Einde inhoudsopgave
De beursvennootschap, corporate governance en strategie (IVOR nr. 120) 2020/4.3.1
4.3.1 De Veertig Aanbevelingen van de commissie Peters
mr. S.B. Garcia Nelen, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. S.B. Garcia Nelen
- JCDI
JCDI:ADS232660:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Calkoen, TVVS 1996/182 en De Jongh 2014, nr. 190.
Overkleeft 2017, par. 3.3.3 en 3.5.3. Zie uitgebreid over beschermingsconstructies: paragraaf 6.1 van dit proefschrift.
Peters, De NV 1996/12 en Overkleeft 2017, par. 3.5.3.
Bijlage bij Kamerstukken II 1994/95, 23 900 IXB, nr. 25, aanhangsel 324 bij Kamerstukken II 1995/96, 21 038, nr. 22 en Kamerstukken II 1996/9, 10 631, nr. 10, p. 4.
Calkoen, TVVS 1996/182 en Overkleeft 2017, par. 3.5.3.
Overkleeft 2017, par. 3.5.4. Peters zei later dat de commissie mede was ingesteld op initiatief van toenmalig minister van Financiën Gerrit Zalm, zie het interview door Charles Honée met o.a. Jaap Peters van de governancecommissie uit 1996 in ‘Twintig jaar goed bestuur’, 14 september 2017, Management Scope, managementscope.nl. Zie voor andere bronnen over de ontstaansgeschiedenis: de bijlage bij Kamerstukken II 1994/95, 23 900 IXB, nr. 25, aanhangsel 324 bij Kamerstukken II 1995/96, 21 038, nr. 22 en Kamerstukken II 1996/9, 10 631, nr. 10, p. 4.
Peters, De NV 1996/12 en Veertig Aanbevelingen, par. 1.1, p. 9. Zie ook: Assink/Slagter 2013 (Deel 1), §4.2.
Aanbiedingsbrief bij de Veertig Aanbevelingen van 25 juni 1997.
Op 28 oktober 1996 had de Commissie Peters een conceptrapport gepubliceerd.
Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa 2019/33.
Assink/Slagter 2013 (Deel 1), §4.2.
Voogsgeerd 2006, par. 5.2. Volgens Voogsgeerd had het faillissement van DAF in 1994 een katalyserende werking voor met name de nadruk op de rol van de raad van commissarissen in de Veertig Aanbevelingen.
Veertig Aanbevelingen, par. 4.1, p. 17.
Veertig Aanbevelingen, par. 4.2 en 4.3, p. 17.
Veertig Aanbevelingen, par. 5.1, p. 19.
Veertig aanbevelingen, par. 5.1 en 5.4.1, p. 19-20.
Veertig Aanbevelingen, par. 5.4.1, p. 20-21.
Veertig Aanbevelingen, par. 5.4.2 en 5.5, p. 21-22.
Veertig Aanbevelingen, par. 5.5, p. 22.
Veertig Aanbevelingen, par. 5.6, p. 22-26. Zie ook: Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa 2019/33.
Veertig Aanbevelingen, par. 5.7, p. 26.
De Jongh 2014, nr. 192.
Overkleeft 2017, par. 3.5.4. Zie voor een analyse van de Veertig Aanbevelingen met verschillende vergelijkingen met het Cadbury Report en andere buitenlandse ontwikkelingen: Calkoen, TVVS 1996/182.
Cheffins 2013, p. 19.
Zie bijvoorbeeld Calkoen, TVVS 1996/182 en Ruding, TVVS 1997/154. De laatste geeft aan: “De teneur van de aanbevelingen van de Commissie gaat in dezelfde richting als in de Angelsaksische landen.”
M.A Eisenberg, ‘An Overview of the Principles of Corporate Governance’, The Business Lawyer, Vol. 48, augustus 1993, p. 1271 en Cheffins 2013, p. 6.
Cheffins 2013, p. 7-8.
Cheffins 2013, p. 10.
Zie hierover: Winter, Ondernemingsrecht 1999. De OECD Principles zijn in 2004 herzien.
OECD Principles, p. 9-10. Zie ook Hansmann & Kraakman 2000. Zie over dit laatste artikel ook Timmerman, Ondernemingsrecht 2001.
Zie bijvoorbeeld: Ruding, TVVS 1997/154 en Timmerman, Ondernemingsrecht 2001.
Zie bijvoorbeeld: Kamerstukken II 1998/1999, 25 732, nr. 8, p. 3-4 en Kamerstukken II 1999/2000, 25 732, nr. 9, p. 4. Zie ook Ruding, TVVS 1997/154, in verband met de Veertig Aanbevelingen: “Derhalve hebben de lessen die men uit ontwikkelingen en ervaringen in VS en VK kan trekken, slechts beperkte waarde in de Nederlandse verhoudingen en voor de beoordeling van het rapport van de Commissie.”
Dit neemt niet weg dat sommige beursvennootschappen op individuele basis besloten om zich meer naar het aandeelhoudersbelang te richten, zie Timmerman, Ondernemingsrecht 2001.
Van Ginneken, Ondernemingsrecht 1999, par. 1.
Van Ginneken, Ondernemingsrecht 1999, par. 1; Overkleeft 2017, par. 3.5.4; Voogsgeerd 2006, par. 5.1.
Vanaf eind jaren 1980 groeide er in Nederland discussie over de positie van aandeelhouders in Nederlandse beursvennootschappen en de noodzaak tot versterking daarvan. Deze discussie werd onder andere gevoerd tussen de Vereniging voor de Effectenhandel (hierna: VvdE) en de VEUO.1 Zij waren in 1989 gezamenlijk tot de samenstelling van een Bijlage X bij het Fondsenreglement gekomen, dat (kort gezegd) de toelaatbaarheid van beschermingsconstructies regelde. Ook in de jaren daarna gaven deze twee partijen vorm aan zelfregulering ten aanzien van vijandige overnames en beschermingsconstructies.2 Over die onderwerpen sloten de VvdE en de VEUO op 8 mei 1995 een ‘beginselakkoord’.3 In dit akkoord uitten beide partijen gezamenlijk het voornemen om het initiatief te nemen tot het opstellen van een code met best practicenormen.4 Hiertoe zou een commissie van experts worden ingesteld.5 Uiteindelijk is op 9 april 1996 de eerste Nederlandse commissie corporate governance ingesteld door de voorzitter van de VvdE.6 Deze commissie werd voorgezeten door Jaap Peters, voormalig voorzitter van de raad van bestuur van Aegon. De reden voor het instellen van de Commissie Peters (zoals deze commissie doorgaans wordt aangeduid) was de toenemende internationalisering van de Nederlandse economie en de vergrote internationale aandacht voor de rol, positie en invloed van de aandeelhouder.7 De Commissie Peters heeft zich bij haar werkzaamheden gericht op de aspecten van corporate governance die het samenspel van en het evenwicht tussen toezicht, leiding en kapitaalverschaffers binnen de vennootschap bepalen.8 Zij presenteerde op 25 juni 1997 haar eindrapport, getiteld ‘Corporate Governance in Nederland; De Veertig Aanbevelingen’ (hierna: de Veertig Aanbevelingen).9 De Veertig Aanbevelingen waren primair bedoeld voor beursvennootschappen10 en met name gericht op meer zeggenschap voor aandeelhouders en meer transparantie en verantwoording door het bestuur.11 Daarnaast werd ingezet op een serieuzere rol voor de raad van commissarissen.12 Voor zover relevant wordt de inhoud van de Veertig Aanbevelingen hieronder samengevat.
Dertien aanbevelingen hielden verband met de taak, het profiel, de samenstelling, de benoeming en de honorering van de raad van commissarissen. Onder andere is hierbij van belang dat de commissarissen onafhankelijk dienden te opereren, dat niet meer dan één voormalig bestuurder zitting diende te hebben in de raad van commissarissen, en dat commissarissen die op voordracht waren benoemd zich niet moesten laten leiden door de belangen van degenen op wiens voordracht zij waren benoemd. Overige aanbevelingen in deze categorie zijn nog herkenbaar in de actuele corporate governance, zoals de profielschets, het aandelenbezit op de lange termijn en de honorering die niet afhankelijk mag zijn van de resultaten van de vennootschap.
Zeven aanbevelingen waren gericht op de werkwijze van de raad van commissarissen. Onder andere werd hierbij voorgeschreven dat de raad van commissarissen een reglement diende op te stellen, dat hij dient te overwegen om een selectie- en benoemingscommissie, een auditcommissie en een bezoldigingscommissie in te stellen en dat bepaalde onderwerpen tenminste eenmaal per jaar besproken dienden te worden met het bestuur.
Vijf aanbevelingen zagen op het bestuur. Deze hadden onder andere betrekking op de rapportage door het bestuur aan de raad van commissarissen, het effectenbezit van bestuurders en belangenverstrengeling.
Acht aanbevelingen zagen op het functioneren van de AV en de rol van kapitaalverschaffers. Deze hielden onder andere verband met een inventarisatie door de ondernemingsleiding van de invloed van kapitaalverschaffers, een agenderingsrecht voor kapitaalverschaffers, een systeem van proxy solicitation en een voornemen om verkrijgers van ten minste 50% van het aandelenkapitaal een bod op de overige aandelen uit te laten brengen.
De overige aanbevelingen bevatten onder andere bepalingen over de rapportage in het jaarverslag over de corporate governance en naleving van de Veertig Aanbevelingen en de monitoring door de Commissie Peters.
In de Veertig Aanbevelingen staan verschillende aandachtspunten voor de verhouding tussen het bestuur en de aandeelhouders. Volgens de Veertig Aanbevelingen is het bestuur verantwoordelijk voor de effectuering van de ondernemingsdoelstellingen, de strategie en het beleid en de daaruit voortvloeiende resultatenontwikkeling.13 Het bestuur dient aan de raad van commissarissen en in het jaarverslag te rapporteren over de ondernemingsdoelstellingen, de strategie, de daaraan verbonden risico’s en de mechanismen tot beheersing van risico’s van financiële aard.14 De vennootschapsleiding dient zich ten overstaan van de kapitaalverschaffers te verantwoorden over het gevoerde beleid. Daarop zouden kapitaalverschaffers ook invloed moeten kunnen uitoefenen. De vennootschapsleiding zou namelijk bij het toekomstige beleid “ernstig rekening” moeten houden met de mening van kapitaalverschaffers zoals die tot uitdrukking gebracht wordt bij de verantwoording door de vennootschapsleiding.15 Kapitaalverschaffers moeten invloed kunnen uitoefenen die in verhouding staat met hun kapitaalbelang (‘one share, one vote’). Daarvan kan in sommige gevallen worden afgeweken om de continuïteit in de besluitvorming te waarborgen of om tijd te kopen bij vijandige overnames, maar dit mag er nooit toe leiden dat de kapitaalverschaffers geen serieuze invloed meer kunnen uitoefenen.16 Algemeen onder de kapitaalverschaffers levende opvattingen over onderwerpen die hen aangaan, mogen door de ondernemingsleiding niet langdurig genegeerd worden.17 In de Veertig Aanbevelingen worden zes onderwerpen genoemd die de kapitaalverschaffers in het bijzonder aangaan en waarop zij invloed moeten kunnen uitoefenen: (1) het strategisch beleid van de vennootschap, (2) majeure wijzigingen in de aard en omvang van de onderneming, (3) het dividendbeleid, (4), de omvang en samenstelling van het aandelenkapitaal, (5) statutenwijziging en (6) vaststelling van de jaarrekening.18 Wel geven de Veertig Aanbevelingen aan dat “het accent” bij de eerste twee punten zou moeten liggen op informatieverstrekking en “de nadruk” bij de laatste vier punten zou moeten liggen op de uit te oefenen invloed.19 De Veertig Aanbevelingen bevatten suggesties over de wijze waarop regelingen die de zeggenschap van aandeelhouders beperken kunnen worden afgebouwd of aandeelhoudersvriendelijker kunnen worden gemaakt, met name ten aanzien van certificering, prioriteitsaandelen, financierings- en beschermingspreferente aandelen en de structuurregeling.20 De Veertig Aanbevelingen bevatten ook een agenderingsrecht voor aandeelhouders, dat destijds nog niet wettelijk was vastgelegd. Dit hield in dat verzoeken om onderwerpen op de agenda voor de AV te plaatsen, van aandeelhouders die alleen of tezamen met anderen een belang hielden van 1% of ter waarde van ƒ 500.000, moesten worden gehonoreerd als deze tenminste dertig dagen voor de datum van de AV bij het bestuur of de voorzitter van de raad van commissarissen waren ingediend, tenzij zwaarwichtige belangen van de vennootschap zich daartegen verzetten.21
Het ligt voor de hand om de verklaring voor deze op aandeelhoudersbelangen georiënteerde uitgangspunten te zoeken in Angelsaksische invloeden. De Jongh merkt op dat het rapport van de Commissie Peters onmiskenbaar was beïnvloed door de agency-theorie.22 Met name had de Commissie Peters zich laten inspireren door het Cadbury Report uit 1992,23 de eerste corporate governance code in het Verenigd Koninkrijk, die een voorbeeld vormde voor veel codes over de hele wereld.24 Ook in de literatuur van destijds werd veelvuldig gewezen op de internationale ontwikkelingen.25 Daarnaast was ook het American Law Institute (ALI), een onafhankelijke organisatie die naar eigen zeggen door middel van onderzoek en publicaties beoogt het Amerikaanse recht te verhelderen en moderniseren, kort daarvoor met een rapport gekomen.26
Het eerste product van het ALI was een voorlopige conceptregeling die in 1982 werd gepubliceerd. Hierop werd afwijzend gereageerd, mogelijk vanwege het feit dat marktpartijen niet open stonden voor regulering van het speelveld van corporate governance, omdat de vrees bestond dat de regelgeving de aansprakelijkheid van leden van de board of directors zou uitbreiden. Ook had de regeling een te verplicht en star karakter.27 De definitieve versie van de Principles of Corporate Governance: Analysis and Recommendations (hierna: de ALI Principles) die in 1992 door het ALI werden goedgekeurd en in 1994 gepubliceerd vertoonde uiteindelijk grote gelijkenissen met het bestaande Amerikaanse recht en was dan ook weinig controversieel.28
In 1999 werd ook door de Organisation for Economic Co-operation and Development (OECD) een rapport gepubliceerd getiteld ‘Principles of Corporate Governance’ (hierna: de OECD Principles).29 Wat blijkt uit het voorwoord van de OECD Principles, maar ook uit Angelsaksische literatuur van rond de millenniumwisseling, is dat er in die tijd in bepaalde hoeken een overtuiging bestond dat er een steeds grotere mate van convergentie aan het ontstaan was tussen de corporate governance-stelsels in verschillende landen.30 Die convergentie werd tot op zekere hoogte ook in Nederland opgemerkt en noodzakelijk geacht.31 Niettemin werd hier vrij breed de mening gedeeld dat er in de Angelsaksische wereld een systeem gehanteerd werd dat primair op aandeelhoudersbelangen gericht was en dat in het Nederlands systeem in grotere mate rekening moest worden gehouden met de belangen van de vennootschap en alle relevante stakeholders.32 Het lijkt erop dat men in Nederland wel voorstander was van enige vorm van versterking van de zeggenschapspositie van kapitaalverschaffers, maar niet van een stelsel waarin door de vennootschapsleiding louter gestreefd moest worden naar het behartigen van aandeelhoudersbelangen, hetgeen in de Cadbury Code, de ALI Principles en de OECD Principles wel het uitgangspunt was.33 De toenemende aandacht voor de positie van de aandeelhouder werd in Nederland vooral gestimuleerd door de internationalisatie van de kapitaalmarkten, de emancipatie van de aandeelhouders en het toegenomen institutionele aandelenbezit, en niet zozeer door de wens om te komen tot een wereldwijd eenduidig governancestelsel.34
Op 8 december 1997 is een Monitoring Commissie Corporate Governance (hierna: de Monitoring Commissie) ingesteld, wederom onder voorzitterschap van Peters, welke commissie op 3 december 1998 het rapport ‘Monitoring Corporate Governance in Nederland’ presenteerde.35 Hieruit bleek dat, hoewel de Veertig Aanbevelingen wel degelijk leidden tot discussie over de daarin behandelde onderwerpen, zij niet algemeen werden nageleefd en met name weinig direct waarneembare invloed hadden op de positie van kapitaalverschaffers.36