Einde inhoudsopgave
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/3.2.4.2
3.2.4.2 Eigenschappen
Chr.M. Stokkermans, datum 28-02-2017
- Datum
28-02-2017
- Auteur
Chr.M. Stokkermans
- JCDI
JCDI:ADS590416:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Röthel in Henssler/Strohn 2014, HGB § 105, Rdnr. 32 en 33. Zie ook 2.2.4.3.
Röthel in Henssler/Strohn 2014, HGB § 105, Rdnr. 73, 79 en 80. Tegenover derden wordt de OHG pas effectief op het moment van inschrijving in het handelsregister of zoveel eerder als zij als zodanig naar buiten optreedt. HGB, art. 123.
HGB, art. 124. En HGB, art. 105 lid 3 jo. BGB, art. 718. Fikentscher/Heinemann 2006,§ 92, Rdnr. 1327; Friel in Münchener Anwalts Handbuch 2015, § 13, Rdnr. 35-43. Met Mathey-Bal 2016, p. 52, 172 en 174 mag men de OHG ‘zelf eigenaar van de vennootschappelijke goederen’ noemen. Men bedenke dan wel dat de ‘eigenaar’ i.c. een collectiviteit is. Mathey-Bal ziet dit over het hoofd, waar zij op p. 174 schrijft dat bij vennotenwissels geen aanwas in goederen plaatsvindt.
ZPO, art. 50. Evenals de GbR mist de OHG formele procesbevoegdheid. Steitz in Henssler/Strohn 2014, HGB § 124, Rdnr. 1-37.
Happ in Münchener Handbuch 2004, § 47, Rdnr. 22; Steitz in Henssler/Strohn 2014, HGB § 125, Rdnr. 4-11. Zie ook 2.2.4.3.
MutterAngsten in Münchener Anwalts Handbuch 2015, § 18, Rdnr. 2. Overdracht van een Gesellschaftsanteil brengt Gesamtrechtsnachfolge ten aanzien van de aandelen in de tot het vennootschapsvermogen behorende bestanddelen mee. Fikentscher/Heinemann 2006, § 92, Rdnr. 1339.
Röthel in Henssler/Strohn 2014, HGB § 105, Rdnr. 104-111; Müller in Beck’sches Handbuch 2014, § 4, Rdnr. 54 en 58.
Maier-Reimer/Seulen in Semler/Stengel 2012, § 22, Rdnr. 12-19 en § 133, Rdnr. 12-25; Ihrig in Semler/Stengel 2012, § 45, Rdnr. 26-29; Steitz in Henssler/Strohn 2014, HGB § 128, Rdnr. 45-52; Müller in Henssler/Strohn 2014, UmwG § 22, Rdnr. 4; Wardenbach in Henssler/ Strohn 2014, UmwG § 133, Rdnr. 5.
HGB, art. 130 jo. art. 128 en 129. Steitz in Henssler/Strohn 2014, HGB § 130, Rdnr. 1-8; Mutter/Angsten in Münchener Anwalts Handbuch 2015, § 18, Rdnr. 14.
Zie 2.2.4.3.
Piehler/Schulte in Münchener Handbuch 2004, § 72, Rdnr. 25 en § 73, Rdnr. 36 stellen uitdrukkelijk dat de aansprakelijkheid van de nieuwe vennoot niet afhankelijk is van de vraag of hij de schuld kende of behoorde te kennen. Zie voorts Masuch in Sudhoff 2005,§ 18, Rdnr. 18-19; Steitz in Henssler/Strohn 2014, HGB § 130, Rdnr. 2; Gummert in Münchener Anwalts Handbuch 2015, § 7, Rdnr. 81 e.v.
De inhoud van deze alinea is grotendeels gebaseerd op Gummert in Münchener Handbuch 2004, § 18, Rdnr. 46-54; Steitz in Henssler/Strohn 2014, HGB § 128, Rdnr. 43-52; en Klöhn in Henssler/Strohn 2014, HGB § 160, Rdnr. 1-22. De sinds 1998 geldende beperkingen van de aansprakelijkheid van minderjarigen, waarover Steitz in Henssler/Strohn 2014, HGB § 128, Rdnr. 53-56 en Schmidt 2014, § 4, Rdnr. 29-30, blijft hier verder onbesproken.
HGB, art. 160 lid 1, eerste volzin.
HGB, art. 160 lid 1, tweede volzin.
Nachhaftungsbegrenzungsgesetz van 18 maart 1994 (Bundesgesetzblatt I, 560).
Zie hierover Smits 2002.
BGB, art. 199 lid 1.
HGB, art. 125 en 126.
HGB, art. 131 lid 3.
Handelsrechtreformgesetz van 22 juni 1998 (Bundesgesetzblatt I, 1474), inw.tr. 1 juli 1998.
Klöhn in Henssler/Strohn 2014, HGB § 131, Rdnr. 3.
Klöhn in Henssler/Strohn 2014, HGB § 131, Rdnr. 60-62.
Doordat veel GbR-regels mede van toepassing zijn op de OHG en bovendien een aantal cruciale OHG-regels analogisch wordt toegepast op de Auβen-GbR, komen de eigenschappen van Auβen-GbR en OHG in vergaande mate overeen.1 De OHG kan in beginsel vormvrij, waaronder mondeling en stilzwijgend, worden aangegaan.2 Zij is geen rechtsperoon, maar wel rechtsbevoegd (rechtsfähig). Het vennootschapsvermogen is een gezamendehands vermogen dat als zodanig is afgescheiden van de vermogens van de vennoten.3 Als uitvloeisel van haar rechtsbevoegdheid is de OHG tevens formeel procesbevoegd.4 De vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft een organschaftliches karakter en het beginsel van de Selbstorganschaft is van toepassing.5 De vennotenaansprakelijkheid is unbeschränkt, akzessorisch en primär en heeft in de verhouding tussen de vennoten onderling een hoofdelijk (solidarisch) karakter.6 Bij een vennotenwissel gaan de tot het vennootschapsvermogen behorende rechtsposities van rechtswege over van de oude op de nieuwe groep vennoten.7 En het vennootschapsaandeel van een vennoot (Mitgliedschaft of Gesellschaftsanteil) heeft het karakter van een vermogensrecht dat de vennoot, met toestemming van de medevennoten, kan overdragen of verpanden.8 Allemaal net als bij de Auβen-GbR.
Voor de vennotenaansprakelijkheid bij toe- en uittreden van vennoten wordt onderscheid gemaakt tussen oude en nieuwe verbintenissen (Alt- und Neuverbindlichkeiten). Van een oude verbintenis is sprake, indien deze voorafgaand aan de vennotenwissel begründet is. Het moment van Begründung ligt bij het ontstaan van de rechtsgrond voor de aanspraak, waaruit zonder dat daarvoor nadere rechtshandelingen nodig zijn, de vennootschapsschuld opkomt of later zal opkomen. Het moment van ontstaan of opeisbaar worden van de schuld, en eventuele afhankelijkheid van een tegenprestatie, zijn niet relevant. Nieuwe termijnen onder een oude duurovereenkomst, zoals een huurovereenkomst, worden dus opgevat als oude verbintenissen.9 Hetzelfde geldt voor aanspraken onder voorwaarde of tijdsbeding, in het bijzonder ook voor aanspraken onder opschortende voorwaarde die pas na een vennotenwissel voortvloeien uit een voordien al bestaande rechtsverhouding. Een schadeplicht wegens een voorafgaand aan de vennotenwissel gepleegde, aan de OHG toerekenbare onrechtmatige daad is voorafgaand aan de vennotenwissel begründet, ook als de schade, en dus de verplichting tot vergoeding daarvan, pas na de vennotenwissel ontstaat. Een verplichting tot vervangende schadevergoeding is begründet bij het aangaan van de niet-nagekomen contractuele verbintenis.10
Nieuwe vennoten worden bij hun toetreden aansprakelijk voor oude verbintenissen van de vennootschap (vor seinem Eintritt begründeten Verbindlichkeiten), op dezelfde voet als de al zittende vennoten.11 Deze regel geldt naar analogie ook voor de Auβen-GbR, maar een verschil schuilt mogelijk in de hardheid waarmee zij wordt toegepast. Over een verzachting als bij de Auβen-GbR aan de orde kwam,12 wordt bij de OHG niet gesproken.13
Een vennoot die uit een OHG treedt, wordt niet aansprakelijk voor nieuwe verbintenissen. Wel blijft hij persoonlijk aansprakelijk voor al begründete verbintenissen.14 Dit betreft uitsluitend reeds begründete verbintenissen die binnen vijf jaar na het uittreden opeisbaar zijn of worden en waarvoor, kort gezegd, binnen die termijn een executoriale titel is verkregen.15 De vijfjaarstermijn begint te lopen aan het einde van de dag waarop het uittreden in het handelsregister is ingeschreven.16 De regeling dateert uit 1994.17 De vijfjaarstermijn heeft aan betekenis ingeboet door een herziening van het algemene verjaringsrecht in 2002,18 waarbij de algemene verjaringstermijn is teruggebracht naar drie jaar.19 Eindigt de aansprakelijkheid van de OHG na drie jaar, dan eindigt daarmee eveneens de accessoire aansprakelijkheid van de uitgetreden vennoot. De vijf-jaarstermijn is onder meer nog van belang voor duurovereenkomsten. Was de OHG voor het uittreden al huurder, dan is de uitgetreden vennoot nog gedurende één jaar aansprakelijk voor een huurbetalingsverplichting die vier jaar na zijn uittreden ontstaat. De drie-jaarstermijn uit het algemene verjaringsrecht begint pas te lopen op het moment waarop de aanspraak is ontstaan en tevens de schuldeiser zowel de grondslag voor de aansprakelijkheid als de aansprakelijke persoon kent of behoort te kennen.20Is voor het uittreden een onrechtmatige daad gepleegd die aan de OHG kan worden toegerekend, maar is de daaruit voortvloeiende schade eerst drie jaar na het uittreden ontdekt, dan blijft de uitgetreden vennoot nog twee jaar aansprakelijk. De vijfjaarstermijn kan worden gestuit volgens de regels van het gewone stuitingsrecht. Hierdoor kan de aansprakelijkheid uiteindelijk verder strekken dan vijf jaar na het uittreden.
Iedere vennoot van een OHG die daarvan niet uitgesloten is, is zelfstandig bevoegd tot beheren (behoudens een intern preventief vetorecht van elke medevennoot),21 en om de vennootschap te vertegenwoordigen. Individuele vennoten kunnen van de vertegenwoordigingsbevoegdheid (het extern kunnen vertegenwoordigen) worden uitgesloten. Ook kan worden voorzien in een twee- of meerhandtekeningensysteem, maar niet in een extern werkende beperking van de vertegenwoordigingsbevoegdheid tot bepaalde rechtshandelingen.22
Bij de OHG duurt de vennootschap bij uittreden van een vennoot in beginsel tussen de overige vennoten voort.23 Deze regeling geldt sinds 1998.24 Zij berust op de gedachte dat het belang van de continuïteit van ondernemingen voorop dient te staan en sluit aan bij wat in de praktijk doorgaans al in vennootschapsovereenkomsten werd bepaald.25 Een privéschuldeiser van een vennoot kan onder omstandigheden het lidmaatschap van zijn schuldenaar in de vennootschap opzeggen. Hierbij geldt een opzegtermijn van zes maanden en leidt de opzegging in beginsel niet tot algehele ontbinding van de vennootschap.26 Ten aanzien van de gevolgen van het uittreden gelden dezelfde regels als bij de Auβen-GbR.27