Einde inhoudsopgave
Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming (MSR nr. 78) 2021/3.1
3.1 Inleiding
Hanneke Bennaars, datum 01-05-2021
- Datum
01-05-2021
- Auteur
Hanneke Bennaars
- JCDI
JCDI:ADS288421:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
“The jury in this case will be handed a square peg and asked to choose between two round holes”, aldus een Californische rechter in een procedure over de rechtspositie van een chauffeur van Lyft (een concurrent van Uber), Cotter v. Lyft, Inc., No. 13–cv–04065–VC, 2015 WL 1062407, at 12 (N.D. Cal. Mar. 11, 2015).
O.a. Van Slooten bepleit dat dit niet het geval is, Van Slooten 2017.
Jansen & Loonstra 1997: een overzicht van de jurisprudentie over de gezagsverhouding van 1909 t/m 1996.
IBO 2015, p. 77.
Vanaf 2012 biedt Uber zijn diensten aan in Amsterdam; daarvoor is eigenlijk geen sprake van platformarbeid in de zin van dit hoofdstuk. Een website als Marktplaats, actief vanaf 1999, wordt meestal niet beschouwd als een platform waarbij arbeid een rol speelt, hoewel inmiddels ook diensten via Marktplaats kunnen worden afgenomen.
Zie ook Garin e.a. 2020, die vanuit Amerikaans perspectief onderzoeken wat nu het verschil is tussen ‘gewone’ zzp’ers en platformwerkers.
HR 14 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2495, NJ 1998/149. Inmiddels is de Hoge Raad in het arrest HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1746 teruggekomen op de rol van de partijbedoeling door te oordelen dat niet van belang is of partijen ook daadwerkelijk de bedoeling hadden een arbeidsovereenkomst te sluiten. Het gaat erom dat de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst. De bedoeling van partijen speelt dus geen rol bij de bij de vraag of de overeenkomst moet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst, aldus de Hoge Raad in r.o. 3.2.2.
Vgl. Rb. Amsterdam 15 januari 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:198, JAR 2019/23 (FNV/Deliveroo), r.o. 21, waarin wordt opgemerkt dat aan dergelijke voorwaarden geen doorslaggevende betekenis kan worden gehecht voor wat betreft de (inmiddels door de Hoge Raad genuanceerde) partijbedoeling. In de hoger beroep is de partijbedoeling in het geheel niet meer aan de orde gekomen, Hof Amsterdam 16 februari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:392, JAR 2021/62, m.nt. Van der Neut (Deliveroo/FNV), r.o. 3.4 en 3.5.
Zie bijvoorbeeld Kruit & Ouwehand 2018.
De vraag of een platformwerker een arbeidsovereenkomst of opdrachtovereenkomst heeft met het platform is wel aangeduid als het moeten kiezen tussen twee ronde gaten om een vierkant blokje in te passen.1 Dit hoofdstuk beschrijft de stand van zaken met betrekking tot de kwalificatie van de rechtsverhouding tussen platform en werkende, waarbij de centrale vraag is of de huidige definities van de arbeidsovereenkomst en de driehoeksverhoudingen in het arbeidsrecht wel zijn toegesneden op de praktijk van platforms.2
De volgende vier omstandigheden zijn hierbij relevant.
Ten eerste is het onderscheid tussen werknemers en opdrachtnemers al langer problematisch, eigenlijk al vanaf de invoering van de definitie van de arbeidsovereenkomst.3 In het IBO-zelfstandigenrapport uit 2015 waarin de groei van zzp’ers tot en met 2013 is onderzocht is te lezen dat de grens tussen werknemers en zzp’ers diffuus is, terwijl de rechtsgevolgen verbonden aan de kwalificatie groot zijn.4 De platformeconomie is in de onderzoeksperiode dan nog nauwelijks van de grond gekomen in Nederland.5 Het fenomeen ‘platformwerk’ vergroot de kwalificatievraag dus uit en kan niet los worden gezien van de bredere discussie.6
Ten tweede is de kwalificatie van de arbeidsrelatie tot op zekere hoogte manipuleerbaar geworden door de open norm ‘in dienst van’, de holistische weging en de rol die de partijbedoeling tot voor kort sinds het arrest Groen/Schoevers7 heeft gespeeld. Dit geldt ook voor de bredere discussie over de kwalificatievraag, maar juist in situaties waarin de voorwaarden waaronder wordt gecontracteerd tamelijk dwingend worden voorgeschreven door één partij, kan de overeenkomst eenvoudig zo worden ingericht dat veel indicatoren in de richting van een opdrachtovereenkomst wijzen.8
Ten derde geldt dat het bedrijfsmodel van platforms vaak meebrengt dat de werkende anders dan via klassieke instructies worden aangestuurd, bijvoorbeeld door nudges, incentives en algoritmes. Het is de vraag of deze wijze van aansturing wel of niet onder het gezagscriterium valt.
Ten slotte bestaat een groot verschil tussen de verschillende platforms en daarmee tussen platformwerkers, zodat generieke uitspraken moeilijk kunnen worden gedaan.9
Om de centrale vraag te kunnen beantwoorden baken ik in paragraaf 3.2 het onderwerp af: welke platformwerkers komen aan de orde? Vervolgens ga ik in paragraaf 3.3 in op de aard en werkwijze van de platforms, in de praktijk en in de jurisprudentie, en in paragraaf 3.4 beschrijf ik de huidige stand van zaken met betrekking tot de kwalificatievraag. Ik sluit af met een concluderende beschouwing waarin ik kort ook recente beleids- en wetgevingsinitiatieven betrek (par. 3.5).