Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/7.4.4
4.4 Vorderingen tot vergoeding die in de plaats komen van het eigen goed van een echtgenoot
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948293:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Parl. Gesch. Boek 3 BW (TM), p. 864; Parl. Gesch. Boek 3 BW (TM), p. 735 en Parl. Gesch. Boek 3 BW (MvT), p. 661. Zie tevens Spath, Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/148 en J.C. van Straaten, ‘Vorderingen tot vergoeding die in de plaats treden van bezwaarde of beslagen goederen’, WPNR 2009/6782.
Zie Parl. Gesch. Boek 3 BW (TM), p. 735. Zie hierover ook paragraaf 4.3.4 van hoofdstuk 8.
Zie S. Perrick, Zaaksvervanging 2016/20 en J.B. Vegter in zijn bespreking van deze monografie van Perrick in: ‘Boekbespreking’, WPNR 2016/7120, p. 758.
Zie Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/58; Snijders/Rank-Berenschot, Goederenrecht 2022/509; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp, Goederenrecht 2019/756 en S. Perrick, Zaaksvervanging 2016/20. Zie ook HR 23 april 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2940, NJ 2000/158 (Van Gorp q.q./Rabobank), in welke zaak de Hoge Raad oordeelde dat een stil pandrecht dat op een roerende zaak rust niet van rechtswege komt te rusten op de vordering tot betaling van de koopprijs van die zaak indien deze met toestemming van de pandhouder onbezwaard aan een derde wordt verkocht. Zie genuanceerd over deze uitspraak J C. van Straaten, ‘Vorderingen tot vergoeding die in de plaats treden van bezwaarde of beslagen goederen’, WPNR 2009/6782, p. 46-54, die meent dat kern van deze beslissing van de Hoge Raad daarin is gelegen, dat de Rabobank vrijwillig afstand had gedaan van haar pandrecht, waardoor om die reden artikel 3:229 BW niet meer van toepassing was. Zie in dit verband ook Spath, Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/149.
Zie Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 864-865. Daaruit volgt dat Meijers de vordering tot betaling van een koopsom als een afzonderlijke categorie vorderingen zag, die naast de vordering tot vergoeding staat. Aanvankelijk bepaalde artikel 3:283 BW: “Een voorrecht op een bepaald goed trekt zich mede uit over de vordering tot betaling van een vergoeding of van een koopsom, die in de plaats van dat goed is getreden.” Juist omdat volgens Meijers de term ‘vergoedingsvorderingen’ niet mede vorderingen tot betaling van een koopsom omvat, stelde hij de nevenstelling van ‘vergoeding’ en ‘koopsom’ voor. In het uiteindelijke artikel 3:283 BW is de verwijzing naar koopsommen verdwenen. Dat komt niet doordat de wetgever bij nader inzien onder ‘vergoedingsvorderingen’ ook koopsomvorderingen wilde verstaan, maar doordat de wetgever voor toepassing van artikel 3:283 BW wilde aansluiten bij artikel 3:229 BW. Zie J C. van Straaten, ‘Vorderingen tot vergoeding die in de plaats treden van bezwaarde of beslagen goederen’, WPNR 2009/6782. Zie tevens Spath, Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/149.
Zie S. Perrick, Zaaksvervanging 2016/20 en 22.
Zie voor nog een andere oplossing J.B. Vegter, ‘Boekbespreking’, WPNR 2016/7120, p. 758. Hij neemt aan dat het ontstaan van de vordering tot betaling van de koopsom zozeer samenhangt met het verkrijgen van een vervangend goed, welk vervangend goed volgens artikel 1:95 lid 1 BW tot het privévermogen van de echtgenoot zou moeten gaan behoren, dat ook de koopsom privé is. Volgens hem kan in dat kader een omgekeerde parallel worden getrokken met het bepaalde in artikel 1:94 lid 7 sub a BW en artikel 1:94 lid 5 sub a oud BW, welke artikelen van de gemeenschap uitzonderen schulden die van de gemeenschap uitgezonderde goederen betreffen.
Zie Parl. Gesch. Boek 3 BW (TM), p. 735.
Bij levering verlaat het privégoed pas écht het vermogen van de betreffende echtgenoot, en gaat dat goed dus ‘fysiek’ voor hem verloren. Dit neemt niet weg, dat de verplichting tot levering die door verkoop ontstaat óók reeds als een verlies kan worden gekwalificeerd.
Dit betekent niet dat in alle gevallen van zaaksvervanging waar de wet over ‘een vordering tot vergoeding’ spreekt, een dergelijke analoge toepassing aangenomen mag worden. Bij artikel 3:229 BW is daar bijvoorbeeld géén grond voor. Wordt een goed waarop een beperkt zekerheidsrecht rustte verkocht en geleverd, dan zal dit beperkte recht op grond van zaaksgevolg óók het effect van de opvolgende verkrijging van dat goed belasten. Voor ingrijpen middels zaaksvervanging is in dat geval geen rechtvaardiging. Hetzelfde geldt bij artikel 455a en 507a Rv. Bij artikel 2:213 BW geldt dat de koopsom reeds op grond van de artikel 3:213 lid 1, eerste zin, BW onder het vruchtgebruik valt. Ook hier is er dus geen reden om onder een ‘vordering tot vergoeding’ (artikel 2:213 lid 1, tweede zin, BW) ook koopsomvorderingen te begrijpen.
Zie paragraaf 2.3 hiervóór.
Zie paragraaf 3.3.3 van hoofdstuk 10 over de girale betaling van privévorderingen, waaronder een vordering tot betaling van een koopsom, en (opvolgende) zaaksvervanging. Daar zal worden betoogd dat onder toepassing van het beginsel van ‘toerekening’ de keten van zaaksvervanging verder voortgezet kan worden.
421. De laatste regel van zaaksvervanging die in artikel 1:94 lid 6, tweede zin, BW/artikel 1:94 lid 4, tweede zin, oud BW besloten ligt is de regel dat buiten de huwelijksgemeenschap valt ‘een vordering tot vergoeding die in de plaats van een eigen goed van een echtgenoot treedt, waaronder begrepen een vordering ter zake van waardevermindering van een dergelijk goed’. Onder dergelijke ‘vorderingen tot vergoeding’ vallen in ieder geval vorderingen die een echtgenoot verkrijgt uit verzekeringen, vorderingen op grond van wanprestatie (artikel 6:74 BW), vorderingen krachtens onrechtmatige daad (artikel 6:162) en boetes op basis van een overeenkomst, voor zover deze moeten worden geacht in de plaats te treden van schadevergoedingsvorderingen (vgl. artikel 6:92 lid 2 BW).1 Onder vorderingen tot vergoeding vallen bovendien overbedelingsuitkeringen die een echtgenoot krachtens verdeling kan verkrijgen.2 Een voor de praktijk belangrijke vraag is of koopsomvorderingen óók onder de werking van artikel 1:94 lid 6, tweede zin, BW/artikel 1:94 lid 4, tweede zin, oud BW vallen. Zou dat niet het geval zijn, dan vormt dat een forse belemmering voor de werking van zaaksvervanging in het huwelijksvermogensrecht; neemt men aan dat de koopsomvordering die een echtgenoot verkrijgt bij verkoop van een privégoed niet krachtens zaaksvervanging buiten de huwelijksgemeenschap valt, dan valt het op die vordering geïnde ook niet buiten de huwelijksgemeenschap, en zal hetgeen vervolgens in de plaats van die koopsom treedt op zijn beurt ook niet buiten de huwelijksgemeenschap blijven.3 In de literatuur wordt over het algemeen aangenomen dat een vordering tot betaling van een koopsom niet als een vordering tot vergoeding kwalificeert.4 Dat sluit ook aan bij hetgeen uit de wetsgeschiedenis lijkt te volgen.5
422. Ervan uitgaande dat een koopsomvordering nietals een vordering tot vergoeding kwalificeert stelt Perrick voor om, net zoals bij de uitoefening van wilsrechten (zie paragraaf 4.3 hiervóór), ook hier de eerste regel van zaaksvervanging bij vruchtgebruik van artikel 3:213 lid 1, eerste zin, BW analoog toe te passen.6 Wat mij betreft is dat ook hier niet wenselijk (vgl. randnummer 420 hiervóór), en kan er beter van worden uitgegaan dat een koopsomvordering die in de plaats treedt van een privégoed middels analoge toepassing van artikel 1:94 lid 6, tweede zin, BW/artikel 1:94 lid 4, tweede zin, oud BW buiten de huwelijksgemeenschap valt.7 Daarvoor bestaat voldoende grond nu de ratio van deze bepalingen óók de toepassing van deze bepaling op de koopsomvordering ondersteunt. Gaat het om een werkelijke ‘vordering tot vergoeding’, dan gaat (de waarde van) het oorspronkelijke privégoed geheel of gedeeltelijk verloren, in direct verband waarmee de vordering tot vergoeding wordt verkregen. Die vordering tot vergoeding valt dan buiten de huwelijksgemeenschap, net zoals dit voor het ‘verloren’ privégoed geldt. Als verlies kan hierbij zowel het verlies van het goed als zodanig kwalificeren als het verlies van een deel van de waarde van het goed.8 Bij de verkoop van een privégoed gebeurt in feite hetzelfde. In dat geval gaat het verkochte goed door verkoop ‘verloren’. Dat ‘verlies’ wordt uitgedrukt door de verplichting tot levering die uit de koopovereenkomst voortvloeit.9 In direct verband met dat verlies wordt de vordering tot betaling van de koopsom verkregen. Net zoals bij een vordering tot vergoeding die ter compensatie van het verlies van (de waarde van) een goed wordt verkregen, is het vervolgens ook bij die koopsom gerechtvaardigd dat deze op grond van artikel 1:94 lid 6, tweede zin, BW/artikel 1:94 lid 4 oud BW buiten de huwelijksgemeenschap blijft.10 Dit geldt te meer nu de wetgever geen blijk heeft gegeven van een andere opvatting, hetgeen het andere (minimum)vereiste is voor analoge toepassing van een regeling van zaaksvervanging op een niet door die regeling rechtstreeks bestreken geval.11 Dit heeft tot gevolg dat bij verkoop van een privégoed door een echtgenoot de daaruit voortvloeiende koopsomvordering op grond van zaaksvervanging buiten de huwelijksgemeenschap valt. Het op die koopsomvordering geïnde valt vervolgens eveneens onder de werking van artikel 1:94 lid 6 BW/artikel 1:94 lid 4 oud BW. Dit geïnde kwalificeert immers als ‘hetgeen worden geïnd op een vordering die buiten de gemeenschap valt’ als bedoeld in deze artikelen. En wordt vervolgens de geïnde koopsom gebruikt voor de voldoening van de tegenprestatie bij de verkrijging van een ander goed, dan kwalificeert die koopsom als ‘eigen vermogen’ in de zin van artikel 1:95 lid 1 BW, en zal het vervangende goed buiten de huwelijksgemeenschap vallen wanneer bij de verkrijging meer dan de helft van die tegenprestatie ten laste van de geïnde koopsom is gekomen.12 Aldus is daarmee de hele ‘keten’ van vervanging door regels van zaaksvervanging gedekt.