Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/4.7
4.7 Enkele casus uit de jurisprudentie verklaard
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS500048:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zelf twijfel ik aan de redelijkheid van de uitkomst van dit arrest. Ik vermag niet in te zien waarom een concurrent niet de overheid mag vragen haar beleid uit te voeren. Als men bij dergelijk beleid een vergoeding redelijk zou vinden, ligt het voor de hand dat de vergoeding niet wordt betaald door de concurrent (Van der Tuuk), maar door de overheid op basis van de egalité devant les charges publiques.
HR 2 februari 2001, NJ 2001/319.
HR 29 januari 1993, NJ 1994/172.
Zie Schoordijk 1996, p. 861-864, wiens kritiek vooral is dat de Hoge Raad het systeem van het Burgerlijk Wetboek onvoldoende aftast en Janssen 2009 (zie volgende noot).
Zo begrijp ik Janssen (2009, p. 159, p. 166-167), die overigens meent dat de beslissing in Vermobo/Van Rijswijk door het arrest HR 30 september 2005, NJ 2007/154 (De Groene Specht) achterhaald is.
Zie daarover hoofdstuk 5, par. 5.2.4.
Zie par. 4.5.5.2 onder ii.
HR 27 juni 1997, NJ 1997/719.
In cassatie bestrijdt C niet de beslissing van het hof dat de verrijking ongerechtvaardigd is. Hij bestrijdt echter wel dat A is verarmd. C voert aan dat A jegens B nog steeds een recht op levering heeft, welk recht verhandelbaar is en een marktwaarde heeft. Subsidiair bestrijdt C dat een voldoende verband bestaat tussen de verrijking en de verarming. De Hoge Raad overweegt dat nakoming door B van zijn verbintenis tot levering aan A onmogelijk is geworden als gevolg van de levering door B aan C. A kan daarom van B slechts schadevergoeding vorderen wegens wanprestatie. Het enkele feit dat A van B schadevergoeding kan vorderen staat volgens de Hoge Raad niet in de weg aan een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking van A tegen C. Ook verwerpt de Hoge Raad de klacht dat een voldoende verband ontbreekt tussen de verrijking en de verarming. Hij overweegt dat de gedachtegang van het Hof als volgt moet worden begrepen. C heeft het perceel, dat USD 80.000 waard was, uitsluitend voor niet veel meer dan de helft van de waarde kunnen kopen als gevolg van de omstandigheid dat A als koper reeds USD 37.935 aan B had betaald. Daarom bestaat tussen de verrijking van C en de verarming van A een verband dat de conclusie wettigt dat de verrijking ten koste van A is ontstaan. Deze gedachtegang geeft volgens de Hoge Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Zoals hierboven bleek, ben ik van mening dat het enkele feit dat A een vordering wegens wanprestatie heeft op B, er niet aan in weg staat dat hij ook een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking heeft op C (zie par. 4.2.2). Ik stem op dit punt dan ook in met de Hoge Raad. Ik meen echter ook dat A niet met behulp van de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking door hem aanvaarde risico’s mag afwentelen op een derde (C). Dezelfde kritiek tegen de beslissing van de Hoge Raad is aangevoerd door Janssen 2009, p. 164. Zie ook kritisch over risicoafwenteling: Van Maanen & Engelhard 1998, p. 312. Naar mijn mening is niet voldoende dat C het perceel heeft kunnen kopen voor een bedrag dat onder de marktwaarde ligt doordat A al een deel van de koopprijs heeft betaald aan B. Het is wenselijk dat artikel 6:212 wordt beperkt tot rechtsinbreuken op een exclusieve rechtspositie. Echter, noch het hof, noch de Hoge Raad heeft onderzocht of sprake is van een dergelijke inbreuk.
HR 12 januari 1962, NJ 1962/246; HR 8 december 1989, NJ 1990/217.
Als men C’s handelen als een inbreuk op een exclusieve rechtspositie opvat, aanvaardt men dat wel een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking ontstaat, terwijl niet perse ook een vordering uit onrechtmatige daad ontstaat. Daartegen bestaat naar mijn mening geen bezwaar. Voor deze vorderingen gelden verschillende criteria; zo is voor ongerechtvaardigde verrijking niet vereist dat de inbreukmaker een verwijt kan worden gemaakt, terwijl voor artikel 6:162 vereist is dat de onrechtmatige daad (zoals een inbreuk) toerekenbaar is. Aanvaarding van de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking leidt hier – anders dan in het voorbeeld in hoofdstuk 1, par. 1.1.1. onder ii waar ook sprake was van het uitlokken van wanprestatie – niet tot een doorkruising van het Burgerlijk Wetboek, omdat – kennelijk – uit artikel 3:298 volgt dat het voordeel dat besloten ligt in het recht op levering alleen aan C en niet aan B toekomt. Het verschil met het voorbeeld uit par. 1.1.1 is dat in het laatste geval niet uit het systeem van de wet volgt dat een exclusieve gerechtigdheid bestaat tot voordelen die liggen besloten in een rechtspositie.
In dit geval was Nederlands-Antilliaans recht van toepassing. Het Nederlands- Antilliaanse wetboek kent niet een uitdrukkelijke bepaling zoals artikel 3:298. De (hier gegeven uitleg aan) beslissing van de Hoge Raad lijkt te impliceren dat ook naar Nederlands-Antilliaans recht een ouder recht op levering voorgaat op een jonger recht op levering.
In par. 4.6.2 blijkt dat deze waarde moet worden begroot op een marktconforme vergoeding. Bij de bepaling van deze waarde zal rekening moeten worden gehouden met de waarde van het perceel, maar ook met het feit dat als B de overeenkomst had ontbonden, C geen inbreuk zou hebben gepleegd en dat A dan slechts het door A betaalde deel van de koopprijs had kunnen terugvorderen op grond van artikel 6:271 (zie echter ook art 6:278). De omstandigheden van het geval zullen daarom van groot belang zijn. Bovendien kan C, als hij niet te kwader trouw is, aanvoeren dat hij de inbreuk niet waardeert op haar marktwaarde (het devaluatieverweer, zie par. 4.6.4) en als hij te goeder trouw is, kan hij eventueel aanvoeren dat zijn verrijking is verminderd (artikel 6:212 lid 2, zie par. 4.6.5).
HR 30 september 2005, NJ 2007/154.
Zie r.o. 4.23 van het arrest van het hof waartegen cassatieberoep werd ingesteld. Dit gegeven vormt overigens geen onderdeel van de feiten waar de Hoge Raad zijn oordeel op baseert.
Hoofdstuk 6, par. 6.2.3.
Hierboven is betoogd dat het wenselijk is om artikel 6:212 te omlijnen door het artikel te beperken tot inbreuken op exclusieve rechtsposities. Daartoe is voorgesteld een andere invulling te geven aan de vereisten van het artikel. Opmerking verdient dat de Hoge Raad artikel 6:212 niet beperkt tot rechtsinbreuken. Dat neemt niet weg dat toch kan worden onderzocht of de uitkomsten van enkele arresten van de Hoge Raad passen in de door mij voorgestelde benadering. Daarbij wordt onderzocht of deze uitkomsten redelijk zijn. Dit is het onderwerp van deze paragraaf. Ik beperk mij tot twee arresten (arrest i en ii) waarin een vordering is toegekend, in gevallen waarin het op het eerste gezicht lijkt dat wellicht geen inbreuk op een exclusieve rechtspositie is gepleegd. Voor het contrast bespreek ik een tweetal arresten (arrest iii en iv) waarin geen inbreuk werd gepleegd en dus ook geen vordering uit ongerechtvaardigde verrijking ontstond.
(i) Apotheekhoudende artsen
In de casus van het arrest Van der Tuuk Adriani/Batelaan vestigt Van der Tuuk Adriani zich als apotheker in het gebied waar Batelaan huisarts is en een apotheek houdt.1 Op verzoek van Van der Tuuk Adriani trekt het bevoegde bestuursorgaan de vergunning van Batelaan in, omdat het orgaan het beleid voert dat apotheken niet door artsen mogen worden gehouden als een ´echte´ apotheker in hetzelfde gebied is gevestigd. Batelaan moet zijn doktersapotheek sluiten en verliest daardoor inkomsten. Van der Tuuk Adriani ziet daarentegen zijn inkomsten toenemen. Batelaan spreekt Van der Tuuk Adriani aan uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking.
Volgens de Hoge Raad is Van der Tuuk Adriani ongerechtvaardigd verrijkt ten koste van Batelaan. De Hoge Raad betrekt in zijn oordeel dat de vergunning op verzoek van Van der Tuuk Adriani is ingetrokken. Naar mijn mening vormt het initiatief van de apotheker om de intrekking van de vergunning te bewerkstelligen een inbreuk op de goodwill van de apotheek. Goodwill is, net als know how, in het systeem van de wet weliswaar geen vermogensrecht, maar wel een rechtspositie die bescherming verdient. Als men instemt met de uitkomst van het arrest, kan men deze uitkomst verklaren door te aanvaarden dat deze goodwill een exclusieve rechtspositie van de arts is.2
Het arrest Van der Tuuk Adriani/Batelaan kan worden afgezet tegen het arrest Hulsman/Van der Graaf.3 Ook in de casus van dit arrest vestigt een apotheker zich in het gebied waar een arts een apotheek houdt. Na enkele jaren beëindigt de arts zijn praktijk om met pensioen te gaan. Zijn opvolger kan geen apotheek houden, omdat deze vanwege het overheidsbeleid niet in aanmerking komt voor een daartoe vereiste vergunning. De klanten van de voormalige apotheekhoudende arts moeten daarom wel hun medicijnen kopen bij de nieuwe apotheker. Volgens de Hoge Raad heeft het hof terecht geoordeeld dat de nieuwe apotheker niet ongerechtvaardigd is verrijkt. Dat lijkt mij juist. De enkele vestiging als apotheker in hetzelfde gebied en de daardoor veroorzaakte concurrentie is niet aan te merken als een inbreuk op een exclusieve rechtspositie van een andere apotheker of een apotheekhoudende arts.
(ii) Vermobo/Van Rijswijk
De casus van het arrest Vermobo/Van Rijswijk is als volgt. Van Rijswijk jr. (B) geeft aan Vermobo (A) de opdracht om een varkensschuur te bouwen. Partijen komen een aanneemsom van 85.000 gulden overeen. Het perceel waarop de stal moet worden gebouwd is eigendom van Van Rijswijk Sr. (C), de vader van de opdrachtgever. C heeft met de bouw van de stal op zijn grond ingestemd en is ervan op de hoogte dat A en B hebben onderhandeld over een aannemingsovereenkomst. C is ook op de hoogte van de deplorabele financiële toestand van zijn zoon B, maar verzwijgt tegen A dat zijn zoon bijna failliet is. Als A de stal bouwt, wordt C door natrekking eigenaar van de stal artikel 5:20).
C is volgens het hof ongerechtvaardigd verrijkt. De Hoge Raad laat dit oordeel in stand.4 De beslissing van de Hoge Raad heeft in de literatuur kritiek uitgelokt.5 De kritiek op het arrest is onder andere geweest dat hij een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking toelaat hoewel de verarmde (A) een teleurgestelde contractspartij is die het risico op wanprestatie door zijn wederpartij (B) zelf heeft aanvaard, maar dit risico wil afwentelen op een derde (C) die dit risico niet heeft aanvaard.6
Hoewel ik ermee instem dat een partij niet zomaar de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking kan inroepen om daarmee door hem aanvaarde risico’s op wanprestatie van zijn wederpartij af te wentelen op derden, lijkt mij dat in deze omstandigheden een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking kan ontstaan. De reden is als volgt. De verrijking van C wordt veroorzaakt door handelingen van A en het gegeven dat de bouwmaterialen worden nagetrokken door de grond van C. De handelingen van A vormen een prestatie van A aan C. Als de overeenkomst die aanleiding gaf tot het verrichten van de bouwwerkzaamheden (de overeenkomst AB7) wordt vernietigd, is deze prestatie zonder rechtsgrond. Naar mijn mening is vernietiging op grond van bedrog mogelijk als komt vast te staan dat C bewust – met het oogmerk A te bewegen op zijn grond te bouwen – de aannemer niet over de deplorabele financiële toestand van zijn zoon heeft verteld,. Daarmee heeft C als derde A bedrogen, zodat de overeenkomst kan worden vernietigd wegens bedrog van een derde artikel 3:44 lid 1, 3 en 5). A kan dan uit hoofde van onverschuldigde betaling de waarde van zijn prestaties terugvorderen van C.
De verrijking van C is verder veroorzaakt doordat bouwmaterialen van A door de grond van C worden nagetrokken. De natrekking vormt een inbreuk op het exclusieve eigendomsrecht van A (aangenomen dat de bouwmaterialen A’s eigendom zijn). Zonder rechtvaardiging vormt deze inbreuk een ongerechtvaardigde verrijking. De overeenkomst tussen A en B rechtvaardigt de inbreuk en wel om de volgende reden. Op grond van de overeenkomst was A verplicht om bouwwerkzaamheden te verrichten. De gebruikte materialen zouden daardoor worden nagetrokken door de grond van C. C mag er in beginsel van uitgaan dat als A een dergelijke overeenkomst sluit, A de materialen bewust gebruikt en de risico’s aanvaardt die het sluiten van een dergelijke overeenkomst met zich brengt – in dit geval het verlies van de eigendom van de bouwmaterialen door nattrekking. C mag er daarom van uitgaan dat A zich bij incassoproblemen wendt tot zijn contractuele wederpartij (B) en dat hij (C) niet wordt betrokken in de afwikkeling van deze overeenkomst. Anders gezegd, C mocht uit de handelingen van A afleiden dat hij (C) een beroep zou mogen doen op de overeenkomst AB ter rechtvaardiging van zijn verrijking.8
Als de overeenkomst echter zou zijn vernietigd wegens bedrog, zou een rechtvaardiging voor de vermogensverschuiving ontbreken. Uit het arrest blijkt echter niet dat A een beroep heeft gedaan op vernietiging wegens bedrog. De kritiek dat de overeenkomst tussen A en B in de weg stond aan een vordering op grond van artikel 6:212 van A tegen C, acht ik dan in zoverre ook terecht. Ik teken daarbij aan dat een beroep op vernietiging in deze omstandigheden waarschijnlijk mogelijk was, en dat deze vernietiging zou hebben meegebracht dat de verrijking van C ongerechtvaardigd zou zijn geweest. Deze uitkomst acht ik redelijk.
(iii) Setz/Brunings
De casus van het arrest Setz/Brunings is als volgt. Condico (B) verkoopt een perceel grond op de Nederlandse Antillen aan Brunings (A) voor een bedrag van USD 80.000, de marktwaarde van het perceel.9 Het perceel wordt nog niet geleverd. A mag de koopprijs voldoen door middel van betaling in termijnen. Na een bedrag van USD 37.935 te hebben betaald, blijft A in gebreke. B verkoopt daarop het perceel aan C (Setz) voor USD 47.000, een prijs die aanzienlijk onder de marktwaarde ligt. B levert het perceel aan C zonder eerst de overeenkomst met A te ontbinden. A spreekt daarop C aan uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking.
Het hof oordeelt dat A is verarmd met een bedrag van USD 37.935 en dat C is verrijkt met een bedrag van USD 33.000 (de marktwaarde van USD 80.000 verminderd met de koopsom van USD 47.000) ten koste van A. Het hof is van oordeel dat deze verrijking ongerechtvaardigd is. Als motivering voor zijn oordeel voert het hof aan dat A is verarmd door de verkoop en levering aan C de mogelijkheid was ontnomen om zijn recht op levering voor ‘gemeld bedrag’ (dat wil kennelijk zeggen USD 37.935) aan een derde te verkopen en te leveren. De Hoge Raad laat de beslissing van het hof – dat A is verarmd – in stand.10
Ik meen dat het oordeel van het Hof – welk oordeel door de Hoge Raad in stand wordt gelaten – dat C ongerechtvaardigd is verrijkt verdedigbaar is. Dit oordeel past ook in de hierboven voorgestelde omlijning van artikel 6:212. De reden is als volgt.
Door mee te werken aan de levering lokt C uit dat B wanprestatie pleegt jegens A. De vraag of dit een ongerechtvaardigde verrijking oplevert, staat in de door mij voorgestelde benadering los van het uitgangspunt dat het profiteren van wanprestatie in beginsel niet onrechtmatig is.11 C’s handelen levert alleen een ongerechtvaardigde verrijking op als hij door de wanprestatie uit te lokken een inbreuk pleegt op een exclusieve rechtspositie van A.
Het is mijns inziens verdedigbaar om artikel 3:298 zo uit te leggen dat A – in zijn relatie tot B en C – als enige bevoegd is om levering af te dwingen.12 Immers, volgens artikel 3:298 gaat een ouder recht op levering voor op een jonger recht op levering.13 Zo bezien zou C door levering af te dwingen (althans daaraan mee te werken) een inbreuk plegen op het recht op levering van A jegens B, welk recht A ook tegen C kan inroepen. In de inbreuk ligt een vermogensverschuiving van A naar C besloten. Voor een vermogensverschuiving dient een rechtvaardiging te bestaan. De overeenkomst BC vormt niet een dergelijke rechtvaardiging. A is geen partij bij deze overeenkomst, zodat de overeenkomst BC niet tegen A kan worden ingeroepen. Ook de overeenkomst AB rechtvaardigt niet de inbreuk door C op de rechten van A. C is immers geen partij bij de overeenkomst AB, terwijl de overeenkomst er ook niet in voorziet dat C inbreuk mag maken. Bovendien heeft A ook geen handelingen verricht op grond waarvan C heeft mogen menen dat A met een levering aan C instemt. C dient derhalve de waarde van de inbreuk te vergoeden aan A.14 Ik acht deze uitkomst niet onbillijk.
(iv) De Groene Specht
Tot slot bespreek ik het arrest De Groene Specht, waar de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking naar mijn mening terecht is afgewezen.15 Dit arrest kan goed worden afgezet tegen de hiervoor besproken casus. De casus van dit arrest is als volgt. Valentine Cornelius (A) mag op grond van een overeenkomst tot gebruik en bewoning gedurende haar leven kosteloos in het huis van haar zus Renate Cornelius (B) wonen. A knapt het huis op en zorgt voor wijziging van het plaatselijke bestemmingsplan waardoor het huis in waarde stijgt. Het hof stelt later vast dat A deze werkzaamheden zonder rechtsgrond heeft verricht aan B.16 B verkoopt het huis onder de marktwaarde aan haar zoon Egbert Koker (C). Na levering wordt A door C gedagvaard en vordert C ontruiming van het huis. A stelt in reconventie dat C ten koste van haar ongerechtvaardigd is verrijkt.
De Hoge Raad wijst de vordering van A af, omdat er onvoldoende causaal verband bestaat tussen de verrijking van C en de verarming van A. Deze beslissing is juist. De verrijking van C wordt veroorzaakt door een handeling (verkoop onder de marktwaarde) van B. De handeling van B vormt geen feit waardoor een vermogensverschuiving van A naar C plaatsvindt. Dat zou anders zijn als de handeling van B kan worden toegerekend aan A, maar daarvoor bestaat in dit geval geen reden.
Ik meen dat deze uitkomst billijk is. A had geen belang bij een aanspraak tegen C, aangezien zij B kon aanspreken uit hoofde van wanprestatie en uit hoofde van onverschuldigde betaling. Eventuele insolventierisico’s ten aanzien van B dient A niet af te wentelen op C, omdat C deze risico’s niet heeft aanvaard.
Ten slotte verdient het volgende vermelding. De casus van De Groene Specht vertoont overeenkomsten met die van het arrest Setz/ Brunings. In beide gevallen verschaft A een voordeel aan B (respectievelijk door verbeterwerkzaamheden en door aanbetalingen te verrichten) en in beide gevallen geeft B dit voordeel door aan C (door een zaak onder de marktprijs te verkopen). Toch is er een belangrijk verschil. De reden dat in Setz/Brunings wel een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking kan worden aanvaard, is dat (verdedigbaar is dat) C een inbreuk maakt op het recht op levering van A. Er is daarom een voldoende verband tussen de verrijking en de verarming. In De Groene Specht maakt C daarentegen geen inbreuk op een recht van A, zodat een voldoende verband tussen de verrijking en de verarming ontbreekt. In hoofdstuk 6, bij de bespreking van doorbetalingen, kom ik terug op deze casus.17