Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/4.4.1:4.4.1 Seculier recht
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/4.4.1
4.4.1 Seculier recht
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS450422:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Locke legitimeerde het bestaan van de mensenrechten nadrukkelijk vanuit het natuurrecht.
In de 17e en 18e eeuw verdwijnt langzamerhand de idee van natuurrecht als geldend recht naast of als grondslag van het positieve recht. In plaats daarvan raakt de leer van het rechtspositivisme in trek. Deze leer beschouwt de inhoud van het positieve recht als volstrekt variabel en willekeurig, en afhankelijk van de heersende politieke en ethische opvattingen.1 In de benadering van het rechtspositivisme berust het positieve recht niet meer op het onveranderlijke natuurlijke of goddelijke recht, maar op aan verandering onderhevige constituties en wetten.2 Voor het idee van godsdienstvrijheid als mensenrecht betekent het verlies van het natuurrechtelijke karakter het verlies van een eigensoortige legitimatie. Het recht op de vrijheid van godsdienst kan niet meer worden gelegitimeerd in het goddelijke recht of in een natuurrecht. Dit rechtspositivistische uitgangspunt straalt ook af op het begrip omtrent het rechtsobject van de vrijheid van godsdienst: de godsdienst. Het bepaalt hoe godsdienst binnen het recht wordt begrepen. Godsdienst is niet meer zoals ten tijde van het natuurrecht een fenomeen dat vanzelfsprekend behoort tot de door iedereen aanvaarde natuurlijke wereldordening maar wordt gepercipieerd als iets dat even relatief is als andere maatschappelijke (levens)overtuigingen en ideologieën. De rechtspositivistische benadering van de vrijheid van godsdienst kan men duiden als verdere secularisering van het juridische godsdienstbegrip. Waar Locke godsdienst nog begreep in het licht van een natuurlijke ingeboren behoefte van de mens, bestaat de legitimatie voor de godsdienstvrijheid vanuit een rechtspositivistische benadering enkel nog uit het feit dat de meerderheid in een democratie deze vrijheid onderschrijft. Godsdienst is in deze benadering als inhoud van rechten net zo relatief als de inhoud van overige rechten.