Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen
Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/4.8.2:4.8.2 Eerste beperking van artikel 6:212: alleen vermogensverschuivingen
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/4.8.2
4.8.2 Eerste beperking van artikel 6:212: alleen vermogensverschuivingen
Documentgegevens:
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS495121:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De meest systematische beperking vindt volgens mij plaats door eerst de vraag te beantwoorden of de schuldenaar ten koste van de schuldeiser is verrijkt in de zin van artikel 6:212. Deze vraag fungeert als een filter. Als vaststaat welke verrijkingen ten koste van de schuldeiser zijn ontstaan, kan een uitleg worden gegeven aan het vereiste ‘ongerechtvaardigd’ die is afgestemd op deze beperkte groep verrijkingen. Het vereiste dat de verrijking ongerechtvaardigd is, kan zo een scherpere inhoud krijgen dan wanneer eerst de vraag wordt gesteld of een verrijking ongerechtvaardigd is en vervolgens de vraag of de verrijking is ontstaan ten koste van de schuldeiser.
De vraag of een verrijking ten koste van de schuldeiser is ontstaan, kan op verschillende wijzen worden beantwoord. Ik ben ingegaan op twee belangrijke opvattingen die in de literatuur worden verdedigd.
De eerste opvatting is dat artikel 6:212 betrekking heeft op vermogensverschuivingen. Onder het begrip vermogensverschuiving wordt doorgaans verstaan dat de verrijking voortvloeit uit het vermogen van de verarmde. Voor een vermogensverschuiving moet een rechtvaardiging bestaan. Dat betekent dat als een rechtvaardiging voor de vermogensverschuiving ontbreekt, de verrijking ongerechtvaardigd is.
De tweede opvatting is dat artikel 6:212 ook betrekking heeft op gevallen waarin de schuldenaar voordelen heeft behaald door onrechtmatig te handelen zonder schade te veroorzaken. In deze opvatting is de verrijking van de schuldenaar – ondanks het ontbreken van concrete schade – ontstaan ‘ten koste van’ degene jegens wie hij onrechtmatig heeft gehandeld.
Ik heb onderzocht of deze twee opvattingen naast elkaar kunnen bestaan. Een vergelijking met het Engelse recht maakte duidelijk dat moet worden onderscheiden tussen de inhoud en de bron van verbintenissen. De inhoud van een verbintenis kan zijn dat een verrijking moet worden afgedragen. Deze verbintenis kan voortvloeien uit de bron ongerechtvaardigde verrijking artikel 6:212). Uit een vergelijking met het Engelse recht bleek dat deze verbintenis in theorie ook kan voortvloeien uit de bron onrechtmatige daad. Het is daarom niet nodig om een verbintenis tot afdracht van voordeel dat is behaald met onrechtmatig handelen te baseren op artikel 6:212.
Vervolgens is onderzocht of dit niettemin wenselijk is. Bedacht moet worden dat een beperking van artikel 6:212 tot vermogensverschuivingen het voordeel heeft dat een relatief eenvoudige invulling kan worden gegeven aan het vereiste dat een verrijking ongerechtvaardigd is. Een vermogensverschuiving heeft immers een rechtvaardiging nodig. Als een rechtvaardiging ontbreekt, is de verrijking die optreedt bij een vermogensverschuiving ongerechtvaardigd. Als artikel 6:212 daarentegen niet zou worden beperkt tot vermogensverschuivingen, kan niet met een eenvoudig criterium worden bepaald of een verrijking ongerechtvaardigd is. Dan zou men de vraag of de verrijking ongerechtvaardigd is moeten beoordelen aan de hand van de verkeersopvattingen en het ongeschreven regels. Dat lijken mij niet bijzonder duidelijke criteria, zodat ik van mening ben dat het onwenselijk is dat de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking wordt aanvaard als zich geen vermogensverschuiving heeft voorgedaan.
Als een verrijking niet voortvloeit uit het vermogen van de schuldeiser, terwijl het wenselijk is dat een vordering tot afdracht van de verrijking ontstaan, dan moet de schuldeiser een vordering tot afdracht daarvan baseren op een andere bron van verbintenissen. Als bijvoorbeeld een partij is verrijkt door zich laakbaar te gedragen zonder dat de verrijking voortvloeit uit het vermogen van degene jegens wie hij laakbaar heeft gehandeld, kan de reden voor een verplichting tot afdracht van de verrijking alleen zijn dat de verrijkte laakbaar heeft gehandeld. De bron van deze verplichting is dan de onrechtmatige daad zijn. Artikel 6:1 in verbinding met artikel 6:162 lid 2 geeft volgens mij voldoende ruimte aan de rechter om een vordering tot ontwikkeling te brengen waarmee een schuldeiser afdracht van een verrijking kan vorderen die is ontstaan door onrechtmatig handelen van de schuldenaar, ook als de schuldeiser geen concrete schade heeft geleden.