Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/4.5.2
4.5.2 Bescherming van het doelgebonden vermogen bij rechtsvormwijziging; WS 1956 en Invoeringswet NBW
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS390914:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Snijder-Kuipers 2010, p. 116.
Snijder-Kuipers 2010, p. 87-89.
Kamerstukken II 1953-1954, 3463, nr. 3, p. 12. Polak merkt hierover op dat er kennelijk vanuit werd gegaan dat een periode van meer dan tien jaar lang genoeg is om te mogen aannemen, dat de omzetting met eerbare motieven is ondernomen (Polak 1956, p. 136).
Wet van 12 mei 1960 tot vaststelling van Boek 2 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, Stb. 1960/205.
Kamerstukken II 1982-1983, 17 725, nr. 3, p. 63-65.
Wet van 15 november 1989 (Invoeringswet Boeken 3, 5 en 6 Nieuw BW, zesde gedeelte, bevattende de aanpassing van de Boek 1 en 2 van het BW,”), Stb. 1989, 541.
Boschma & Snijder-Kuipers 2011, p. 51-52.
Snijder-Kuipers 2010, p. 116.
Naast het uitkeringsverbod kende de WS 1956 aanvankelijk slechts weinig regels ter bescherming van het doelgebonden vermogen. De WS 1956 bevatte een regel die moest voorkomen dat na omzetting van een stichting in een ander soort rechtspersoon vermogensbestanddelen van die rechtspersoon (de voormalige stichting) bij ontbinding, vereffening en bestemming van het batig saldo alsnog konden worden uitgekeerd.
WS 1956
De figuur van omzetting van een stichting in een NV, een vereniging of een coöperatie (ook wel rechtsvormwijziging genoemd) die de WS 1956 bood, was aanvankelijk bedoeld als alternatief om ontbinding van de stichting te voorkomen. Omzetting kon slechts plaatsvinden als een stichting niet meer aan haar eigen materiële kenmerken voldeed, maar wel aan de kenmerken van een andere rechtsvorm.1 Omzetting was in feite een andere rechtsfiguur met andere rechtsgevolgen dan de huidige door artikel 2:18 BW geboden mogelijkheid van omzetting. Omzetting onder de WS 1956 betekende dat een nieuwe rechtspersoon werd opgericht waarop de vermogensbestanddelen van de stichting overgingen; de stichting hield daarbij op te bestaan.2
De WS 1956 bepaalde dat gedurende tien jaar na rechtsvormwijziging een besluit tot ontbinding van de rechtspersoon (de voormalige stichting) slechts geldig genomen kon worden wanneer de bestemming van het batig saldo van de vereffening door de Minister van Justitie was goedgekeurd (artikel 19 lid 7WS 1956). Volgens de MvT bij de WS 1956 was deze maatregel nodig om te voorkomen dat omzetting van een als stichting opgerichte rechtspersoon in een andere rechtspersoon zou worden misbruikt om het vermogen van een stichting toe te eigenen.3
Vaststellingswet Boek 2 BW
In de Vaststellingswet Boek 2 BW4 stond de bepaling over “omzetting” aanvankelijk in artikel 2.1.10f BW. Artikel 2.1.10f werd vervolgens vernummerd en de omzettingsregeling kwam in Titel 1 van Boek 2 BW terecht (artikelen 2:19 en 2:20 BW). Deze regeling hield in dat een bestuurder van een rechtspersoon, die meent dat de rechtspersoon kan worden ontbonden wegens het niet voldoen aan de wettelijke materiële kenmerken, de rechtbank kan verzoeken machtiging te verlenen tot omzetting in een ander soort rechtspersoon. Voor die andere soort rechtspersoon gelden materiële kenmerken waaraan wel wordt voldaan. Ook op grond van deze wetsbepaling werd, indien de rechtbank machtiging verleende, een nieuwe rechtspersoon opgericht en ging het vermogen onder algemene titel over op de nieuw opgerichte rechtspersoon. De Ministeriële goedkeuring bij besluiten tot ontbinding van de omgezette rechtspersoon bleef eveneens gehandhaafd.
Invoeringswet NBW
Enkele jaren later werd voorgesteld de omzettingsregeling uit Titel 1 van Boek 2 BW te vervangen. De MvT bij de Invoeringswet NBW5 vermeldt dat de Minister de tot dan toe geldende regeling gewrongen vond: een rechtspersoon die een andere rechtsvorm wenst aan te nemen kan eerst de statuten zo wijzigen dat deze niet meer passen bij de eigen rechtsvorm en vervolgens, wegens het daardoor ontstane gevaar van ontbinding, de rechtbank verzoeken machtiging te verlenen tot omzetting. De Invoeringswet NBW, die in 1992 in werking trad, wijzigde deze regeling en introduceerde de rechtsfiguur van “vrijwillige omzetting”, die tegenwoordig in artikel 2:18 BW staat.6
Tot de inwerkingtreding van de Invoeringswet NBW kon een stichting die in een andere rechtsvorm was omgezet – destijds doorgaans een NV – slechts ontbonden worden en kon haar vermogen slechts vereffend worden na goedkeuring van de Minister van Justitie. Er waren echter geen wettelijke bepalingen die ten doel hadden het oorspronkelijke stichtingsvermogen tijdens het bestaan van de NV te beschermen (te “beklemmen”) teneinde uitkeringen uit dat vermogen aan aandeelhouders tegen te gaan.
Boschma en Snijder-Kuipers beschrijven hoe de gewijzigde bepaling die werd opgenomen in de Invoeringswet NBW het karakter van het toezicht op stichtingsvermogen veranderde.7 Het gevolg van de nieuwe bepaling was dat het externe toezicht zowel in tijd als in omvang werd opgerekt. De tien-jaarsperiode voor de vereiste goedkeuring ingeval van ontbinding van de voormalige stichting kwam te vervallen. Het toezicht beperkte zich niet langer tot het overschot na vereffening, maar wel werd een doorlopende vermogensklem geïntroduceerd. Het toezicht werd aan de andere kant beperkter in de zin dat alleen “anders besteden” (dus: het doen van bestedingen die niet in overeenstemming zijn met het doel) aan toezicht werd onderworpen en niet de gehele besteding van het vermogen. Bovendien hield de Minister van Justitie niet langer toezicht op de bestemming van het vermogen, maar werd de rechter de instantie die toestemming moest verlenen aan een besteding die niet overeenkomstig het oorspronkelijke stichtingsdoel was.8