type: GD
Rb. Limburg, 16-11-2016, nr. C/03/190094 / HA ZA 14-204
ECLI:NL:RBLIM:2016:9897
- Instantie
Rechtbank Limburg
- Datum
16-11-2016
- Zaaknummer
C/03/190094 / HA ZA 14-204
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBLIM:2016:9897, Uitspraak, Rechtbank Limburg, 16‑11‑2016; (Eerste aanleg - meervoudig)
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2020:293
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2021:2341
ECLI:NL:RBLIM:2015:1791, Uitspraak, Rechtbank Limburg, 25‑02‑2015; (Eerste aanleg - meervoudig)
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2020:293
- Vindplaatsen
AR 2016/3845
Uitspraak 16‑11‑2016
Inhoudsindicatie
Schadevergoedingsvorderingen op grond van deelname aan een aantal internationale spanstaalkartels. Tevens worden de moedermaatschappijen van karteldeelnemers aangesproken op grond van ‘parental liability’. De vordering wordt afgewezen omdat de vorderingen naar Duits recht verjaard zijn.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
in de hoofdzaak
zaaknummer / rolnummer: C/03/190094 / HA ZA 14-204
en in de vrijwaringszaken
zaaknummer / rolnummer: C/03/209642 / HA ZA 15-450
zaaknummer / rolnummer: C/03/210356 / HA ZA 15-497
zaaknummer / rolnummer: C/03/210360 / HA ZA 15-498
zaaknummer / rolnummer: C/03/210373 / HA ZA 15-499
zaaknummer / rolnummer: C/03/210376 / HA ZA 15-500
Vonnis van 16 november 2016
in de hoofzaak (190094) van
de rechtspersonen naar Duits recht
1. DEUTSCHE BAHN AG,
gevestigd te Berlijn (Duitsland),
2. DB NETZ AG,
gevestigd te Frankfurt am Main (Duitsland),
3. DB BAHNBAUGRUPPE GMBH,
gevestigd te Berlijn (Duitsland),
4. DB ENGINEERING & CONSULTING GMBH (rechtsopvolger van DB PROJEKTBAU GMBH),
gevestigd te Berlijn (Duitsland),
5. DB REGIONETZ INFRASTRUKTUR GMBH,
gevestigd te Frankfurt am Main (Duitsland),
6. DB FAHRWEGDIENSTE GMBH,
gevestigd te Berlijn (Duitsland),
7. DB STATION&SERVICE AG,
gevestigd te Berlijn (Duitsland),
eiseressen,
hierna: DB c.s.,
advocaat: mr. M. Deckers,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NEDRI SPANSTAAL B.V.,
gevestigd te Blerick, gemeente Venlo
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HIT GROEP B.V.,
gevestigd te Haarlem,
3. de rechtspersoon naar Duits recht WESTFÄLISCHE DRAHTINDUSTRIE VERWALTUNGSGESELLSCHAFT MBH & CO. KG,
gevestigd te Hamm (Duitsland),
4. de rechtspersoon naar Duits recht WESTFÄLISCHE DRAHTINDUSTRIE GMBH,
gevestigd te Hamm (Duitsland),
5. de rechtspersoon naar Duits recht PAMPUS INDUSTRIEBETEILIGUNGEN GMBH & CO. KOMMANDITGESELLSCHAFT,
gevestigd te Iserlohn (Duitsland),
gedaagden,
hierna: Nedri c.s.,
advocaat: mr. J.K. de Pree,
6 de rechtspersoon naar Spaans recht ARCELORMITTAL ESPANA SA,
gevestigd te Luanco, Asturias (Spanje),
gedaagde,
hierna (met 11. en 12.): ArcelorMittal c.s.,
advocaat: mr. W. Heemskerk,
7 de rechtspersoon naar Spaans recht EMESA-TRÉFILERIA SA,
gevestigd te Arteixo La Corunya (Spanje),
gedaagde,
niet verschenen,
8 de rechtspersoon naar Spaans recht INDUSTRIAS GALYCAS SA,
gevestigd te Vitoria/Gazteiz Araba (Spanje),
gedaagde,
niet verschenen,
9 de rechtspersoon naar Duits recht DWK DRAHTWERK KOLN GMBH,
gevestigd te Hamm (Duitsland),
10. de rechtspersoon naar Duits recht SAARSTAHL AKTIENGESELLSCHAFT,
gevestigd te Völklingen (Duitsland),
gedaagden,
hierna: DWK en Saarstahl,
advocaat: mr. F.C.H.M. van der Stap,
11 de rechtspersoon naar Frans recht ARCELORMITTAL WIRE FRANCE SA,
gevestigd te Bourg-en-Bresse (Frankrijk),
12. de rechtspersoon naar Luxemburgs recht ARCELORMITTAL SA,
gevestigd te Luxemburg (Luxemburg),
gedaagden,
hierna (met 6.): ArcelorMittal c.s.,
advocaat: mr. W. Heemskerk,
13 de rechtspersoon naar Italiaans recht CB TRAFILATI ACCIAI S.P.A.,
gevestigd te Milaan (Italië),
gevoegde partij aan de zijde van Nedri c.s., ArcelorMittal c.s. en DWK en Saarstahl,
hierna: CB,
advocaat: mr. C. Jeloschek,
14 de rechtspersoon naar buitenlands recht FAPRICELA-INDÚSTRIA DE
TREFILARIA S.A.,
gevestigd te Ançã (Portugal),
gevoegde partij aan de zijde van Nedri c.s., ArcelorMittal c.s. en DWK en Saarstahl,
hierna: Fapricela,
advocaat: mr. B.J.H. Braeken.
In de vrijwaringszaken:
in de vrijwaringszaak (209642)
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
NEDRI SPANSTAAL B.V.,
gevestigd te Venlo,
eiseres in vrijwaring,
hierna: Nedri
advocaat: mr. G.R.G. Driessen,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ZUIDERHOOFD B.V.,
gevestigd te Goes,
gedaagde in vrijwaring,
hierna: Zuiderhoofd,
advocaat: mr. A.G.M. Wilms,
in de vrijwaringszaak (210356)
1. de rechtspersoon naar Luxemburgs recht ARCELORMITTAL S.A.,
gevestigd te Luxemburg (Luxemburg),
2. de rechtspersoon naar Frans recht ARCELORMITTAL WIRE FRANCE S.A.,
gevestigd te Bourg-en-Bresse (Frankrijk),
3. de rechtspersoon naar Spaans recht ARCELORMITTAL ESPAÑA S.A.,
gevestigd te Luanco, Asturias (Spanje),
eiseressen in vrijwaring,
advocaat: mr. W. Heemskerk,
tegen
1. de rechtspersoon naar buitenlands recht EMESA-TRÉFILERIA S.A.,
gevestigd te Arteixo (Spanje),
gedaagde in vrijwaring,
niet verschenen,
2. de rechtspersoon naar buitenlands recht INDUSTRIAS GALYCAS S.A.,
gevestigd te Vitoria-Gasteiz (Spanje),
gedaagde in vrijwaring,
niet verschenen,
3. de rechtspersoon naar buitenlands recht MOREDA-RIVIERE TREFILERIAS S.A.,
gevestigd te Gijón (Spanje),
gedaagde in vrijwaring,
advocaat: mr. D. Knottenbelt,
4. de rechtspersoon naar buitenlands recht TRENZAS Y CABLES DE ACERO P.S.C., SL, (inmiddels gefuseerd met gedaagde sub 5),
gevestigd te Santander (Spanje),
gedaagde in vrijwaring,
advocaat: mr. D. Knottenbelt,
5. de rechtspersoon naar buitenlands recht GLOBAL SPECIAL STEEL
PRODUCTS S.A., (voorheen genaamd: Trefilerías Quijano S.A.),
gevestigd te Los Corrales de Buelna (Spanje),
6. de rechtspersoon naar buitenlands recht GLOBAL STEEL WIRE S.A.,
gevestigd te Cerdanyola del Vallès (Spanje),
gedaagden in vrijwaring,
advocaat: mr. D. Knottenbelt,
7. de rechtspersoon naar buitenlands recht SOCITREL – SOCIEDADE
INDUSTRIAL DE TREFILARIA S.A.,
gevestigd te São Romão do Coronado (Portugal),
gedaagde in vrijwaring,
niet verschenen,
8. de rechtspersoon naar buitenlands recht COMPANHIA PREVIDENTE – SOCIEDADE DE CONTROLE DE PARTICIPAÇÕES FINANCEIRAS S.A.,
gevestigd te Lissabon (Portugal),
gedaagde in vrijwaring,
niet verschenen,
9. de rechtspersoon naar buitenlands recht VOESTALPINE WIRE ROD AUSTRIA GMBH,
gevestigd te St. Peter-Freienstein (Oostenrijk),
10. de rechtspersoon naar buitenlands recht VOESTALPINE A.G.,
gevestigd te Linz (Oostenrijk),
gedaagden in vrijwaring,
advocaat: mr. M.G. Kuijpers,
11. de rechtspersoon naar buitenlands recht FAPRICELA-INDÚSTRIA DE
TREFILARIA S.A.,
gevestigd te Ançã (Portugal),
gedaagde in vrijwaring,
advocaat: mr. B.J.H. Braeken,
12. de rechtspersoon naar buitenlands recht PRODERAC PRODUCTOS
DERIVADOS DEL ACERO S.A.,
gevestigd te Catarroja, Valencia (Spanje),
gedaagde in vrijwaring,
niet verschenen,
13. de rechtspersoon naar buitenlands recht FNSTEEL HJULSBRO AB,
gevestigd te Linköping (Zweden),
14. de rechtspersoon naar buitenlands recht FNSTEEL DALWIRE OY AB,
gevestigd te Taalintehdas, Kemiönsaari (Finland),
gedaagden in vrijwaring,
advocaat: mr. E.M. Tjon-En-Fa,
15. de rechtspersoon naar buitenlands recht OVAKO BRIGHT BAR AB,
gevestigd te Stockholm (Zweden),
gedaagde in vrijwaring,
advocaat: mr. J.S. Kortmann,
16. de rechtspersoon naar buitenlands recht RAUTARUUKKI OYJ,
gevestigd te Helsinki (Finland),
gedaagde in vrijwaring,
advocaat: mr. S. Beeston BSc,
17. de rechtspersoon naar buitenlands recht REDAELLI TECNA S.P.A.,
gevestigd te Milaan (Italië),
gedaagde in vrijwaring,
advocaat: mr. M.J. van Joolingen,
18. de rechtspersoon naar buitenlands recht CB TRAFILATI ACCIAI S.P.A.,
gevestigd te Milaan (Italië),
gedaagde in vrijwaring,
advocaat: mr. C. Jeloschek,
19. de rechtspersoon naar buitenlands recht SIDERURGICA LATINA MARTIN S.P.A.,
gevestigd te Ceprano (Italië),
gedaagde in vrijwaring,
advocaat: mr. M.J. van Joolingen,
20. de rechtspersoon naar buitenlands recht ORI MARTIN S.A.,
gevestigd te Luxemburg (Luxemburg),
gedaagden in vrijwaring,
advocaat: mr. M.J. van Joolingen,
21. de rechtspersoon naar buitenlands recht TRAFILERIE MERIDIONALI S.P.A.,
gevestigd te Pescara (Italië),
gedaagde in vrijwaring,
advocaat: mr. H.H.T. Beukers,
22. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NEDRI SPANSTAAL B.V.,
gevestigd te Blerick, gemeente Venlo,
23. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HIT GROEP B.V.,
gevestigd te Haarlem,
24. de rechtspersoon naar Duits recht WESTFÄLISCHE DRAHTINDUSTRIE VERWALTUNGSGESELLSCHAFT MBH & CO. KG,
gevestigd te Hamm (Duitsland),
25. de rechtspersoon naar Duits recht WESTFÄLISCHE DRAHTINDUSTRIE GMBH,
gevestigd te Hamm (Duitsland),
26. de rechtspersoon naar Duits recht PAMPUS INDUSTRIEBETEILIGUNGEN GMBH & CO. KG,
gevestigd te Iserlohn (Duitsland),
gedaagden in vrijwaring,
advocaat: mr. J.K. de Pree,
27. de rechtspersoon naar buitenlands recht SAARSTAHL AKTIENGESELLSCHAFT,
gevestigd te Völklingen (Duitsland),
gedaagde in vrijwaring,
advocaat: mr. F.C.H.M. van der Stap,
28. de rechtspersoon naar buitenlands recht DWK DRAHTWERK KÖLN GMBH
gevestigd te Keulen (Duitsland),
gedaagde in vrijwaring,
advocaat: mr. F.C.H.M. van der Stap,
in de vrijwaringszaak (210360)
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NEDRI SPANSTAAL B.V.,
gevestigd te Blerick, gemeente Venlo,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HIT GROEP B.V.,
gevestigd te Haarlem,
3. de rechtspersoon naar Duits recht WESTFÄLISCHE DRAHTINDUSTRIE VERWALTUNGSGESELLSCHAFT MBH & CO. KG,
gevestigd te Hamm (Duitsland),
4. de rechtspersoon naar Duits recht WESTFÄLISCHE DRAHTINDUSTRIE GMBH,
gevestigd te Hamm (Duitsland),
5. de rechtspersoon naar Duits recht PAMPUS INDUSTRIEBETEILIGUNGEN GMBH & CO. KG,
gevestigd te Iserlohn (Duitsland),
eiseressen in vrijwaring,
hierna: Nedri c.s.,
advocaat: mr. J.K. de Pree,
tegen:
1. de rechtspersoon naar buitenlands recht EMESA-TRÉFILERIA S.A.,
gevestigd te Arteixo (Spanje),
gedaagde in vrijwaring,
niet verschenen,
2. de rechtspersoon naar buitenlands recht INDUSTRIAS GALYCAS S.A.,
gevestigd te Vitoria (Spanje),
gedaagde in vrijwaring,
niet verschenen,
3. de rechtspersoon naar buitenlands recht MOREDA-RIVIERE TREFILERIAS S.A.,
gevestigd te Gijón (Spanje),
gedaagde in vrijwaring,
advocaat: mr. D. Knottenbelt,
4. de rechtspersoon naar buitenlands recht TRENZAS Y CABLES DE ACERO P.S.C., SL,
gevestigd te Santander (Spanje),
gedaagde in vrijwaring,
advocaat: mr. D. Knottenbelt,
5. de rechtspersoon naar buitenlands recht GLOBAL SPECIAL STEEL
PRODUCTS S.A., (voorheen genaamd: Trefilerías Quijano S.A.),
gevestigd te Los Carrales de Buelna (Spanje),
6. de rechtspersoon naar buitenlands recht GLOBAL STEEL WIRE S.A.,
gevestigd te Cedanyola del Vallès (Spanje),
gedaagden in vrijwaring,
advocaat: mr. D. Knottenbelt,
7. de rechtspersoon naar buitenlands recht SOCITREL – SOCIEDADE
INDUSTRIAL DE TREFILARIA S.A.,
gevestigd te Sao Romão do Coronado (Portugal),
gedaagde in vrijwaring,
niet verschenen,
8. de rechtspersoon naar buitenlands recht COMPANHIA PREVIDENTE – SOCIEDADE DE CONTROLE DE PARTICIPAÇÕES FINANCEIRAS S.A.,
gevestigd te Lissabon (Portugal),
gedaagde in vrijwaring,
niet verschenen,
9. de rechtspersoon naar buitenlands recht VOESTALPINE WIRE ROD AUSTRIA GMBH,
gevestigd te St. Peter-Freienstein (Oostenrijk),
10. de rechtspersoon naar buitenlands recht VOESTALPINE A.G.,
gevestigd te Linz (Oostenrijk),
gedaagden in vrijwaring,
advocaat: mr. M.G. Kuijpers,
11. de rechtspersoon naar buitenlands recht FAPRICELA-INDÚSTRIA DE
TREFILARIA S.A.,
gevestigd te Ançã (Portugal),
gedaagde in vrijwaring,
advocaat: mr. B.J.H. Braeken,
12. de rechtspersoon naar buitenlands recht PRODERAC PRODUCTOS
DERIVADOS DEL ACERO S.A.,
gevestigd te Catarroja, Valencia (Spanje),
gedaagde in vrijwaring,
niet verschenen,
13. de rechtspersoon naar buitenlands recht FNSTEEL HJULSBRO AB,
gevestigd te Linköping (Zweden),
14. de rechtspersoon naar buitenlands recht FNSTEEL DALWIRE OY AB,
gevestigd te Taalintehdas, Kemiönsaari (Finland),
gedaagden in vrijwaring,
advocaat: mr. E.M. Tjon-En-Fa,
15. de rechtspersoon naar buitenlands recht OVAKO BRIGHT BAR AB,
gevestigd te Stockholm (Zweden),
gedaagde in vrijwaring,
advocaat: mr. J.S. Kortmann,
16. de rechtspersoon naar buitenlands recht RAUTARUUKKI OYJ,
gevestigd te Helsinki (Finland),
gedaagde in vrijwaring,
advocaat: mr. S. Beeston BSc,
17. de rechtspersoon naar buitenlands recht REDAELLI TECNA S.P.A.,
gevestigd te Milaan (Italië),
gedaagde in vrijwaring,
advocaat: mr. M.J. van Joolingen,
18. de rechtspersoon naar buitenlands recht CB TRAFILATI ACCIAI S.P.A.
gevestigd te Milaan (Italië),
gedaagde in vrijwaring,
advocaat: mr. C. Jeloschek,
19. de rechtspersoon naar buitenlands recht SIDERURGICA LATINA MARTIN S.P.A.,
gevestigd te Ceprano (Italië),
gedaagde in vrijwaring,
advocaat: mr. M.J. van Joolingen,
20. de rechtspersoon naar buitenlands recht ORI MARTIN S.A.,
gevestigd te Luxemburg (Luxemburg),
gedaagden in vrijwaring,
advocaat: mr. M.J. van Joolingen,
21. de rechtspersoon naar buitenlands recht TRAFILERIE MERIDIONALI S.P.A.
gevestigd te Pescara (Italië) (voorheen Emme Holding S.p.A.),
gedaagde in vrijwaring,
niet verschenen,
22. de rechtspersoon naar buitenlands recht ARCELORMITTAL ESPAÑA S.A.,
gevestigd te Gozón (Spanje),
23. de rechtspersoon naar buitenlands recht ARCELORMITTAL WIRE FRANCE S.A.,
gevestigd te Bourg-en-Bresse (Frankrijk),
24. de rechtspersoon naar buitenlands recht ARCELORMITTAL S.A.,
gevestigd te Luxemburg (Luxemburg),
gedaagden in vrijwaring,
advocaat: mr. W. Heemskerk,
25. de rechtspersoon naar buitenlands recht SAARSTAHL AKTIENGESELLSCHAFT,
gevestigd te Völklingen (Duitsland),
gedaagde in vrijwaring,
advocaat: mr. F.C.H.M. van der Stap,
26. de rechtspersoon naar buitenlands recht DWK DRAHTWERK KÖLN GMBH,
gevestigd te Keulen (Duitsland),
gedaagde in vrijwaring,
advocaat: mr. F.C.H.M. van der Stap,
in de vrijwaringszaak (210373)
1. de rechtspersoon naar Duits recht SAARSTAHL AG,
gevestigd te Völklingen (Duitsland),
eiseres in vrijwaring,
advocaat: mr. F.C.H.M. van der Stap,
2. de rechtspersoon naar Duits recht DWK DRAHTWERK KOLN GMBH,
gevestigd te Keulen (Duitsland),
eiseres in vrijwaring,
advocaat: mr. F.C.H.M. van der Stap,
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht TRAFILERIE MERIDIONALI S.P.A.,
gevestigd te Pescara (Italië) (voorheen Emme Holding S.p.A.),
gedaagde in vrijwaring,
niet verschenen,
in de vrijwaringszaak (210376)
1. de rechtspersoon naar Duits recht SAARSTAHL AG,
gevestigd te Völklingen (Duitsland),
eiseres in vrijwaring,
advocaat: mr. F.C.H.M. van der Stap,
2. de rechtspersoon naar Duits recht DWK DRAHTWERK KOLN GMBH
gevestigd te Keulen (Duitsland),
eiseres in vrijwaring,
advocaat: mr. F.C.H.M. van der Stap,
tegen
1. de rechtspersoon naar buitenlands recht EMESA-TRÉFILERIA S.A.,
gevestigd te Arteixo (Spanje),
gedaagde in vrijwaring,
niet verschenen,
2. de rechtspersoon naar buitenlands recht INDUSTRIAS GALYCAS S.A.,
gevestigd te Vitoria (Spanje),
gedaagde in vrijwaring,
niet verschenen,
3. de rechtspersoon naar buitenlands recht MOREDA-RIVIERE TREFILERIAS S.A.,
gevestigd te Gijón (Spanje),
gedaagde in vrijwaring,
advocaat: mr. D. Knottenbelt,
4. de rechtspersoon naar buitenlands recht TRENZAS Y CABLES DE ACERO P.S.C., SL,
gevestigd te Santander (Spanje),
gedaagde in vrijwaring,
niet verschenen,
5. de rechtspersoon naar buitenlands recht GLOBAL SPECIAL STEEL
PRODUCTS S.A., (voorheen genaamd: Trefilerías Quijano S.A.),
gevestigd te Los Carrales de Buelna (Spanje),
6. de rechtspersoon naar buitenlands recht GLOBAL STEEL WIRE S.A.,
gevestigd te Cerdanyola del Vallès (Spanje),
gedaagden in vrijwaring,
advocaat: mr. D. Knottenbelt,
7. de rechtspersoon naar buitenlands recht SOCITREL – SOCIEDADE
INDUSTRIAL DE TREFILARIA S.A.,
gevestigd te Sao Romão do Coronado (Portugal),
gedaagde in vrijwaring,
niet verschenen,
8. de rechtspersoon naar buitenlands recht COMPANHIA PREVIDENTE – SOCIEDADE DE CONTROLE DE PARTICIPAÇÕES FINANCEIRAS S.A.,
gevestigd te Lissabon (Portugal),
gedaagde in vrijwaring,
niet verschenen,
9. de rechtspersoon naar buitenlands recht VOESTALPINE WIRE ROD AUSTRIA GMBH,
gevestigd te St. Peter-Freienstein (Oostenrijk),
10. de rechtspersoon naar buitenlands recht VOESTALPINE A.G.,
gevestigd te Linz (Oostenrijk),
gedaagden in vrijwaring,
advocaat: mr. M.G. Kuijpers,
11. de rechtspersoon naar buitenlands recht FAPRICELA-INDÚSTRIA DE
TREFILARIA S.A.,
gevestigd te Ançã (Portugal),
gedaagde in vrijwaring,
advocaat: mr. B.J.H. Braeken,
12. de rechtspersoon naar buitenlands recht PRODERAC PRODUCTOS
DERIVADOS DEL ACERO S.A.,
gevestigd te Catarroja (Spanje),
gedaagde in vrijwaring,
niet verschenen,
13. de rechtspersoon naar buitenlands recht FNSTEEL HJULSBRO AB,
gevestigd te Linköping (Zweden),
14. de rechtspersoon naar buitenlands recht FNSTEEL DALWIRE OY AB,
gevestigd te Taalintehdas (Finland),
gedaagden in vrijwaring,
advocaat: mr. E.M. Tjon-En-Fa,
15. de rechtspersoon naar buitenlands recht OVAKO BRIGHT BAR AB,
gevestigd te Stockholm (Zweden),
gedaagde in vrijwaring,
advocaat: mr. J.S. Kortmann,
16. de rechtspersoon naar buitenlands recht RAUTARUUKKI OYJ,
gevestigd te Helsinki (Finland),
gedaagde in vrijwaring,
advocaat: mr. S. Beeston BSc,
17. de rechtspersoon naar buitenlands recht REDAELLI TECNA S.P.A.,
gevestigd te Milaan (Italië),
gedaagde in vrijwaring,
advocaat: mr. M.J. van Joolingen,
18. de rechtspersoon naar buitenlands recht CB TRAFILATI ACCIAI S.P.A.,
gevestigd te Milaan (Italië),
gedaagde in vrijwaring,
advocaat: mr. C. Jeloschek,
19. de rechtspersoon naar buitenlands recht SIDERURGICA LATINA MARTIN S.P.A.,
gevestigd te Ceprano (Italië),
gedaagde in vrijwaring,
advocaat: mr. M.J. van Joolingen,
20. de rechtspersoon naar buitenlands recht ORI MARTIN S.A.,
gevestigd te Luxemburg (Luxemburg),
gedaagden in vrijwaring,
advocaat: mr. M.J. van Joolingen,
21. (de zaak tegen de als 21ste gedagvaarde partij, Emme Holding S.p.A, is door DWK en Saarstahl niet aangebracht omdat dit volgens hen niet de juiste rechtspersoon betreft)
22. de rechtspersoon naar buitenlands recht ARCELORMITTAL ESPAÑA S.A.,
gevestigd te Gozón (Spanje),
23. de rechtspersoon naar buitenlands recht ARCELORMITTAL WIRE FRANCE S.A.,
gevestigd te Bourg-en-Bresse (Frankrijk),
24. de rechtspersoon naar buitenlands recht ARCELORMITTAL S.A.,
gevestigd te Luxemburg (Luxemburg),
gedaagden in vrijwaring,
advocaat: mr. W. Heemskerk,
25. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NEDRI SPANSTAAL B.V.,
gevestigd te Blerick, gemeente Venlo,
26. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HIT GROEP B.V.,
gevestigd te Haarlem,
27. de rechtspersoon naar buitenlands recht WESTFÄLISCHE DRAHTINDUSTRIE VERWALTUNGSGESELLSCHAFT MBH & CO. KG,
gevestigd te Hamm (Duitsland),
28. de rechtspersoon naar buitenlands recht WESTFÄLISCHE DRAHTINDUSTRIE GMBH,
gevestigd te Hamm (Duitsland),
29. de rechtspersoon naar buitenlands recht PAMPUS INDUSTRIEBETEILIGUNGEN GMBH & CO. KG,
gevestigd te Iserlohn (Duitsland),
gedaagden in vrijwaring,
advocaat: mr. J.K. de Pree.
1. De procedure
in de hoofdzaak
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- de rolbeschikking van 9 maart 2016
- de beperkte conclusie van repliek
- de beperkte conclusie van dupliek van Nedri c.s.
- de beperkte conclusie van dupliek van ArcelorMittal c.s.
- de beperkte conclusie van dupliek van DWK en Saarstahl
- de beperkte conclusie van dupliek van Fapricela.
1.2.
Vervolgens is de zaak naar de rol verwezen voor vonnis waarvan de uitspraak nader is bepaald op heden. Mr. P.E. de Kort, die de zitting gehouden op 16 januari 2015 heeft voorgezeten en die het vonnis in incident van 25 februari 2015 mede heeft gewezen, wijst dit vonnis niet mede, aangezien hij niet meer werkzaam is in deze rechtbank.
in de vrijwaringszaken
1.3.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- de rolbeschikking van 9 maart 2016.
1.4.
Vervolgens is de zaak naar de rol verwezen voor vonnis waarvan de uitspraak nader is bepaald op heden. Verwezen wordt naar hetgeen in r.o. 1.2. is opgemerkt over mr. P.E. de Kort.
2. Het geschil
2.1.
Ten aanzien van de stellingen van DB c.s. verwijst de rechtbank naar de overwegingen 2.1. en 2.2. in het tussenvonnis van 25 februari 2015.
2.2.
De verschenen gedaagden en CB en Fapricela voeren deels dezelfde verweren, te weten dat de vordering van DB c.s. verjaard is, dat de moedermaatschappijen van de karteldeelnemers niet onrechtmatig hebben gehandeld, dat niet in rechte kan worden vastgesteld dat DB c.s. schade heeft geleden, dat de vorderingen van de leveranciers van DB c.s. en de Duitse staat niet rechtsgeldig aan DB c.s. zijn gecedeerd, dat enkele van eiseressen niet-ontvankelijk zijn en dat de gevorderde wettelijke rente niet toewijsbaar is.
2.3.
Verder hebben DWK en Saarstahl aangevoerd dat de dagvaarding aan DWK nietig is, dat DB c.s., die slechts indirect spanstaal heeft afgenomen, niet gerechtigd is tot het instellen van een vordering in verband met inbreuken op het mededingingsrecht, dat aan DWK en Saarstahl door de Europese Commissie immuniteit is verleend wat betekent dat zij zijn vrijgesteld van een gezamenlijke en hoofdelijke aansprakelijkheid met de andere gedaagden voor de volledige schade en dat een eventuele verklaring voor recht niet uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard.
2.4.
Ten slotte heeft Fapricela nog aangevoerd dat het Besluit jegens haar deels nietig is verklaard.
2.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
3. De beoordeling
De vorderingen ingesteld tegen de verschenen gedaagden
Geldigheid van de dagvaarding aan DWK
3.1.
Volgens DWK is de dagvaarding niet aan haar uitgereikt maar naar een onjuist adres verstuurd. De rechtbank had tegen haar geen verstek mogen verlenen, maar zij had de zaak op grond van artikel 19 lid 1 van de Betekeningsverordening II moeten aanhouden en vervolgens, nadat gebleken zou zijn dat er niet correct betekend was, de dagvaarding op grond van artikel 121 lid 3 Rv nietig moeten verklaren. Volgens DWK wordt zij onredelijk in haar belangen geschaad als de dagvaarding niet nietig wordt verklaard omdat zij pas na 2 juli 2014 kennis heeft gekregen van de dagvaarding, zodat de vordering van DB c.s. toen pas is gestuit, wat te laat is omdat de vordering toen al was verjaard.
3.2.
DB c.s. heeft hiertegen aangevoerd dat de rechtbank wel verstek mocht verlenen, omdat het gebrek niet ambtshalve door de rechtbank is geconstateerd en DWK niet onredelijk in haar belangen is geschaad aangezien zij alsnog in de procedure is verschenen en niet is bemoeilijkt in haar verweer. De procedure bevond zich toen DWK het verstek zuiverde (9 juli 2014) nog niet in een vergevorderd stadium. De stelling van DWK met betrekking tot de stuiting van een lopende verjaringstermijn staat los van de vraag of de dagvaarding nietig is, aldus DB c.s.
3.3.
De rechtbank overweegt als volgt. In het tussenvonnis van 25 februari 2015 is al vastgesteld dat de Nederlandse rechter, op grond van de tot 15 januari 2015 geldende EEX-Verordening, internationaal bevoegd is (rechtsmacht heeft). Het Hof van Justitie heeft uitgemaakt dat de procesregels van de aldus bevoegde rechter van toepassing zijn (o.a. HvJ EG, 15-05-1990, nr. 365/88 in een zaak onder het EEX-Verdrag, de voorganger van de EEX-Verordening). Aldus is het Nederlands procesrecht van toepassing. Dit betekent dat de nietigheid van de dagvaarding aan DWK is gedekt doordat DWK is verschenen en zij door het gebrek in de dagvaarding niet onredelijk in haar belangen is geschaad (122 lid 1 Rv). DWK heeft in dit kader immers alleen als haar belang aangevoerd dat met het niet nietig verklaren van de dagvaarding zou (kunnen) worden aangenomen dat de verjaring jegens haar door het uitbrengen van het exploot van de dagvaarding is gestuit. Naar het oordeel van de rechtbank beïnvloedt de beslissing over de geldigheid van de dagvaarding niet de uitkomst van het debat of de vordering tijdig gestuit is. De rechtbank zal - onafhankelijk van haar oordeel over de geldigheid van de dagvaarding - dienen te beslissen over de vraag of de wijze waarop de dagvaarding is uitgebracht tot gevolg heeft gehad dat de vordering tijdig is gestuit. Gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, wordt daar echter in deze zaak niet aan toegekomen.
Verjaring
3.4.
Ingevolge artikel 4 van de Wet conflictenrecht onrechtmatige daad worden verbintenissen wegens ongeoorloofde mededinging beheerst door het recht van de Staat op welks grondgebied de mededingingshandeling de concurrentieverhoudingen beïnvloedt, oftewel, zoals partijen ook hebben betoogd, Duitsland.
3.5.
Op grond van artikel 7 van de Wet conflictenrecht onrechtmatige daad bepaalt het toepasselijke recht - voor zover van belang - in het bijzonder de termijn voor verjaring van een aanspraak op schadevergoeding alsmede het tijdstip van aanvang van deze termijn en van zijn stuiting of schorsing.
3.6.
De rechtbank deelt het standpunt van partijen dat het Duitse recht in een zaak als deze twee verjaringstermijnen kent. De korte, subjectieve verjaringstermijn van drie jaar (artikel 195 Bürgerliches Gesetzbuch (BGB)) en de lange, objectieve termijn van tien jaar (artikel 199 BGB). Deze laatste verjaringstermijn is, zoals gedaagden hebben gesteld en DB c.s. niet heeft betwist, uiterlijk aangevangen in september 2002. Dit betekent dat de vorderingen van DB c.s. in ieder geval in september 2012 zijn verjaard, tenzij die verjaring is gestuit of geschorst.
3.7.
Artikel 33 GWB, dat in de huidige vorm in werking is getreden in juli 2005, bepaalt voor zover van belang het volgende:
(1) Wer gegen (…) Artikel 101 oder 102 des Vertrages über die Arbeitsweise der Europäischen Union oder eine Verfügung der Kartellbehörde verstößt, ist dem Betroffenen zur Beseitigung und bei Wiederholungsgefahr zur Unterlassung verpflichtet. (…) Betroffen ist, wer als Mitbewerber oder sonstiger Marktbeteiligter durch den Verstoß beeinträchtigt ist.
(…)
(3) Wer einen Verstoß nach Absatz 1 vorsätzlich oder fahrlässig begeht, ist zum Ersatz des daraus entstehenden Schadens verpflichtet. (…)
(4) Wird wegen eines Verstoßes (…) gegen die Artikel 101 oder 102 des Vertrages über die Arbeitsweise der Europäischen Union Schadensersatz gefordert, ist das Gericht an die Feststellung des Verstoßes gebunden, wie sie in einer bestandskräftigen Entscheidung der Kartellbehörde, der Europäischen Kommission oder der Wettbewerbsbehörde oder des als solche handelnden Gerichts in einem anderen Mitgliedstaat der Europäischen Union getroffen wurde. (…)
(5) Die Verjährung eines Schadensersatzanspruchs nach Absatz 3 wird gehemmt, wenn ein Verfahren eingeleitet wird
(…)
2. von der Europäischen Kommission oder der Wettbewerbsbehörde eines anderen Mitgliedstaats der Europäischen Union wegen eines Verstoßes gegen die Artikel 101 oder 102 des Vertrages über die Arbeitsweise der Europäischen Union.
§ 204 Abs. 2 des Bürgerlichen Gesetzbuchs gilt entsprechend.
3.8.
DB c.s. heeft niet gesteld dat de verjaringstermijn op grond van § 204 BGB is gestuit dan wel geschorst. Zij stelt zich echter op het standpunt dat de verjaring tijdig van rechtswege is geschorst/gestuit op grond van artikel 33 lid 5 GWB.
3.9.
Gedaagden hebben hiertegen aangevoerd dat artikel 33 lid 5 GWB in deze zaak niet van toepassing is omdat deze bepaling pas is ingevoerd na beëindiging van het kartel en het moment waarop de Europese Commissie ‘ein Verfahren eingeleitet’ heeft (te weten de zogenaamde dawn raids in september 2002).
3.10.
De rechtbank overweegt als volgt. Er zijn geen overgangsbepalingen opgenomen met betrekking tot de toepasselijkheid van het huidige § 33 GWB op reeds voor juli 2005 ontstane schadevergoedingsvorderingen. Niet-contractuele verbintenissen moeten volgens Duits recht bij het ontbreken van een overgangsregeling worden beoordeeld naar het recht dat bij het ontstaan hiervan van toepassing was (zie het arrest van het Bundesgerichthof (BGH) de datum 16 juli 1998, I ZR 44/96). Dit betekent in deze zaak dat de vordering van DB c.s. beoordeeld moet worden naar het recht van voor juli 2005, zodat het huidige artikel 33 GWB buiten toepassing blijft. Dit sluit aan bij hetgeen het BGH heeft beslist in de zaak ORWI (arrest van 28 juni 2011, KZR 75/10) ten aanzien van dat artikel 33 GWB:
Die durch das Siebente Gesetz zur Änderung des Gesetzes gegen Wettbewerbsbeschränkungen vom 7. Juli 2005 (BGBl. I, 1954) neu gefasste Vorschrift des § 33 GWB, die nunmehr auch Verstöße gegen das unionsrechtliche Kartellverbot erfasst, ist auf den Streitfall mangels einer entsprechenden Übergangsvorschrift nicht anwendbar.
3.11.
DB c.s. heeft verwezen naar een uitspraak van het Oberlandesgericht (OLG) Düsseldorf van 29 januari 2014 (VI-U (Kart) 7/13) waarin is geoordeeld dat artikel 33 lid 5 GWB wel terugwerkende kracht heeft. OLG Düsseldorf heeft overwogen dat de terugwerkende kracht volgt uit het ‘allgemeinen Rechtsgedanken’ dat tot uitdrukking komt in de artikelen 169, 229 § 6 Abs. 1 en 231 § 6 Abs. 1 van het Einführungsgesetz zum Bürgerlichen Gesetzbuche (EGBGB). Anders dan OLG Düsseldorf leest de rechtbank dit niet in voornoemde artikelen. Hoewel in deze artikelen op reeds lopende, maar nog niet voltooide verjaringstermijnen inderdaad nieuw recht van toepassing wordt verklaard, is ten aanzien van de stuiting/schorsing van de verjaring uitdrukkelijk bepaald dat het oude recht van toepassing blijft. OLG Düsseldorf heeft verder niet overwogen waarom zij anders oordeelt dan het BGH in ORWI.
3.12.
Aldus oordeelt de rechtbank dat de vordering van DB c.s. niet van rechtswege is gestuit of geschorst op grond van het huidige artikel 33 lid 5 GWB. Eerdere versies van het GWB kenden geen stuiting/schorsing van rechtswege. De vordering van DB c.s. is derhalve verjaard, in ieder geval sinds september 2012, en zal worden afgewezen.
3.13.
DB c.s. heeft zich er nog op beroepen dat het buiten toepassing laten van artikel 33 lid 5 GWB in strijd zou zijn met het doelmatigheidsbeginsel, maar dit beroep slaagt niet. Het is aan de nationale wetgever om regels met betrekking tot de verjaring vast te stellen, mits deze regels niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke vorderingen naar nationaal recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door de communautaire rechtsorde verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel). In de zaak Manfredi (Hof van Justitie van de Europese Unie, zaken C-295/04 en C-298/04), waarnaar DB c.s. verwijst, ging het om een verjaringstermijn die begon te lopen op de dag waarop de mededingingsregeling of de onderling afgestemde feitelijke gedraging tot stand is gekomen, was de verjaringstermijn kort en kon die niet worden geschorst. Naar Duits recht begon de verjaringstermijn van de vordering van DB c.s. later de lopen, namelijk toen de schadevergoedingsvordering ontstond, is die niet kort (tien jaar) en kan die bovendien worden geschorst (destijds op grond van artikel 204 BGB).
3.14.
DB c.s. verwijst ter onderbouwing van haar doelmatigheidsverweer nog naar artikel 10 lid 3 van Richtlijn 2014/104/EU, waarin bepaald is dat de lidstaten ervoor zorgen dat de verjaringstermijn om een schadevordering in te stellen ten minste vijf jaar bedraagt. Deze Richtlijn was ten tijde van het bestaan van het Kartel echter nog niet in werking getreden en bepaalt bovendien dat lidstaten uiterlijk tot 27 december 2016 hebben om aan de Richtlijn te voldoen en dat de ten behoeve hiervan genomen maatregelen geen terugwerkende kracht mogen hebben. Daarbij komt dat artikel 10 ziet op de subjectieve verjaringstermijn. Uitdrukkelijk is in de preambule overwogen dat de lidstaten algemeen toepasselijke absolute verjaringstermijnen moeten kunnen handhaven, mits de duur van die verjaringstermijnen de uitoefening van het recht op volledige vergoeding niet praktisch onmogelijk of buitensporig moeilijk maakt, wat, zoals in de vorige alinea al overwogen, niet het geval is.
3.15.
DB c.s. zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten van Nedri c.s., ArcelorMittal c.s., DWK en Saarstahl, Fapricela en CB. Deze worden voor ieder van hen, met uitzondering van CB, die geen conclusie van dupliek heeft genomen, begroot op € 1.512,- (griffierecht € 608,- en salaris advocaat 2 punten x tarief € 452,-), en voor CB op € 1.060,- (griffierecht € 608,- en salaris advocaat 1 punt x tarief € 452,-).
3.16.
De door Nedri c.s. en CB gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen met inachtneming van de hierna te bepalen termijn.
3.17.
De door DWK en Saarstahl gevorderde nakosten zullen op hierna te vermelden wijze worden toegewezen.
De vorderingen ingesteld tegen de niet verschenen gedaagden
3.18.
Nu de niet verschenen gedaagden geen verweer hebben gevoerd tegen de vordering van DB c.s. en de rechtbank de vordering, voor zover gebaseerd op artikel 101 VWEU, niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal deze worden toegewezen. Artikel 33 lid 3 GWB is geen deugdelijke grondslag voor de vordering, aangezien dit artikel ten tijde van het Kartel nog niet in werking was getreden (zie onder meer r.o. 3.7 en 3.10). In zoverre zal de vordering van DB c.s. derhalve worden afgewezen.
3.19.
Emesa-Tréfileria SA en Industrias Galycas SA zullen hoofdelijk, als de in het ongelijk gestelde partijen, worden veroordeeld in de proceskosten van DB c.s. tot en met de dagvaarding die worden begroot op:
dagvaarding: € 92,82
griffierecht: € 608,00
salaris advocaat: € 452,00 (1 punt x tarief € 452,-)
totaal € 1.152,82
De vrijwaringszaken
3.20.
De rechtbank zal de zaken naar de rol van 14 december 2016 verwijzen voor akte aan de zijde van alle partijen om zich uit te laten over de voortgang van de procedure en verder iedere beslissing aanhouden.
4. De beslissing
De rechtbank
in de hoofdzaak
4.1.
verklaart voor recht dat Emesa-Tréfileria SA en Industrias Galycas SA in strijd hebben gehandeld met artikel 101 VWEU en dat zij dientengevolge hoofdelijk, aldus dat wanneer een van hen betaalt ook de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd, aansprakelijk zijn voor het geheel van de door DB c.s. geleden schade, deze schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
4.2.
verklaart voor recht dat Emesa-Tréfileria SA en Industrias Galycas SA hoofdelijk, in voormelde zin, aansprakelijk zijn voor betaling van de wettelijke rente over de bedragen die zij aan DB c.s. verschuldigd zullen blijken te zijn, te rekenen vanaf het moment waarop de (als gevolg van de kartelafspraken) te hoge prijzen voor spanstaal zijn voldaan tot aan de dag van algehele voldoening, de hoogte daarvan op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
4.3.
veroordeelt Emesa-Tréfileria SA en Industrias Galycas SA hoofdelijk, in voormelde zin, in de proceskosten van DB c.s., tot vandaag begroot op € 1.152,82,
4.4.
veroordeelt DB c.s. hoofdelijk, in voormelde zin, in de proceskosten van Nedri c.s., tot vandaag begroot op € 1.512,-, bij gebreke van betaling binnen veertien dagen na vandaag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na vandaag tot de dag van algehele voldoening,
4.5.
veroordeelt DB c.s. hoofdelijk, in voormelde zin, in de proceskosten van ArcelorMittal c.s., tot vandaag begroot op € 1.512,-,
4.6.
veroordeelt DB c.s. hoofdelijk, in voormelde zin, in de proceskosten van DWK en Saarstahl, tot vandaag begroot op € 1.512,-.
4.7.
veroordeelt DB c.s. hoofdelijk, in voormelde zin, in de voor DWK en Saarstahl na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat DB c.s. niet binnen twee weken na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,
4.8.
veroordeelt DB c.s. hoofdelijk, in voormelde zin, in de proceskosten van Fapricela, tot vandaag begroot op € 1.512,-,
4.9.
veroordeelt DB c.s. hoofdelijk, in voormelde zin, in de proceskosten van CB, tot vandaag begroot op € 1.060,-, bij gebreke van betaling binnen veertien dagen na vandaag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na vandaag tot de dag van algehele voldoening,
4.10.
verklaart de veroordelingen onder 4.3. tot en met 4.9. uitvoerbaar bij voorraad,
4.11.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in de vrijwaringszaken
4.12.
verwijst de vrijwaringszaken naar de rol van 14 december 2016 voor akte aan de zijde van alle partijen om zich uit te laten over de voortgang van de procedure,
4.13.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mrs. I.M. Etman, B.R.M. de Bruijn en G.M. Drenth en in het openbaar uitgesproken.1.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 16‑11‑2016
Uitspraak 25‑02‑2015
Inhoudsindicatie
Vonnis in incident in een procedure betreffende vergoeding van kartelschade. Rechtbank op grond van artikel 6 EEX-Vo bevoegd ten aanzien van niet in Nederland gevestigde gedaagden; beroep op verjaring en vorderingen tot niet-ontvankelijkheidverklaring lenen zich hier niet voor afdoening in incident; afwijzing vordering tot overlegging van bescheiden; toewijzing oproeping in vrijwaring van overige karteldeelnemers; afwijzing vordering tot openstellen tussentijds hoger beroep.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK LIMBURG
Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
zaaknummer / rolnummer: C/03/190094 / HA ZA 14-204
Vonnis in incident van 25 februari 2015
in de zaak van
de rechtspersonen naar Duits recht
1. DEUTSCHE BAHN AG,
gevestigd te Berlijn (Duitsland),
2. DB NETZ AG,
gevestigd te Frankfurt am Main (Duitsland),
3. DB BAHNBAUGRUPPE GMBH,
gevestigd te Berlijn (Duitsland),
4. DB PROJEKTBAU GMBH,
gevestigd te Berlijn (Duitsland),
5. DB REGIONETZ INFRASTRUKTUR GMBH,
gevestigd te Frankfurt am Main (Duitsland),
6. DB FAHRWEGDIENSTE GMBH,
gevestigd te Berlijn (Duitsland),
7. DB STATION & SERVICE AG,
gevestigd te Berlijn (Duitsland),
eiseressen in de hoofdzaak,
verweersters in de incidenten,
hierna: DB c.s.,
advocaat: mr. M. Deckers,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NEDRI SPANSTAAL B.V.,
gevestigd te Blerick,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HIT GROEP B.V.,
gevestigd te Haarlem,
3. de rechtspersoon naar Duits recht WESTFÄLISCHE DRAHTINDUSTRIE VERWALTUNGSGESELLSCHAFT MBH & CO. KG,
gevestigd te Hamm (Duitsland),
4. de rechtspersoon naar Duits recht WESTFÄLISCHE DRAHTINDUSTRIE GMBH,
gevestigd te Hamm (Duitsland),
5. de rechtspersoon naar Duits recht PAMPUS INDUSTRIEBETEILIGUNGEN GMBH & CO. KG,
gevestigd te Iserlohn (Duitsland),
gedaagden in de hoofdzaak,
eiseressen in de incidenten tot i) oproeping in vrijwaring, ii) niet-ontvankelijkverklaring althans afwijzing wegens verjaring en iii) overlegging van bescheiden,
hierna: Nedri c.s.,
advocaat: mr. D.J. Beenders;
6 de rechtspersoon naar Spaans recht ARCELORMITTAL ESPANA SA,
gevestigd te Luanco, Asturias (Spanje),
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in de incidenten tot i) niet-ontvankelijkverklaring, ii) overlegging van bescheiden en iii) oproeping in vrijwaring,
hierna (met 11. en 12.): Arcelormittal c.s.,
advocaat: mr. W. Heemskerk;
7 de rechtspersoon naar Spaans recht EMESA-TRÉFILERIA SA,
gevestigd te Arteixo La Corunya (Spanje),
gedaagde,
niet verschenen;
8 de rechtspersoon naar Spaans recht INDUSTRIAS GALYCAS SA,
gevestigd te Vitoria/Gazteiz Araba (Spanje),
gedaagde,
niet verschenen;
9 de rechtspersoon naar Duits recht DWK DRAHTWERK KOLN GMBH,
gevestigd te Keulen (Duitsland),
10. de rechtspersoon naar Duits recht SAARSTAHL AG,
gevestigd te Völklingen (Duitsland),
gedaagden in de hoofdzaak,
eiseressen in de incidenten tot i) onbevoegdverklaring en ii) oproeping in vrijwaring,
hierna: DWK en Saarstahl,
advocaat: mr. F.C.H.M. van der Stap;
11 de rechtspersoon naar Frans recht ARCELORMITTAL WIRE FRANCE SA,
gevestigd te Bourg-en-Besse (Frankrijk),
12. de rechtspersoon naar Luxemburgs recht ARCELORMITTAL SA,
gevestigd te Luxemburg (Luxemburg),
gedaagden in de hoofdzaak,
eiseressen in de incidenten tot i) niet-ontvankelijkverklaring, ii) overlegging van bescheiden en iii) oproeping in vrijwaring,
hierna (met 6.): Arcelormittal c.s.,
advocaat: mr. W. Heemskerk.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de dagvaarding,
- -
de incidentele conclusie van Nedri c.s. (Hit Groep B.V. uitgezonderd) van 9 juli 2014,
- -
de incidentele conclusie van Hit Groep B.V. van 9 juli 2014,
- -
de incidentele conclusie van Arcelormittal c.s. van 9 juli 2014,
- -
de incidentele conclusie van Saarstahl van 9 juli 2014,
- -
de rolbeslissing tot verwijzing van de locatie Roermond naar de locatie Maastricht,
- -
de incidentele conclusie van DWK van 20 augustus 2014,
- -
de incidentele conclusie van antwoord van DB c.s. van 20 augustus 2014,
- -
de incidentele conclusie van antwoord van DB c.s. van 10 september 2014,
- -
de ten behoeve van het pleidooi overgelegde producties van DB c.s. (t/m 17),
- -
de ten behoeve van het pleidooi overgelegde producties van Nedri c.s. (t/m 16),
- -
de ten behoeve van het pleidooi overgelegde productie van Arcelormittal c.s. (21),
- -
de bij het pleidooi van 16 januari 2015 overgelegde pleitnotities.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in de incidenten.
2. Het geschil in de hoofdzaak
2.1.
Deze zaak betreft een kartelschadeactie. DB c.s. stelt zich op het standpunt dat zij als (indirect) afnemer van spanstaal schade heeft geleden als gevolg van het kartel voor spanstaal zoals dat vanaf 1984 tot en met 2002 in Europa actief was. Zij stelt voorts dat de schadevergoedingsvorderingen van een aantal andere afnemers en van de Duitse staat aan haar zijn gecedeerd. Volgens DB c.s. hebben gedaagden als deelnemers aan dit kartel in strijd gehandeld met art. 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en art. 33 lid 3 van het Gesetz gegen Wettbewerbsbeschränkungen en zijn zij dientengevolge hoofdelijk aansprakelijk voor de daardoor door DB c.s. (en haar cedenten) geleden schade en de daarover te berekenen wettelijke rente. DB c.s. vordert, samengevat, daartoe strekkende verklaringen voor recht, met hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot schadevergoeding en betaling van rente, op te maken bij staat.
2.2.
Ter onderbouwing van haar vorderingen verwijst DB c.s. in het bijzonder naar het Besluit van de Europese Commissie van 30 juni 2010 inzake een procedure op grond van art. 101 VWEU en art. 53 van de EER-Overeenkomst (zaak COMP/38.344 – Spanstaal), hierna: “het Besluit”. De Samenvatting (PB C 339 van 19.11.2011) van het Besluit luidt onder meer als volgt:
“(1) Dit besluit is gericht tot 36 rechtspersonen die onderdeel vormen van 17 spanstaalondernemingen, omdat zij hebben deelgenomen aan één enkele voortdurende inbreuk op artikel 101 van het VWEU en artikel 53 van de EER-Overeenkomst. Zij hebben deelgenomen aan de vaststelling van prijzen en volumes, de verdeling van klanten en de uitwisseling van commercieel gevoelige informatie in het kader van een kartel in de sector spanstaal (de producten „speciale strengen” en „draagkabels” uitgezonderd). Het kartel duurde van januari 1984 tot september 2002 en bestreek alle landen die in die periode de EU15 vormden, met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Griekenland. Ook Noorwegen was bij het kartel betrokken. Het kartel staakte zijn activiteiten in 2002, toen de onderneming DWK/Saarstahl het bestaan ervan bekendmaakte op grond van de in datzelfde jaar ingevoerde clementieregeling van de Commissie (..).
(…)
(9) Deze zaak betreft een inbreuk op artikel 101 van het VWEU en, vanaf 1 januari 1994, op artikel 53 van de EER-Overeenkomst in de sector spanstaal, met uitzondering van speciale strengen en draagkabels. Spanstaal bestaat uit lange, gekrulde metaaldraden en -strengen die in combinatie met beton op bouwwerven worden gebruikt voor het maken van funderingen, balkons of bruggen alsook bij ondergrondse bouwwerken en in de bruggenbouw.
(10) De betrokken leveranciers stelden prijzen en volumes vast, verdeelden klanten en wisselden commercieel gevoelige informatie uit in het kader van een kartel dat meer dan 18 jaar duurde, van tenminste 1 januari 1984 tot 19 september 2002. Daarnaast controleerden zij de afspraken op het gebied van prijzen, afnemers en volumes door middel van een systeem van nationale coördinatoren en bilaterale contacten. Sommige leveranciers waren tevens betrokken bij een speciale vorm van klantentoewijzing met betrekking tot een grote Scandinavische afnemer. De inbreuk vormt door zijn aard een van de ernstigste schendingen van artikel 101 van het VWEU.
(11) Het kartel betrof een geheel van pan-Europese regelingen en werd aanvankelijk aangeduid als „Club Zürich”, naar de stad in Zwitserland waar de eerste kartelbijeenkomsten werden gehouden, en later als „Club Europa”. Maar er waren ook twee regionale afdelingen, een in Italië („Club Italia”) en een in Spanje/Portugal („Club España”). De verschillende regelingen in het kader van het kartel vormden één enkele, complexe en voortdurende inbreuk omdat zij onderling verbonden waren door overlappingen van grondgebied, lidmaatschap en periode. Verder hadden zij hetzelfde doel en maakten zij gebruik van soortgelijke mechanismen. Immers, het doel van het kartel was de marktaandelen van de leveranciers te stabiliseren om prijsdalingen te voorkomen en prijsverhogingen te vergemakkelijken. Dit gebeurde door afspraken te maken over volumes, prijzen en/of de verdeling van klanten. Deze afspraken werden gecontroleerd en er werden compensatiemechanismen in het leven geroepen. Bovendien waren de deelnemers aan de verschillende regelingen op de hoogte van elkaars inspanningen om de marktaandelen/prijzen te stabiliseren en werden er pogingen ondernomen om overeenstemming te bereiken over een gemeenschappelijk evenwicht en om gezamenlijk prijzen vast te stellen.
(12) De betrokken ondernemingen ontmoetten elkaar doorgaans in de wandelgangen van officiële branchebijeenkomsten in hotels in heel Europa. De Commissie bezit bewijsmateriaal met betrekking tot meer dan 550 kartelbijeenkomsten.
(…)
Besluit
(20) De volgende geldboeten werden opgelegd ingevolge artikel 23, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1/2003:
1. | 45 705 600 EUR | Voor ArcelorMittal Wire France SA en ArcelorMittal Fontaine SA, waarbij ArcelorMittal Verderio Srl hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor een bedrag van 32 353 600 EUR, en waarbij ArcelorMittal SA hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor een bedrag van 31 680 000 EUR. |
2. | 36 720 000 EUR | voor ArcelorMittal España SA, waarbij ArcelorMittal SA hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor een bedrag van 8 256 000 EUR, en Emesa — Trefilería SA hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor een bedrag van 2 576 400 EUR, en Industrias Galycas SA hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor een bedrag van 868 300 EUR. |
3. | 54 389 000 EUR | voor Global Steel Wire SA en Moreda-Riviere Trefilerías SA, welke ondernemingen beide hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld, waarbij Trenzas y Cables de Acero PSC, SL hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor een bedrag van 40 000 000 EUR, en Trefilerías Quijano SA hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor een bedrag van 4 190 000 EUR. |
4. | 12 590 000 EUR | voor Companhia Previdente — Sociedade de Controle de Participações Financeiras SA en SOCITREL — Sociedade Industrial de Trefilaria SA, welke ondernemingen beide hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld. |
5. | 22 000 000 EUR | voor voestalpine AG en voestalpine Austria Draht GmbH, welke ondernemingen beide hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld. |
6. | 8 874 000 EUR | voor Fapricela — Indústria de Trefilaria SA |
7. | 482 250 EUR | voor Proderac Productos Derivados del Acero SA |
8. | 46 550 000 EUR | voor Westfälische Drahtindustrie GmbH, waarbij Westfälische Drahtindustrie Verwaltungsgesellschaft GmbH & Co. KG hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor een bedrag van 38 855 000 EUR, en Pampus Industriebeteiligungen GmbH & Co. KG hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor een bedrag van 15 485 000 EUR. |
9. | 6 934 000 EUR | voor HIT Groep BV, waarbij Nedri Spanstaal BV hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor een bedrag van 5 056 500 EUR. |
10. | 0 EUR | voor Saarstahl AG en DWK Drahtwerk Köln GmbH, welke ondernemingen beide hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld. |
11. | 4 300 000 EUR | voor Rautaruukki Oyj en Ovako Bright Bar AB, welke ondernemingen beide aansprakelijk worden gesteld, waarbij Ovako Hjulsbro AB hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor een bedrag van 1 808 000 EUR, en Ovako Dalwire Oy Ab hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor een bedrag van 554 000 EUR. |
12. | 2 386 000 EUR | voor Italcables SpA, waarbij Antonini SpA hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor een bedrag van 22 500 EUR. |
13. | 6 341 000 EUR | voor Redaelli Tecna SpA |
14. | 2 552 500 EUR | voor CB Trafilati Acciai SpA |
15. | 843 000 EUR | Voor I.T.A.S. — Industria Trafileria Applicazioni Speciali — SpA |
16. | 15 956 000 EUR | voor Siderurgica Latina Martin SpA,waarbij ORI Martin SA hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor een bedrag van 14 000 000 EUR. |
17. | 3 249 000 EUR | voor Emme Holding SpA |
3. De beoordeling in de incidenten
3.1.
De bij de hiervoor onder 1.1. genoemde incidentele conclusies ingestelde incidentele vorderingen zullen zoveel mogelijk tezamen worden beoordeeld.
Bevoegdheid
3.2.
DWK en Saarstahl stellen zich op het standpunt dat de rechtbank niet bevoegd is kennis te nemen van de door DB c.s. tegen hen ingestelde vorderingen. Dit standpunt moet worden verworpen.
3.3.
Nedri Spanstaal B.V. en Hit Groep B.V. zijn gevestigd in Nederland (en eerstgenoemde binnen het arrondissement van deze rechtbank). Ten aanzien van hen volgt derhalve uit de hoofdregel van art. 2 van de EG-verordening 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken - zoals van kracht tot 15 januari 2015, hierna: EEX-Vo (oud) - dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft. Ten aanzien van de overige gedaagden in de hoofdzaak geldt de bijzondere bevoegdheidsregel van art. 6 lid 1 EEX-Vo (oud), op grond waarvan een persoon die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft ook kan worden opgeroepen, indien er sprake is van meer verweerders, voor het gerecht van de woonplaats van een van hen, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven. Op basis van hetgeen partijen tot dusver hebben aangevoerd is naar het oordeel van de rechtbank van een dergelijke nauwe band sprake. Volgens het Besluit waarop DB c.s. haar ten aanzien van alle gedaagden gelijkluidende vorderingen baseert, ging het bij de deelname aan het spanstaalkartel door onder meer gedaagden om “één enkele voortdurende inbreuk” en vormden “de verschillende regelingen in het kader van het kartel […] één enkele, complexe en voortdurende inbreuk omdat zij onderling verbonden waren door overlappingen van grondgebied, lidmaatschap en periode” en “hadden zij hetzelfde doel”. Het gaat bij het spanstaalkartel volgens het Besluit derhalve niet om afzonderlijke inbreuken die op het niveau van verschillende nationale rechtstelsels zijn gepleegd.
3.4.
DWK en Saarstahl kennen in verband met de bevoegdheid nog betekenis toe aan de bijzondere positie die zij stellen in te nemen ten opzichte van de overige karteldeelnemers en ten opzichte van de afnemers, omdat zij degenen zijn geweest die het bestaan van het kartel hebben bekendgemaakt. Zij stellen dat zij op die grond slechts door hun eigen afnemers kunnen worden aangesproken en jegens andere benadeelde partijen slechts aansprakelijk zijn indien geen volledige schadevergoeding kan worden verkregen van de andere bij dezelfde inbreuk betrokken ondernemingen. Daargelaten de betwisting door DB c.s. dat ten aanzien van DWK en Saarstahl sprake is van een dergelijke subsidiaire aansprakelijkheid, neemt de door DWK en Saarstahl gestelde bijzondere positie - waarover in de hoofdzaak zal kunnen worden geoordeeld - de nauwe band en het risico van onverenigbare beslissingen als bedoeld in art. 6 lid 1 EEX-Vo (oud) niet weg.
3.5.
De rechtbank verwerpt voorts de stelling van DWK en Saarstahl dat DB c.s. misbruik van recht maakt door zich ten aanzien van hen te beroepen op de bijzondere bevoegdheidsregel van art. 6 EEX-Vo (oud) en hen zo van hun eigen (Duitse) rechter af te houden. DWK en Saarstahl konden als deelnemers aan het spanstaalkartel redelijkerwijs voorzien dat op enig moment - en zeker nadat de Europese Commissie haar Besluit had genomen - een civielrechtelijke vordering tot schadevergoeding tegen (een aantal van) de gezamenlijke inbreukmakers zou worden ingesteld bij de rechter van het rechtsgebied waarin een van hen was gevestigd. Onweersproken is dat de in Nederland gevestigde ‘ankergedaagde’ Nedri Spanstaal B.V. rechtstreeks heeft deelgenomen aan het kartel en dat diverse kartelbijeenkomsten in Nederland werden gehouden. Gelet daarop was het ook voorzienbaar dat een kartelschadevordering bij de Nederlandse rechter zou worden ingesteld. Aan het in punt 11 van de considerans van de EEX-Vo (oud) gestelde vereiste van voorspelbaarheid van de bevoegdheid is derhalve voldaan. Dat de zaak veel, of zelfs overwegend, aanknopingspunten heeft met de Duitse rechtssfeer en DB c.s. zich ook tot die rechter had kunnen wenden, doet aan de rechtsmacht van de Nederlandse rechter en de bevoegdheid van DB c.s. om de zaak aan de Nederlandse rechter voor te leggen niet af. Dit ongeacht of, zoals DWK en Saarstahl stellen, een feit van algemene bekendheid is dat Nederland, onder meer omdat hier voor een verklaring voor recht slechts de mogelijkheid van schade aannemelijk moet worden gemaakt, een aantrekkelijke jurisdictie is om schadevorderingen in verband met internationale kartels in te stellen.
3.6.
Subsidiair hebben DWK en Saarstahl verzocht de beslissing over de bevoegdheid aan te houden totdat is beslist op de door het gerecht te Dortmund, Duitsland, aan het Europees Hof van Justitie gestelde prejudiciële vragen in een vergelijkbare bevoegdheidskwestie (zaak C-352/13, CDC). DB c.s. heeft zich tegen dit verzoek verzet. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding haar beslissing aan te houden, nu in de Nederlandse rechtspraak in vergelijkbare zaken bevoegdheid pleegt te worden aangenomen, welke rechtspraak steun vindt in de Painer-uitspraak van het Europees Hof van Justitie van 1 december 2011 en in de door de Advocaat-Generaal bij het Europees Hof genomen conclusie van 11 december 2014 naar aanleiding van de door DWK en Saarstahl bedoelde prejudiciële vragen.
Ontvankelijkheid
3.7.
Nedri c.s. en Arcelormittal c.s. stellen dat de vordering in de hoofdzaak is verjaard en dat om die reden tot niet-ontvankelijkverklaring van DB c.s., althans de afwijzing van haar vorderingen moet worden beslist. Zij beroepen zich daarbij onder meer op art. 199 Bürgerliches Gezetsbuch (BGB) en verwijzen naar de door hen overgelegde rechtskundige adviezen. DB c.s. bestrijdt dat de vordering verjaard is, stellende dat de verjaringstermijn naar Duits recht eerst begint te lopen vanaf de datum van het Besluit. Ook DB c.s. verwijst daarbij naar door haar overgelegde rechtskundige adviezen.
3.8.
Naar het oordeel van de rechtbank leent het beroep op verjaring zich in de onderhavige zaak niet voor een beoordeling in het incident. Daargelaten dat een beroep op verjaring als een materieel verweer moet worden aangemerkt, geldt dat de goede procesorde zich er in de onderhavige zaak tegen verzet dat het beroep op verjaring in het incident wordt afgedaan. Van belang is daarbij dat zich hier niet de situatie voordoet dat alle partijen een dergelijke afdoening in het incident verlangen. DB c.s. verzet zich hier immers gemotiveerd tegen, terwijl gedaagden in de hoofzaak sub 7 en 8 (nog) niet in het geding zijn verschenen en DWK en Saarstahl uitdrukkelijk stellen ervoor te hebben gekozen het door hen te voeren verjaringsverweer te reserveren voor de hoofdzaak. Indien zou worden tegemoetgekomen aan de wens van Nedri c.s. en Arcelormittal c.s. om het debat en de beslissing omtrent de verjaring ten aanzien van hen uit de hoofdzaak te lichten, zou, hoe die beslissing ook zou luiden, een niet te verwaarlozen en onwenselijk risico ontstaan op versnippering en/of vertraging van het geding en/of onverenigbare beslissingen.
3.9.
Arcelormittal c.s. heeft voorts aangevoerd dat eiseressen in de hoofdzaak sub 1, 3, 5 en 6 niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard omdat in de dagvaarding niet wordt gesteld dat (ook) zij een vordering hebben. Ook dit betreft een verweer dat in de hoofdzaak kan worden gevoerd en dan aldaar dient te worden beoordeeld.
Overlegging van bescheiden
3.10.
Nedri c.s. en Arcelormittal c.s. vorderen op de voet van art. 843a Rv de overlegging door DB c.s. van bescheiden. Het betreft onder meer de volledige cessiedocumentatie waarmee de gestelde vorderingen van afnemers en de Duitse staat volgens DB c.s. aan haar zijn overgedragen, facturen die gedurende het kartel door bedoelde afnemers en door DB c.s. zijn ontvangen voor dwarsliggers, spanstaal, spanstaalproducten en cement, alsmede bescheiden betreffende de certificering van leveranciers van spanstaalproducten.
3.11.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben eiseressen in de incidenten in de huidige stand van de procedure geen rechtmatig belang bij de verlangde overlegging van bescheiden en moeten hun verzoeken reeds op die grond worden afgewezen. In de hoofdzaak is nog geen verweer gevoerd. Het is in de hoofdzaak aan DB c.s. om de stellingen waarop haar vorderingen berusten, indien betwist, te onderbouwen en aannemelijk te maken. De verweren die Nedri c.s. en Arcelormittal c.s. in deze incidenten reeds opwerpen ten aanzien van de cessies en daarmee ten aanzien van de vorderingsgerechtigdheid van DB c.s., kunnen zij desgewenst in de hoofdzaak voeren. Dat geldt ook voor hetgeen zij in deze incidenten naar voren hebben gebracht over de (on)mogelijkheid dat DB c.s. als gevolg van het kartel schade heeft geleden. Mede gelet op de aard van de hoofdzaak - de vaststelling van aansprakelijkheid terzake deelname aan een internationaal kartel - en de aard en omvang van de thans verlangde bescheiden, acht de rechtbank die verzoeken, nog voordat in de hoofdzaak is geantwoord, prematuur, niet in het belang van een doelmatige procesvoering en niet noodzakelijk voor een behoorlijke rechtsbedeling. Daarbij komt dat namens DB c.s. bij gelegenheid van het pleidooi in de incidenten het voornemen is uitgesproken het inmiddels door haar ontvangen schaderapport van Oxera in de hoofdzaak bij akte in het geding te brengen, voorafgaand aan de door gedaagden in de hoofdzaak te nemen conclusies van antwoord.
Oproeping in vrijwaring
3.12.
Alle eiseressen in de incidenten verzoeken toestemming (een aantal van) de overige rechtspersonen tot wie het Besluit zich richt in vrijwaring op te roepen. Aan de voorwaarde van bevoegdheid van deze rechtbank die DWK en Saarstahl aan dat verzoek verbinden is, zoals hiervoor is gebleken, voldaan. Alle eiseressen in de incidenten stellen dat, indien zij in de hoofdzaak aansprakelijk worden gehouden, de overige karteldeelnemers in hun verhouding jegens hen (naar Duits recht) draagplichtig zijn.
3.13.
Nedri c.s. verzoekt voorts toestemming de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Zuiderhoofd B.V. te Goes in vrijwaring op te roepen, stellende dat deze vennootschap op grond van een door haar afgegeven garantie verplicht is alle schade te vergoeden die Nedri Spanstaal B.V. lijdt als gevolg van de mededingingsinbreuk.
3.14.
Hetgeen eiseressen in de incidenten aan hun verzoeken tot oproeping in vrijwaring ten grondslag hebben gelegd, kan die verzoeken - waartegen DB c.s. zich niet heeft verzet - dragen. Die verzoeken zullen dan ook worden toegewezen. De daarbij door eiseressen in de incidenten voorgestelde termijn van zes maanden is ruim, maar komt de rechtbank, mede gelet op het aantal van de op te roepen rechtspersonen en hun diverse vestigingsplaatsen, in deze zaak passend voor.
De kosten van de incidenten
3.15.
De kosten van de vrijwaringsincidenten zullen, gelet op de referte door DB c.s. en het feit dat deze incidentele vorderingen bij dezelfde conclusies zijn ingesteld als de overige incidentele vorderingen, worden gecompenseerd.
3.16.
Ten aanzien van de overige incidenten zullen eiseressen in de incidenten worden veroordeeld in de aan de zijde van DB c.s. gerezen kosten, begroot volgens het liquidatietarief op basis van tarief II (onbepaalde waarde), anderhalf punt per incident.
Geen tussentijds hoger beroep
3.17.
De rechtbank zal het verzoek van Nedri c.s., DWK en Saarstahl om tussentijds hoger beroep open te stellen, waartegen DB c.s. zich heeft verweerd, niet toestaan. Het onderhavige vonnis is een tussenvonnis als bedoeld in art. 232 Rv. Ingevolge de hoofdregel van art. 337 lid 2 Rv staat tegen tussenvonnissen geen hoger beroep open. De rechtbank ziet geen aanleiding van deze hoofdregel af te wijken. Ten aanzien van de beslissing op het door DWK en Saarstahl opgeworpen bevoegdheidsincident overweegt de rechtbank daarbij dat het hier naar haar oordeel geen controversiële aangelegenheid betreft. Ten aanzien van de beslissingen op de overige incidentele vorderingen komt het openstellen van afzonderlijk hoger beroep de rechtbank niet doelmatig voor.
4. De beoordeling in de hoofdzaak
4.1.
De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen voor conclusie van antwoord zijdens gedaagden.
4.2.
De rechtbank verzoekt partijen de door hen in de incidenten ingenomen stellingen en overgelegde producties, indien en voor zover gehandhaafd, in de hoofdzaak opnieuw in te brengen. Dit met het oog op de overzichtelijkheid van de procedure en daarmee de goede procesorde. Bij de verdere beoordeling in de hoofdzaak zal tot uitgangspunt worden genomen dat het in de incidenten gevoerde debat verder buiten beschouwing zal blijven.
5. De beslissing
De rechtbank
in de incidenten
5.1.
staat ieder van de eiseressen toe de andere van de 36 rechtspersonen tot wie het Besluit zich richt op te roepen in vrijwaring door die andere rechtspersonen te dagvaarden tegen de rolzitting van 26 augustus 2015,
5.2.
staat Nedri c.s. toe de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Zuiderhoofd B.V. te Goes op te roepen in vrijwaring door haar te dagvaarden tegen de rolzitting van 26 augustus 2015,
5.3.
wijst de overige incidentele vorderingen van eiseressen af,
5.4.
veroordeelt eiseressen in de aan de zijde van DB c.s. gerezen proceskosten en bepaalt dat terzake dient te worden betaald door Nedri c.s. (uitgezonderd Hit Groep B.V.) € 1.356,-, door Hit Groep B.V. € 1.356,-, door Arcelormittal c.s. € 1.356,-, door DWK € 678,- en door Saarstahl € 678,-, en compenseert de kosten van de incidenten voor het overige aldus dat ieder der partijen de eigen kosten draagt,
5.5.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
5.6.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 26 augustus 2015 voor conclusie van antwoord zijdens alle in het geding verschenen gedaagden,
5.7.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mrs. P.E. de Kort, B.R.M. de Bruijn en G.M. Drenth en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2015.