Antichresis en pandgebruik
Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/2.1:2.1 Inleiding
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/2.1
2.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264513:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Delen van dit hoofdstuk zijn in verkorte versie gepubliceerd in Bobbink 2016, p. 79-86; Bobbink & Mauer 2019.
Kupiszewski 1986, p. 134; Bobbink & Mauer 2019, p. 364.
D. 22,1,49 (Javolenus).
Zie over herverpanding Wubbe 1957; Zwalve 1994, p. 442-446; Out 2005, p. 127; Krzeminski 2013; Smit 2020, p. 145-150.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het recht van pandgebruik gaf de zekerheidsgerechtigde het recht om tot voldoening van zijn vordering een verpande zaak van een zekerheidsgever te gebruiken en de vruchten ervan te trekken. Het recht van pandgebruik kon bijvoorbeeld rusten op landbouwgrond, een woning of een slaaf. De pandgebruiker kon de landbouwgrond zelf bewerken en de vruchten ervan trekken, of hij kon de grond verpachten. Hij kon een woning bewonen of verhuren. Slaven kon de pandhouder voor zichzelf (of een ander) tewerkstellen. De waarde die de pandhouder door het gebruik genereerde, kwam in mindering op de gesecureerde vordering (rente en hoofdsom) of kwam in de plaats van een rentevergoeding over de gesecureerde vordering. Het recht van pandgebruik kon niet alleen voorkomen in combinatie met het pandrecht, maar ook in zelfstandige vorm (zelfstandige antichrese). De gerechtigde tot zelfstandige antichrese had wel een gebruiksrecht, maar geen voorrang op een eventuele executie-opbrengst van de goederen die hij gebruikte.
In dit hoofdstuk1 bespreek ik het recht van pandgebruik in het Romeinse recht. Als uitgangspunt neem ik de tekst van het Corpus Iuris Civilis. De nadruk ligt op het Justiniaanse recht, tenzij anders aangegeven. Op het klassieke Romeinse recht ga ik alleen in waar het gaat om het recht van pandgebruik bij de fiducia en bij de historische ontwikkeling van het recht van pandgebruik. Het recht van pandgebruik staat in de secundaire literatuur over het Romeinse recht bekend als antichresis, wat is afgeleid van het Griekse ἀντίχρησις. Het woord ἀντίχρησις komt in twee Digestenteksten voor: in D. 13,7,33 en D. 20,1,11,1, allebei teksten van Marcianus.2 Veel andere teksten beschrijven echter ook de rechtsfiguur die ik aanduid als het recht van pandgebruik. In deze andere teksten komt het woord ἀντίχρησις niet voor. Alle teksten die over deze figuur gaan betrek ik in mijn onderzoek; ongeacht of de rechtsfiguur wordt aangeduid met ἀντίχρησις. In §2.2 schets ik de historische ontwikkeling van het recht van pandgebruik in het Hellenistische recht, het klassieke Romeinse recht en het Justiniaanse recht. In §2.3 behandel ik de vestiging van het recht van pandgebruik. Vervolgens ga ik in §2.4 in op de wijze waarop de pandhouder zijn recht uit pandgebruik kon uitoefenen. Voorts bespreek ik in §2.5 de functies die het recht van pandgebruik kon vervullen en enkele vraagstukken die hiermee samenhangen.
Ik besteed geen aandacht aan herverpanding. Hoewel de bevoegdheid tot herverpanding in het Romeinse recht gold als vrucht3, blijkt uit de Romeinsrechtelijke bronnen geen relatie tussen het recht van pandgebruik en de bevoegdheid tot herverpanding. In het bijzonder kwam aan herverpanding niet één van de functies van het recht van pandgebruik (rentefunctie of aflossingsfunctie) toe.4 Evenmin behandel ik de bevoegdheid van de pandhouder om een verpande zaak te verbruiken. De bronnen geven geen relatie tussen het recht van pandgebruik en een verbruiksbevoegdheid.