) van het internet te verwijderen. De digitalisering leidt er dan ook toe dat zowel de wijze waarop deze delicten veelal worden gepleegd als de ernst van de gevolgen van deze feiten in de moderne rechtspleging anders kunnen zijn dan toen de wetgever smaad en laster tot klachtdelict bestempelde. Een vergelijkbare situatie doet zich voor bij het klachtdelict afdreiging. Een moderne variant van dit strafbare feit betreft het chanteren met de dreiging van online verspreiding van naaktbeelden, hetgeen ook wordt aangeduid als sextortion. Er zijn personen die stelselmatig via het internet naaktbeelden van anderen proberen te bemachtigen om de betrokkenen daar vervolgens mee te chanteren. Dit is logischerwijs een situatie die de wetgever aan het einde van de negentiende eeuw nog niet kon voorzien.
De veranderde rol van het slachtoffer en de digitalisering van de samenleving zijn slechts twee voorbeelden, maar sinds 1886 hebben zich logischerwijs veel meer ontwikkelingen voorgedaan die hun weerslag (kunnen) hebben op klachtdelicten. Met die ontwikkelingen is in de negentiende eeuw geen rekening gehouden bij de totstandkoming van (het gedachtegoed dat ten grondslag ligt aan) de regeling van klachtdelicten en evenmin bij het aanwijzen van de diverse klachtdelicten. Tegen die achtergrond is het van belang om te voorzien in actueel onderzoek naar de rechtsfiguur van het klachtvereiste, zodat kan worden nagegaan of de regeling van klachtdelicten de tand des tijds kan doorstaan. In dat verband verdient ook aandacht of deze regeling op onderdelen zou moeten worden herijkt om in de moderne, doorontwikkelde maatschappij de functie te kunnen blijven vervullen die haar oorspronkelijk is toebedeeld.