Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht
Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/7.2:7.2 De kennisgeving van verdere vervolging, de dagvaarding of de oproeping
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/7.2
7.2 De kennisgeving van verdere vervolging, de dagvaarding of de oproeping
Documentgegevens:
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld Rb Amsterdam 10 april 2008, JOR 2008/200, par. 5.1.5.
Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht (2008), p. 187.
Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht (2008), p. 557.
Koopmans, Het beslissingsmodel van 348/350 Sv (2010), p. 6.
I-1R 17 mei 1949, NJ 1950/235.
Zie daarover de paragraaf inzake de verdachte, alwaar de bezwaarprocedure aan bod is gekomen.
Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht (2008), p. 558.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Gelet op de art. 244 en 245 Sv zal de officier van justitie, indien hij tot vervolging wenst over te gaan, indien een gerechtelijk vooronderzoek heeft plaatsgehad en/of voorlopige hechtenis is toegepast, een kennisgeving aan de verdachte moeten laten uitgaan van verdere vervolging of meteen overgaan tot dagvaarding van de verdachte ter terechtzitting. Indien een gerechtelijk vooronderzoek heeft plaatsgehad zal uiterlijk binnen twee maanden na sluiting daarvan die kennisgeving moeten worden gedaan of dagvaarding moeten worden uitgebracht en indien uitsluitend voorlopige hechtenis is toegepast zonder gerechtelijk vooronderzoek zal dit moeten gebeuren `zoodra de zaak tot klaarheid is gebracht'. In het eerste geval kan de rechtbank de officier uitstel verlenen en in het tweede geval kan de rechtbank op verzoek van één van de partijen een termijn stellen, terwijl de officier op verzoek van de verdachte een langere termijn kan nemen voor het doen van de kennisgeving. Hoewel de kennisgeving veelal zal voortvloeien uit het gerechtelijk vooronderzoek is het niet zo dat in de kennisgeving van verdere vervolging uitsluitend die feiten kunnen worden opgenomen die eerder zijn vermeld in een (nadere) vordering gerechtelijk vooronderzoek. De officier mag aan die feiten ook een andere kwalificatie geven. Er mag evenwel geen volstrekt andere materiële gedraging in de kennisgeving worden opgenomen dan die, welke onderwerp van het gerechtelijk vooronderzoek is geweest.1 Indien de officier een heel ander delict wenst te vervolgen dan datgene waarop het gerechtelijk vooronderzoek zag kan de kennisgeving daar dus niet op zien, maar dit laat onverlet dat de officier wel ter zake van dat nieuwe feit een nieuw gerechtelijk onderzoek kan vorderen. Uit de art. 255 Sv en art. 68 Sr volgt althans niet het tegendeel. Dit verbod van `grondslagverlating' in de kennisgeving werkt ook door voor de dagvaarding, want uit art. 258 lid 3 Sv volgt, dat indien een kennisgeving van verdere vervolging is voorafgegaan, de omschrijving van het feit in de dagvaarding, op straffe van nietigheid, moet overeenstemmen met de omschrijving van het feit in de kennisgeving, een en ander conform de uitkomsten van een eventuele bezwaarprocedure. Buiten het geval van een gerechtelijk vooronderzoek of voorlopige hechtenis zal het openbaar ministerie meteen overgaan tot dagvaarding of, indien het een verzet betreft tegen een strafbeschikking, overgaan tot oproeping van de verdachte.
Zodra het OM van plan is de verdachte te dagvaarden voor de (bevoegde) rechter zal het de zaak aanbrengen bij die rechter of kamer. De voorzitter van de rechtbank bepaalt in dat geval, op het verzoek en de voordracht van de officier van justitie, de dag van de terechtzitting (art. 258 lid 6 Sv). Deze appointeringsbepaling geldt ook voor kantonzaken (art. 398 Sv). De officier heeft hiermee een onwenselijk grote invloed op de concrete toedeling van zaken aan rechters en kamers, aldus Corstens.2 Met de aan de verdachte betekende dagvaarding wordt de zaak ter terechtzitting aanhangig gemaakt. Het rechtsgeding neemt hierdoor een aanvang, aldus art. 258 lid 1 Sv. Aan de dagvaarding worden vier functies toegedicht: (1) de persoon van de verdachte wordt aangeduid; (2) de verdachte wordt opgeroepen bij een bepaalde rechter op een bepaalde plaats en een bepaald tijdstip ter zitting te verschijnen; (3) de verdachte wordt beschuldigd van een bepaald feit, toegespitst op een bepaalde delictsomschrijving; en (4) de verdachte wordt geïnformeerd over bepaalde hem toekomende rechten.3 Indien de dagvaarding in één van die functies grovelijk tekort schiet is die nietig. Aan kennelijke verschrijvingen, kennelijke vergissingen en grammaticale en spelfouten kan de rechter voorbijgaan.4 Met betrekking tot de duiding van de verdachte is niet altijd naamsopgave nodig. Onder omstandigheden kan worden volstaan met een signalement. Indien de verdachte bijvoorbeeld iedere medewerking weigert ter zake van de vaststelling van zijn identiteit kan hij toch worden vervolgd op basis van zijn foto.5 Met betrekking tot de tweede functie is van belang dat uit art. 265 lid 1 Sv volgt dat er normaliter ten minste tien dagen zitten tussen betekening en zitting. Voor de politierechter is dit drie dagen (art. 370 Sv). Uitgangspunt is dat het mogelijk moet zijn voor de verdachte om zo nodig bezwaar aan te tekenen.6 Niettemin kan de voorgeleide aangehouden verdachte ook worden gedagvaard om voor de politierechter te verschijnen en nog op dezelfde dag ter terechtzitting worden geleid (art. 375 lid 1 Sv). Dit supersnelrecht wordt wel ingezet om relschoppers bij grote evenementen snel te kunnen vervolgen. Ook bij de kantonrechter kan bij heterdaad een oproeping worden uitgereikt aan de verdachte voor een terechtzitting op dezelfde dag (art. 385 lid 5 Sv).
De derde functie van de dagvaarding — de tenlastelegging — is neergelegd in art. 261 Sv. Dat luidt:
`1. De dagvaarding behelst een opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd, met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn; verder vermeldt zij de wettelijke voorschriften waarbij het feit is strafbaar gesteld.
2. Zij behelst tevens de vermelding van de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan.
3. Wanneer de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt krachtens een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding waarvan de geldigheidsduur niet meer kan worden verlengd op grond van artikel 66, derde lid, kan voor de opgave van het feit worden volstaan met de omschrijving die in dat bevel is gegeven.'
De tenlasteleggingsfunctie van de dagvaarding heeft aldus een 'dubbele verwijzingsfunctie'. Enerzijds wordt de verdachte verweten dat hij in het verleden iets heeft gedaan en anderzijds wordt hem hiervan een verwijt gemaakt.7 Ik kom bij de bespreking van het beslissingsmodel van de strafrechter terug op deze derde functie van de dagvaarding, alwaar ik ook in zal gaan op de wijziging van de tenlastelegging ter zitting. Met betrekking tot de vierde functie van de dagvaarding — het informeren van de verdachte ter zake van hem toekomende rechten — wijs ik op art. 260 lid 4 Sv, waarin is bepaald dat aan de verdachte bij de dagvaarding wordt kenbaar gemaakt dat hij het recht heeft getuigen en deskundigen schriftelijk te doen oproepen of op de terechtzitting mede te brengen en dat verdachte daarbij tevens opmerkzaam wordt gemaakt op de voorschriften van de art. 262 lid 1, 263 lid 2 en lid 3 en 278 lid 2 Sv.
Indien de verdachte in verzet is gekomen tegen een strafbeschikking wordt hij niet gedagvaard maar opgeroepen, tenzij de officier de strafbeschikking intrekt. Ook hier geldt dat er tenminste tien dagen zitten tussen de oproeping en de terechtzitting (art. 257f lid 1 Sv). De behandeling van de zaak vindt plaats overeenkomstig de zesde, zevende of achtste titel van het Tweede Boek. De omschrijving van de gedraging in de oproeping wordt daarbij als tenlastelegging aangemerkt (art. 257f lid 3 Sv).