Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/7.2.2
7.2.2 Afwijzingsgronden
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955496:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. Rb. Den Haag 18 juli 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:8777 (Nikon/ASML), rov. 4.45: “Echter, de door ASML eerder aangevoerde gronden ‘rechtsverwerking’ en ‘strijd met de pre- dan wel postcontractuele goede trouw’ zijn aan te merken als species van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, evenals misbruik van bevoegdheid (3:13 BW) en strijd met zwaarwegende maatschappelijke belangen (6:168 BW) waarop ASML zich voorts beroept”.
In gelijke zin: L.E. Dijkman, annotatie bij Rb. Den Haag (vzr.) 28 december 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:15453, BIE 2018/4 (Douwe Egberts/Belmoca), p. 106.
Zie voor een dergelijke aanpak Rb. Den Haag 18 juli 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:8777 (Nikon/ASML), rov. 4.45: “De door ASML als aparte grond aangevoerde strijdigheid met een beweerdelijk toe te passen proportionaliteitstoets (ingegeven door art. 3 lid 2 Handhavingsrichtlijn), zal, voor zover relevant, ook in dat kader, en wel bij de beoordeling van het voor art. 3:13 BW in acht te nemen evenredigheidscriterium, worden besproken. Het betoog van ASML dat in dit geval de handhaving van het octrooirecht in strijd is met de Europeesrechtelijke proportionaliteitstoets (pijler twee bij pleidooi), is eveneens aan te merken als een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid en zal als zodanig hierna worden beoordeeld. Alleen de laatste grond die ASML inroept ter onderbouwing van het gevorderde handhavingsverbod, strijd met het mededingingsrecht, wordt afzonderlijk besproken”.
Zoals hiervoor besproken, komt de bodemrechter pas toe aan een beoordeling van de evenredigheid van een verbod als de gedaagde een daartoe strekkend verweer heeft gevoerd. In de praktijk onderzoekt de rechter voor iedere aangevoerde afwijzingsgrond afzonderlijk of toepassing ervan kan leiden tot afwijzing van een verbod. Daartegen bestaat geen principieel bezwaar voor zover de betreffende uitzonderingen elk een eigen doel dienen.1 Richt het verweer zich daarentegen op een beweerdelijke onevenredigheid, dan stuit een dergelijke benadering op problemen. Het Unierecht vereist immers dat de rechter bij de beoordeling van een concrete maatregel een afweging maakt van alle relevante belangen en omstandigheden.2 Gelet op deze verplichting ligt het niet voor de hand om de verschillende belangen afzonderlijk te behandelen.3 Het verdient dan ook de voorkeur om de evenredigheidstoets in te passen in één van de hierboven besproken afwijzingsgronden. Ik behandel in deze paragraaf de meest voor de hand liggende opties.
7.2.2.1 Misbruik van bevoegdheid7.2.2.2 Zwaarwegende maatschappelijke belangen7.2.2.3 Grondrechten