Einde inhoudsopgave
RvdW 2014/505
1. Moord. Voorbedachte raad voldoende gemotiveerd. 2. Vordering benadeelde partij wegens ingewikkeldheid vordering niet-ontvankelijk.
HR 11-03-2014, ECLI:NL:HR:2014:528
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
11 maart 2014
- Magistraten
Mrs. W.A.M. van Schendel, H.A.G. Splinter-van Kan, Y. Buruma
- Zaaknummer
12/02257
- Conclusie
A-G mr. T.N.B.M. Spronken
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Delicten Wetboek van Strafrecht
Strafprocesrecht / Rechtsmiddelen
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2014:528, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 11ā03ā2014
ECLI:NL:PHR:2013:2233, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 05ā11ā2013
Beroepschrift, Hoge Raad, 11ā10ā2012
Beroepschrift, Hoge Raad, 07ā09ā2012
- Wetingang
Art. 289 Sr; art 51f, art. 359 lid 1 en 3, 361 lid 3 Sv
Essentie
1. Moord. Toereikend bewijs van voorbedachte raad. Het oordeel dat uit de feiten en omstandigheden die uit de gebezigde bewijsmiddelen blijken, rechtstreeks volgt dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, is ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.
2. Vordering benadeelde partij; immateriƫle schade geleden door nabestaande. De niet-ontvankelijkverklaring is gegrond op het oordeel dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, nu de rechtsvraag of verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de door de benadeelde partij geleden immateriƫle schade niet eenvoudig te beoordelen valt. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk. Voor vergoeding ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.