Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/6.4.6.2
6.4.6.2 Slechte financiële omstandigheden (tijdens het begaan van het feit)
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS460907:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Voetnoten
Voetnoten
Dit gebeurde overigens naar aanleiding van een uitspraak van de Hoge Raad op 8 december 1982, ECLI:NL:HR:1982:AW9027 (BNB 1983/50, met noot Simons). Het betrof toen betalingsmoeilijkheden bij aangiftebelastingen. Eerder had de Hoge Raad deze lijn voor betalingsmoeilijkheden binnen de aanslagbelastingen al aangegeven: Hoge Raad 19 oktober 1977, ECLI:NL:HR:1977:AX3185 (BNB 1978/53, met noot Scheltens). In BNB 1991/91 heeft de Hoge Raad in een zaak over motorrijtuigenbelasting dit nog eens verduidelijkt (19 december 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC4507).
Hof Arnhem 18 april 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BX1303.
Omschrijving
Het moment waarop slechte financiële omstandigheden zich voordoen, is bepalend voor de wijze waarop deze strafverminderende omstandigheden van invloed zijn op de strafmaat. Het BBBB maakt in paragraaf 7 een onderscheid tussen slechte financiële omstandigheden ten tijde van het opleggen van de boete (lid 7; zie hierna onderdeel 6.4.7.1) en slechte financiële omstandigheden ten tijde van de verweten gedraging (lid 8). Deze laatste categorie zal ik hier bespreken, omdat deze omstandigheden veelal de aanleiding vormen voor het begaan van het beboetbare feit.
Strafdoelen
In de LAB van 1984 werd de mogelijkheid van kwijtschelden op grond van slechte financiële omstandigheden tijdens het beboetbare feit geïntroduceerd (zie hoofdstuk 2, onderdeel 2.9.3.4, onder b).1 Vandaag de dag staat deze beleidsregel als volgt in het achtste lid van paragraaf 7 van het BBBB: ‘Slechte financiële omstandigheden ten tijde van de verweten gedraging kunnen de verwijtbaarheid daarvan verminderen’. Daarmee lijkt het primaire strafdoel bij deze matigingsgrond een gegeven, namelijk een lagere bovengrens voor vergelding als gevolg van een verminderde verwijtbaarheid.
De achterliggende gedachte achter genoemde strafverminderende omstandigheid is dat de belastingplichtige niet de intentie heeft om de fiscus te benadelen. Door zijn slechte financiële situatie wordt hij als het ware gedwongen om minder belastingen te betalen, omdat hij anders niet meer in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien. De arme sloeber die een brood steelt, kan simpelweg op meer clementie rekenen dan de rijkaard die dit ook doet. De arme doet het om te overleven – een vorm van welbegrepen eigenbelang – terwijl de rijke steelt om nog rijker te worden.
Waardering en weging
Het BBBB lijkt in paragraaf 7 de inspecteur te willen behoeden voor een al te soepele houding bij matiging op grond van slechte financiële omstandigheden. Zo moet sprake zijn van een ‘bijzonder geval’ en dient de inspecteur ‘kritisch’ te zijn (lid 6). Daarnaast schrijft het negende lid voor dat geen vermindering wordt verleend als de belastingplichtige de slechte financiële positie aan zichzelf te wijten heeft.
Overigens is niet geheel helder wat onder een ‘bijzonder geval’ moet worden verstaan. Het lijkt mij dat het in ieder geval moet gaan om een situatie die vrij plotseling is ontstaan en die niet direct opgevangen kan worden. Mijn gedachten gaan daarbij bijvoorbeeld uit naar een onverwacht faillissement van een zeer grote afnemer bij wie de belastingplichtige grote vorderingen open heeft staan. Ook een plotselinge directe kredietbeperking door de huisbankier of een afwijzing van een subsidieaanvraag kan wellicht een bijzonder geval opleveren. Liquiditeitsproblemen vanwege wisselende inkomsten bij seizoenbedrijven of een te verwachten vraaguitval zijn mijns inziens niet als bijzonder aan te merken.
Voorgaande betekent dat de lat voor matiging in verband met slechte financiële omstandigheden ten tijde van het begaan van het beboetbare feit behoorlijk hoog wordt gelegd. Ik heb dan ook geen rechtspraak kunnen vinden die enig inzicht biedt in de waardering en weging van deze strafverminderende omstandigheid.
Strafrecht
Hetzelfde kan gezegd worden over het strafrecht. Er is te weinig jurisprudentie om beelden aan te ontlenen. Slechts in één zaak voor het Hof Arnhem – een fiscale strafzaak overigens – wordt overduidelijk verwezen naar slechte financiële omstandigheden tijdens het moment van begaan van het beboetbare feit en de verminderde verwijtbaarheid die dit met zich brengt:
“[…] Voorts wordt er rekening mee gehouden dat verdachte inmiddels het gehele bedrag aan verschuldigde omzetbelasting over de tenlastegelegde periode heeft voldaan, als ook met de moeilijke (financiële) situatie waarin de verdachte destijds verkeerde, ten gevolge van de brand in zijn bedrijfspand. Het strafbare handelen van verdachte was een reactie op zijn slechte financiële situatie; het was niet de uitwerking van een vooropgezet plan om in het geheel geen of minder belasting te betalen. […]”2