Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/2.4
2.4 Uitoefening van het recht van pandgebruik
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264506:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Manigk 1910, p. 8 en 46; Kupiszewski 1974, p. 230-231; Kaser, Studien III, p. 80-81.
Lokin/Brandsma 2016, p. 104-105; D. 50,16,77 (Paulus); D. 22,1,34 (Ulpianus); D. 22,1,36 (Ulpianus).
D. 2,14,52,1 (Ulpianus); D. 20,1,1,3 (Papinianus); C. 4,32,17 (Philippus); D. 20,2,8 (Paulus); D. 20,5,12,1 (Tryphoninus); D. 46,1,59 (Paulus); C. 3,37,2 (Antoninus Caracalla); C. 4,24,1 (Septimius Severus & Antoninus Caracalla); C. 4,24,12 (Maximianus); C. 4,32,12(11) (Alexander Severus); C. 8,13(14),9 (Gordianus); C. 8,27(28),1 (Alexander Severus); Nov. 120,6,2 (Justinianus).
D. 13,7,15 (Ulpianus); D. 13,7,25 (Ulpianus).l; D. 20,1,23pr (Modestinus); C. 8,24(25),2 (Maximianus); C. 4,26,6 (Gallienus); C. 4,32,14 (Alexander Severus); C. 8,42(43),20 (Diocletianus).
D. 13,7,39 (Modestinus); D. 20,1,11,2 (Marcianus); D. 36,4,5,21 (Ulpianus); D. 36,4,5,23 (Ulpianus); C. 4,24,2 (Alexander Severus); C. 4,24,3 (Alexander Severus); D. 20,1,11,1 (Marcianus).
Dernburg 1864, p. 70; Windscheid/Kipp 1906, p. 1182 en 1184; Weiß 1909, p. 39; Manigk 1910, p. 14-15; Heumann/Seckel 1958, p. 34; Kaser, Studien III, p. 80-81; Kupiszewski 1986, p. 133 en 135.
Hiervoor heb ik uiteengezet op welke wijzen de inhoud van het recht van pandgebruik kon ontstaan. De pandgebruiker verkreeg hiermee het recht om het onderpand te gebruiken en de vruchten ervan te trekken.1 Vruchten waren de uit haar aard regelmatig terugkerende opbrengsten van een zaak.2
In het Romeinse recht leek voor het recht van pandgebruik geen onderscheid te bestaan tussen de bevoegdheid tot gebruik enerzijds en vruchttrekking anderzijds. Nu eens spraken de bronnen van een bevoegdheid tot vruchttrekking,3 dan weer van een (meestal gespecificeerde) bevoegdheid tot gebruik.4 Soms werden beide bevoegdheden door elkaar genoemd.5 Hoe de bevoegdheid tot pandgebruik in de teksten ook werd genoemd, de rechtspositie van pandgever en pandhouder was hetzelfde.
De pandgebruiker was gerechtigd iedere handeling te verrichten waarmee hij uit het onderpand vruchten kon genereren. Hij was gerechtigd tot deze vruchten. In de Duitstalige literatuur wordt het recht van pandgebruik wel Nutzungspfand genoemd.6Nutzung laat zich in het Nederlands vertalen met benutten, gebruiken of exploiteren. Deze synoniemen geven een goede omschrijving van de bevoegdheden die de pandgebruiker had.
2.4.1 Pandrecht op grond2.4.2 Pandrecht op beperkte rechten2.4.3 Pandrecht op slaven2.4.4 Pignus nominis2.4.5 Ten behoeve van het onderpand gemaakte kosten2.4.6 Eigendomsverkrijging van geoogste vruchten2.4.7 Huurvorderingen2.4.8 De uitoefening van het recht van pandgebruik tijdens verzuim2.4.9 Misbruik