Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/4.2.2
4.2.2 Lichamen als heffingssubjecten in de vennootschapsbelasting
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491712:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Cnossen, WFR 2018/223 voor een overzicht van vennootschapsbelastingsystemen binnen Europa anno 2018.
Stichtingen, verenigingen en andere dan publiekrechtelijke rechtspersonen zijn slechts vennootschapsbelastingplichtig indien en voor zover zij een onderneming drijven (art. 2, lid 1, onderdeel e, Wet VPB 1969). Voorts zijn publiekrechtelijke rechtspersonen, niet zijnde de Staat, slechts belastingplichtig voor zover zij een onderneming drijven (art. 2, lid 1, onderdeel g, Wet VPB 1969). Strikt genomen kan daarom worden betoogd dat winstbelastingregels bij deze rechtspersonen wel zijn gekoppeld aan de onderneming. Mijn punt is echter dat in de Wet VPB 1969 de lichamen heffingssubjecten zijn. Zij zijn uiteindelijk over het object van heffing vennootschapsbelasting verschuldigd en belastingaanslagen worden ook aan hen gericht (en niet aan de onderneming). Dit uitgangspunt is bij de herziening van de belastingplicht voor overheidsbedrijven nog eens expliciet bevestigd in Kamerstukken II 2014/15, 34 003, nr. 3, p. 37. Daaruit volgt ook dat de uitzonderingspositie van de Staat (art. 2, lid 2, Wet VPB 1969) slechts van praktische aard is.
Zie onderdeel 4.2.1 hiervóór en de onderdelen 4.3 en 6.2 hierná.
Zie Rijkers, WFR 2009/861, onderdeel 4, die van mening is dat met de hierna te noemen dissertatie van Mol-Verver het conceptuele eindpunt van de ondernemingswinstbelasting bereikt is.
Vgl. Mol-Verver 2008, hoofdstuk 2 voor een literatuuroverzicht.
Mol-Verver 2008, onderdeel 5.1.
Daarnaast verwijs ik naar Van Dijck 1984, Essers 1992, Koudijs 1993, Rijkers 1995, Van Kempen 1999, Heithuis 2005, Mol-Verver 2008, Essers, WFR 2018/109, Heithuis in: Stevens & Van de Streek 2019, p. 47-63 en Essers, WFR 2019/187.
Van Kempen 1999, hoofdstuk 6 en 7. Deze auteur benadrukt dat een ondernemingswinstbelasting geen afzonderlijke wet vereist (p. 171). Onder een objectieve onderneming verstaat Van Kempen het volgende: “een duurzame organisatie van arbeid en kapitaal waarmee wordt beoogd om door deelname aan het maatschappelijke productieproces winst te behalen” (p. 173). Voor natuurlijke personen met een eenmansonderneming sluit zij aan bij het eerder door Essers voorgestelde systeem. De ondernemingswinst wordt in dat systeem eerst volledig belast tegen een tarief dat overeenkomt met het vennootschapsbelastingtarief. Bij onttrekking volgt een heffing vergelijkbaar met de aanmerkelijkbelangheffing (p. 216-217). Zie ook Essers in Grapperhaus-bundel 1999, p. 81-88.
Heithuis 2005, hoofdstuk 4.
Heithuis 2005, hoofdstuk 5 t/m 7. Deze tweede variant vertoont grote gelijkenissen met het systeem dat Van Kempen voorstaat. Zie voetnoot 36. Natuurlijke personen met een eenmansonderneming worden in het voorstel van Heithuis echter wel ondergebracht in de vennootschapsbelasting, waarin zij analoog aan stichtingen en verenigingen worden behandeld. In 2019 merkt Heithuis op dat hij sinds zijn oratie in 2005 alleen maar meer overtuigd is geraakt van de juistheid van het systeem zoals uitgewerkt in zijn oratie. Zie Heithuis in: Stevens & Van de Streek 2019, onderdeel 2, p. 50. In zijn betoog uit 2019 stelt Heithuis evenwel voor om het vennootschapsbelastingtarief te verhogen naar het niveau van de belastingdruk voor IB-ondernemers onder gelijktijdige afschaffen van de aanmerkelijk belang-regeling (p. 52-53). Essers, WFR 2019/187, onderdeel 2, wijst er mijns inziens terecht op dat zodoende ten onrechte geen rekening wordt gehouden met de diverse functies van winstinkomen, te weten de consumptie-, investerings- en reserveringsfunctie.
Mol-Verver 2008, onderdeel 7.2.2, p. 122-124. Vgl. ook Koudijs 1993.
Mol-Verver 2008, onderdeel 8.4.7.2, p. 170-171.
In dit onderzoek worden splitsingsregels in de vennootschapsbelasting onderzocht binnen de kaders van het bestaande vennootschapsbelastingsysteem.1 Dit betekent onder meer dat het heffen van vennootschapsbelasting van lichamen als zodanig als een gegeven wordt erkend. De in art. 2 en art. 3 Wet VPB 1969 opgesomde lichamen als vennootschapsbelastingsubject zijn daarmee een uitgangspunt. Een consequentie van deze wetssystematiek is dat winstbepalingsregels niet zijn gekoppeld aan de onderneming(en) van het desbetreffende lichaam, maar aan dat lichaam zelf.2 Dit betekent bijvoorbeeld dat een overdracht van vermogensbestanddelen (die samen een onderneming kunnen vormen) als hoofdregel heffing van vennootschapsbelasting oproept. Die vermogensbestanddelen verlaten immers het subject. De winstbepalingsregels voor splitsingen ten aanzien van lichamen moeten binnen dit kader worden geanalyseerd en getoetst. Daarbij mag echter niet uit het oog worden verloren dat met de vennootschapsbelasting – zoals gezegd, naar mijn mening – uiteindelijk is beoogd de winst uit onderneming, het object, te belasten (neutraliteitsgedachte).3
In de literatuur is in het verleden relatief veel4 aandacht besteed aan mogelijkheden van een zogenoemde rechtsvormneutrale winstbelasting.5Mol-Verver onderscheidt twee categorieën.6 In de eerste plaats voorstellen die gebaseerd zijn op de fiscale transparantiegedachte. In de tweede plaats voorstellen die een zelfstandige heffing van winstbelasting bij de onderneming vooropstellen, gevolgd door heffing van inkomstenbelasting bij de participanten. De tweede categorie wordt ook wel aangeduid met de term ondernemingswinstbelasting. In de kern komt een dergelijk systeem erop neer dat de winstbelasting van ondernemingen wordt geheven ongeacht de rechtsvorm. In de uitwerking zijn uiteraard variaties denkbaar. Het voert te ver om deze hier allemaal de revue te laten passeren. Ik volsta met enkele observaties.7
Van Kempen pleit in haar dissertatie voor een systeem waarin personenvennootschappen die een objectieve onderneming drijven, naast kapitaalvennootschappen, zelfstandig belastingplichtig zijn voor de vennootschapsbelasting. Als de belastingheffing op het niveau van de vennootschap plaatsvindt tegen een proportioneel tarief en de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting worden geïntegreerd, is voor die vennootschappen de facto sprake van een ondernemingswinstbelasting.8 In zijn oratie borduurt Heithuis daarop voort. Deze auteur brengt de volgende driedeling aan:9
Primaat bij de inkomstenbelasting. Ondernemingen worden ongeacht de rechtsvorm in een ondernemingswinstbelasting betrokken, veelal tegen een proportioneel tarief, waarna deze belasting wordt verrekend met inkomstenbelasting die is verschuldigd over winstuitdelingen.
Primaat bij de vennootschapsbelasting als bevrijdende eindheffing. Alle ondernemers in de zin van de Wet IB 2001 worden ondergebracht in de vennootschapsbelasting die vervolgens als ondernemingswinstbelasting functioneert. Bij de eenmansondernemers en participanten wordt in de inkomstenbelasting rekening gehouden met de voordruk van ondernemingswinstbelasting.
Een optioneel stelsel ter vrije keuze.
Heithuis is voorstander van de tweede variant en heeft dit vervolgens nader uitgewerkt.10Mol-Verver gaat in haar uitwerking van een ondernemingswinstbelasting naar eigen zeggen nog een stap verder en stelt voor om niet de rechtspersoon of de achterliggende natuurlijk persoon als belastingsubject aan te merken, maar de onderneming zelf (objectieve benadering).11
Omdat in dit onderzoek de splitsingsregels in de vennootschapsbelasting worden onderzocht binnen het vennootschapsbelastingkader, zodat het lichaam als heffingssubject tot uitgangspunt wordt genomen, wordt bij de analyse en beoordeling van de splitsingsregels in de vennootschapsbelasting in beginsel geen aandacht besteed aan de ondernemingswinstbelasting (zie echter hierna). Hetzelfde geldt voor (eventuele) verbeteringsvoorstellen: die moeten immers voldoen aan mijn toetsingskader en onderdeel daarvan is de bestaande vennootschapsbelastingsystematiek. Het is uiteraard denkbaar dat de wetgever op enig moment besluit een ondernemingswinstbelasting in te voeren. De vraag hoe de rechtsfiguur van de splitsing idealiter in zo’n systeem dient te worden verankerd is (ook) vanuit wetenschappelijk oogpunt interessant. Het antwoord op die vraag is echter sterk afhankelijk van de exacte vormgeving van zo’n ondernemingswinstbelasting. Mol-Verver heeft de splitsing in de door haar voorgestane objectieve ondernemingswinstbelasting (de onderneming als belastingsubject) op hoofdlijnen uitgewerkt.12 In de door Van Kempen en Heithuis voorgestane subjectieve vorm van ondernemingswinstbelasting, wat feitelijk neerkomt op een uitbreiding van de belastingsubjecten in de vennootschapsbelasting, ondergaat de fiscale splitsingsregeling mijns inziens in de basis geen verandering. Ik kom hier nog op terug in onderdeel 6.2 en spreek daar ook mijn voorkeur uit.