De civiele zitting centraal: informeren, afstemmen en schikken
Einde inhoudsopgave
De civiele zitting centraal: informeren, afstemmen en schikken (BPP nr. VIII) 2010/2.1.2:2.1.2 Procedurele rechtvaardigheid
De civiele zitting centraal: informeren, afstemmen en schikken (BPP nr. VIII) 2010/2.1.2
2.1.2 Procedurele rechtvaardigheid
Documentgegevens:
Janneke van der Linden, datum 14-04-2010
- Datum
14-04-2010
- Auteur
Janneke van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS365422:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Ieder individu beschouwt zichzelf een onderdeel van verschillende subgroepen en hecht meer of minder waarde aan bepaalde subgroepen. Die subgroepen kunnen gebaseerd zijn op een gelijke culturele of etnische achtergrond, een gelijk opleidingsniveau, gelijke politieke ideeën of andere gelijkenissen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In 1975 onderzochten Thibaut en Walker als eerste het ontwerp van juridische besluitvormingsprocedures in een aantal laboratoriumexperimenten. Zij vergeleken onder meer de accusatoire procedure van common law landen met de inquisitoire procedure van civil law landen. Zij construeerden daartoe een rechtszaak en informeerden alle deelnemers (studenten) dat zij de gedaagde partij in de zaak waren. De helft van de studenten werd ingedeeld in de accusatoire conditie: zij mochten hun eigen ‘advocaat’ (een rechtenstudent) selecteren. De argumenten van de twee partijen werden vervolgens aan de rechter gepresenteerd door twee ‘advocaten’, die beiden het belang van hun eigen cliënt verdedigden. Studenten in de inquisitoire conditie hadden geen mogelijkheid om hun eigen ‘advocaat’ te kiezen, maar kregen samen één vertegenwoordiger toegewezen die de argumenten van beide partijen aan de rechter presenteerde. Deelnemers bleken meer tevreden te zijn over de accusatoire conditie dan over de inquisitoire conditie. Zij evalueerden deze als rechtvaardiger, onafhankelijk van de uitkomst. Dit was een opvallend resultaat omdat dit voor het eerst liet zien dat de tevredenheid van participanten verhoogd kan worden door gebruik te maken van een rechtvaardigere procedure, zonder de uitkomst aan te passen.
Thibaut en Walker (1975) gingen ervan uit, dat het belangrijkste onderscheid tussen de twee condities de mate waarin participanten invloed op het proces hadden, was. Partijen zouden bereid zijn om hun invloed op de uitkomst uit handen te geven zo lang zij invloed op het proces behielden. Als dat het geval is, zouden zij de besluitvormingsprocedure als rechtvaardiger evalueren. Dit wordt het fair process effect of voice effect genoemd.
Thibaut en Walker (1975) zagen deze invloed op het proces slechts als een middel om invloed op de uitkomst te hebben (waar het partijen volgens hen eigenlijk om zou gaan). Later onderzoek toonde echter aan dat mensen invloed op het proces ook op zichzelf waarderen (Lind & Tyler, 1988; Tyler & Lind, 1992).
Onderscheid accusatoire en inquisitoire systeem
Het onderzoek van Thibaut en Walker (1975) wordt tot op de dag van vandaag aangehaald als ‘bewijs’ dat het accusatoire systeem van common law landen beter zou zijn dan het inquisitoire systeem van civil law landen. Dat is om twee redenen discutabel. Ten eerste noemen Thibaut en Walker (1975) in hun boek weliswaar een aantal verschillen tussen de twee systemen, maar in hun experiment is slechts één verschil onderzocht, namelijk of iedere partij ter zitting verdedigd wordt door zijn eigen advocaat of dat beide partijen door dezelfde toegewezen advocaat worden verdedigd. Het is zeer twijfelachtig of hieruit de conclusie getrokken mag worden dat het accusatoire systeem beter is dan het inquisitoire
Op de tweede plaats is een algemene trend naar een actievere rechter in het civiele proces zichtbaar, zowel in inquisitoire als accusatoire procedures (Zuckerman, 1999). Van een strikt onderscheid tussen het door de rechter beheerste inquisitoire systeem en het door partijen beheerste accusatoire systeem is derhalve steeds minder sprake
Het onderzoek van Thibaut en Walker (1975) heeft een enorme invloed gehad op vervolgonderzoek naar rechtvaardigheid. Leventhal (1980) was de eerste onderzoeker die hun ideeën toepaste in niet-juridische settings zoals bedrijven en klaslokalen. Tevens voegde hij een aantal factoren toe dat voor individuen belangrijk zou zijn als zij een procedure evalueren. Deze door hem bedachte factoren bleken bij later onderzoek bijzonder goed te kloppen (Tyler, 1988, 2006b). Dat waren de volgende zes factoren.
Consistentie. Procedures zijn door de tijd heen constant en voor alle deelnemers hetzelfde.
Onbevooroordeeldheid. Procedures zijn vrij van vooroordelen. Eigen belang of persoonlijke denkbeelden van de geschiloplosser worden beperkt.
Kwaliteit en nauwkeurigheid van besluiten. De informatie die verzameld en gebruikt wordt voor de besluitvorming is nauwkeurig en fouten worden geminimaliseerd.
Correctiemogelijkheid. Er zijn mogelijkheden om onrechtvaardige of nietnauwkeurige beslissingen te herstellen. Hoger beroepsprocedures die tijdrovend, duur, onveilig of moeilijk te gebruiken zijn, worden als minder rechtvaardig gezien.
Vertegenwoordiging. Hiervoor is het essentieel dat deelnemers het gevoel
hebben dat de belangen en waarden van subgroepen1 waarvan zij deel uitmaken, terugkomen in de procedure. De ervaren rechtvaardigheid is vooral hoog als individuen zelf kunnen deelnemen aan de procedure (door zelf het woord te voeren) omdat het individu in dat geval zelf in de gaten kan houden of de procedure verloopt in overeenstemming met de belangen en waarden van
zijn subgroepen.
Ethiek. Het besluitvormingsproces is in overeenstemming met morele en ethische waarden van het individu.
Zowel Leventhal (1980) als Thibaut en Walker (1975) benadrukten het belang van vertegenwoordiging (invloed). Uit het onderzoek van Leventhal (1980) werd echter niet duidelijk wat hij precies met vertegenwoordiging bedoelde: invloed op de uikomst, invloed op het proces of beide (Lind & Tyler, 1988; Tyler, 1988).
Tyler (1988) heeft de criteria van Thibaut en Walker (1975) en Leventhal (1980) gecombineerd om het belang van de verschillende factoren te achterhalen. In dat onderzoek vroeg hij inwoners van Chicago naar hun ervaringen met de politie en rechtbanken. De resultaten hiervan lieten zien dat individuen aandacht hebben voor alle factoren, maar dat sommige factoren (vertegenwoordiging, consistentie en ethiek) sterker gerelateerd zijn aan oordelen over de rechtvaardigheid van de procedure dan andere. Bovendien bleek uit dit onderzoek dat het verband tussen de verschillende factoren positief is. Dit is goed nieuws voor beleidsmakers omdat dat betekent dat het mogelijk is om geschiloplossingsprocedures te ontwerpen waarin deze factoren allemaal tegelijkertijd aanwezig zijn.