Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/7.2
7.2 Toewijzing van het verbod
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955469:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:841, NJ 2015/183, SEW 2015/108 (GeenStijl/Sanoma), rov. 5.2.5. Zie echter ook §139 Abs. 1I onder 3 PatG, dat een ex officio toetsing voorschrijft. Zie Schacht, GRUR 2021, afl. 3, p. 442; Harmsen, GRUR 2021, afl. 2, p. 225; Ohly & Stierle, GRUR 2021, afl. 10, p. 1230.
Marfé e.a., JIPLP 2015, afl. 3, p. 180-190. Zie ook HTC Corporation v Nokia Corporation [2013] EWHC 3778 (Pat) [32] (“It follows that, where no other countervailing right is in play, the burden on the party seeking to show that the injunction would be disproportionate is a heavy one.”).
De wetgever was bij de implementatie van de richtlijn van mening dat de in art. 3 opgenomen verplichtingen slechts tot de lidstaten waren gericht; Kamerstukken II 2005/06. Deze opvatting acht ik niet verdedigbaar; zie par. 5.2.2.2.
Vgl. Nuninga 2022, p. 45; Scharen, JIPLP 2019, afl. 2, p. 112-126. Anders: Hoyng & Dijkman 2022, p. 220 (“most of these exceptions appear to leave courts insufficient leeway to perform a proportionality assessment as required by Article 3(2) Enforcement Directive”). Zie ook Kamerstukken II 2005/06, 30392, nr. 3, p. 7, waarin wordt opgemerkt dat het te allen tijde aan de rechter is om te beoordelen of een gevorderde maatregel proportioneel is ten opzichte van de geconstateerde inbreuk.
De wijze waarop het evenredigheidsbeginsel doorwerkt, hangt sterk af van de specifieke kenmerken van het toepasselijke rechtsstelsel. Waar de evenredigheid van het verbod in landen als het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten aan de orde komt bij de uitoefening van de discretionaire bevoegdheid van de rechter, zal dat in continentale rechtsstelsels doorgaans alleen gebeuren als de inbreukmaker een verweer voert dat daar aanleiding toe geeft.1 Zulke verschillen hoeven niet noodzakelijkerwijs tot grote verschillen in uitkomst te leiden. Zoals besproken, nemen de meeste rechtsstelsels als uitgangspunt dat de inbreukmaker feiten en omstandigheden dient aan te voeren waaruit blijkt dat een onbeperkt verbod, gelet op de gerechtvaardigde belangen van de rechthebbende, bijzonder nadelig zou zijn voor hemzelf of anderen.2 Kijkt men specifiek naar het Nederlandse recht, dan is daarin geen uitdrukkelijke verplichting te vinden voor de rechter om een verbod te toetsen aan het evenredigheidsbeginsel.3 Tot noemenswaardige problemen leidt dat echter niet, omdat de toets kan worden ingepast in nationale leerstukken.4 In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze deze inpassing kan worden bewerkstelligd.
7.2.1 Toewijzing en belangenafweging7.2.2 Afwijzingsgronden7.2.3 Vaststelling van een passende vergoeding