Fiscale Europeesrechtelijke aspecten van grensoverschrijdend pensioenverkeer
Einde inhoudsopgave
Fiscale Europeesrechtelijke aspecten van grensoverschrijdend pensioenverkeer (FM nr. 174) 2022/A.3.3:A.3.3 PPG Holdings BV
Fiscale Europeesrechtelijke aspecten van grensoverschrijdend pensioenverkeer (FM nr. 174) 2022/A.3.3
A.3.3 PPG Holdings BV
Documentgegevens:
Dr. E.A.P. Schouten, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
Dr. E.A.P. Schouten
- JCDI
JCDI:ADS634678:1
- Vakgebied(en)
Pensioenen (V)
Belastingrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Rechtbank Leeuwarden, 25 november 2010, AWB 09/2662, ECLI:NL:RBLEE:2010:BP1427.
Hof Leeuwarden, 3 januari 2012, nr. 11/00010, ECLI:NL:GHLEE:2012:BV9301.
Hof Arnhem-Leeuwarden, 1 april 2014, 11/00015 t/m 11/00017, ECLI:NL:GHARL:2014:2687.
Hoge Raad 18 maart 2016, nr. 14/02615, ECLI:NL:HR:2016:433.
Zie ook K. Hommen en N. Wenting, Einduitspraak in de PPG-procedure: lange wedstrijd, mooi resultaat?!, BTW-bulletin 2016/67.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Tot 2005 maakt P BV voor de btw deel uit van belanghebbende, PPG Holdings BV. P BV heeft overeenkomsten gesloten met diverse dienstverleners over de werkzaamheden, zoals het vermogensbeheer en de administratie van de pensioenen, voor het pensioenfonds van de werknemers van P BV. P BV heeft deze kosten voor haar rekening genomen en niet doorberekend aan het pensioenfonds. PPG Holdings BV brengt de door de dienstverleners in rekening gebrachte btw in aftrek. De inspecteur is echter van mening dat PPG Holdings BV de btw niet in aftrek kan brengen en legt een btw-naheffingsaanslag op. Rechtbank Leeuwarden1 oordeelt dat PPG Holdings BV niet de afnemer van de prestaties is. Volgens de rechtbank zijn alle diensten namelijk verricht voor het Pensioenfonds. PPG Holdings BV heeft op grond van artikel 15, lid 1, onderdeel a Wet OB 1968 dan ook geen recht op aftrek van de voorbelasting, omdat deze niet aan haar in rekening is gebracht voor aan haar verleende diensten. Verder oordeelt de rechtbank nog dat de vrijstelling van artikel 11, lid 1, onderdeel i onder 3 Wet OB 1968 niet van toepassing is, omdat het pensioenfonds geen beleggingsfonds is. De btw-naheffingsaanslag is volgens de rechtbank terecht aan PPG Holdings BV opgelegd. Gerechtshof Leeuwarden2 oordeelt dat er onduidelijkheden zijn over de uitleg van de Europese wetgeving waarop PPG Holdings BV en de inspecteur zich beroepen. Het hof besluit daarom twee prejudiciële vragen te stellen:
Kon PPG de btw op deze kosten in aftrek brengen?
Kon het pensioenfonds PPG worden aangemerkt als een gemeenschappelijk beleggingsfonds?
Het HvJ oordeelt dat PPG Holdings BV het recht heeft om de btw die zij heeft betaald ter zake van prestaties voor het beheer en de bedrijfsvoering van haar pensioenfonds in aftrek te brengen. Het HvJ overweegt hierbij dat PPG Holdings BV een pensioenfonds heeft opgericht in de vorm van een juridisch en fiscaal afgescheiden entiteit, om de pensioenrechten van zijn werknemers en gewezen werknemers zeker te stellen. Het HvJ komt tot de conclusie dat voor zover de kosten van de door PPG in dat kader afgenomen diensten deel uitmaken van haar algemene kosten, deze diensten als zodanig bestanddelen van de prijs van de producten van PPG zijn, zodat in dat geval recht op aftrek van voorbelasting bestaat.
Het HvJ merkt op dat wel een plicht bestaat voor de verwijzende rechter om te onderzoeken of de kosten die door PPG zijn gemaakt daadwerkelijk deel uitmaken van de algemene kosten. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden3 acht aannemelijk dat alle kosten die voor het personeel worden gemaakt, deel uitmaken van de kostprijs van de door PPG geleverde goederen en diensten en er een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen deze kosten en de economische activiteit van PPG. PPG kan dus de btw op deze kosten in aftrek brengen.
De inspecteur brengt echter ná de datum van het arrest van het HvJ twee nieuwe stellingen naar voren bij Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:
PPG heeft geen recht op aftrek van btw op de gemaakte kosten, omdat deze kosten onder het besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting (BUA) vallen, dan wel
de aftrek moet gecompenseerd worden met een heffing van btw over de doorbelasting van de kosten aan het Pensioenfonds.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is over deze stellingen echter kort: in het belang van een doelmatige en doelgerichte voortgang van de procedure zal het Gerechtshof de stellingen van de inspecteur niet behandelen, de stellingen worden tardief verklaard. De staatssecretaris stelt echter beroep in cassatie in. Naar zijn mening kan het geschil tussen partijen in hoger beroep niet beperkt worden vanwege het stellen van vragen aan het HvJ. Volgens de staatssecretaris is het daarom dan ook niet in strijd met de goede procesorde om, in reactie op een arrest van het HvJ, nieuwe feiten en/of nieuwe stellingen aan te voeren. Naar zijn mening zijn de stellingen daarom ten onrechte tardief verklaard. De Hoge Raad4 volgt de staatssecretaris gedeeltelijk in dit uitgangspunt en oordeelt dat het gerechtshof in ieder geval de stelling met betrekking tot het BUA niet tardief had mogen verklaren. Dat blijkt echter een pyrrusoverwinning voor de staatssecretaris. Hoewel het gerechtshof zich volgens de Hoge Raad ten onrechte niet heeft uitgelaten over de vraag of de kosten onder het BUA kunnen vallen, kan dat niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad benadrukt dat het treffen van een pensioenregeling voor personeel niet een door een werkgever verstrekte personeelsvoorziening vormt in de zin van het BUA. Ook kan niet worden gesteld dat PPG relatiegeschenken in de zin van het BUA aan het Pensioenfonds heeft gegeven.
Wat betreft de stelling dat het doorbelasten van kosten door PPG aan het Pensioenfonds leidt tot een verschuldigdheid van btw, constateert de Hoge Raad dat de inspecteur deze stelling niet nader heeft uitgewerkt. Nader onderzoek door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zou nodig zijn om die stelling te kunnen beoordelen. Het is echter volgens de Hoge Raad niet onbegrijpelijk dat het gerechtshof die stelling in verband met de goede procesorde niet nader heeft onderzocht.
Eindconclusie na zes jaar procederen: PPG heeft recht op aftrek van de btw op de pensioenuitvoeringskosten die zij heeft gemaakt.5