Einde inhoudsopgave
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/13.3.1
13.3.1 Tegengaan van corruptie en belangenverstrengeling
mr. L.S.A. Trapman, datum 19-02-2024
- Datum
19-02-2024
- Auteur
mr. L.S.A. Trapman
- JCDI
JCDI:ADS947814:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Deze bepalingen kwamen eerder aan de orde in par. 8.3.
Ook de instellingen van de Raad van Europa hecht om deze reden belang aan transparantie van partijfinanciering. Zie CDL-AD(2020)032 van de Venice Commission (14 december 2020), Guidelines on political party regulation. Second edition, par. 247; Aanbeveling Rec(2003)4 van het Comité van Ministers van de Raad van Europa (8 april 2003), On common rules against corruption in the funding of political parties and electoral campaigns. Ook de kritiek van GRECO op het Nederlandse regime moet in dat licht gelezen worden.
Bovend’Eert 2015, p. 124.
CDL-INF(2001)008-e van de Venice Commission (23 maart 2001), Guidelines and report on the financing of political parties, p. 10-11.
Voor de Commissie-Van den Berg was dit wel ook een van de redenen om directe partijfinanciering van overheidswege te adviseren. Zie Commissie-Van den Berg 1991, p. 23. Ook bij de eerste wijziging van de Wspp, die onder andere een verhoging van de subsidiebedragen betekende, speelde mee dat voorkomen moest worden dat partijen zich al te snel tot derden zouden richten. Zie in dat kader de motie-Rehwinkel (Kamerstukken II 2000/01, 27422, nr. 3).
De rol en positie van Kamerleden wordt in belangrijke mate genormeerd door de artikelen 50, 60 en 67 lid 3 Gw.1 Gelet op deze artikelen hebben Kamerleden zich te richten op de behartiging van het algemeen belang. Zij moeten hun taak daarom in onafhankelijkheid kunnen verrichten, waaruit volgt dat voor belangenverstrengeling en corruptie geen plek is. Van belangenverstrengeling is sprake wanneer Kamerleden zich niet langer richten op het algemeen belang, maar op specifieke belangen van derden. Indien Kamerleden daarvoor betaald worden, is niet slechts sprake van belangenverstrengeling, maar zelfs van corruptie.
Ook voor de financiering van de verkiezingscampagne zijn deze beginselen relevant. 2Zo behelst de zuiveringseed die Kamerleden op grond van artikel 60 Gw afleggen onder andere dat zij verklaren geen giften aangenomen te hebben om iets in hun ambt te doen of te laten. Dergelijke giften kunnen tijdens de verkiezingscampagne verstrekt zijn. Daarbij komt ook de politieke partij in beeld. De genoemde grondwetsbepalingen richten zich steeds tot de individuele volksvertegenwoordiger, maar de uit de artikelen volgende principes en de noodzaak om corruptie en belangenverstrengeling tegen te gaan zijn ook van belang voor politieke partijen. Het zijn immers de partijen die volksvertegenwoordigers kandideren en een verkiezingsprogramma opstellen, waaraan de kandidaat-volksvertegenwoordigers zich vervolgens moeten committeren. Doen zij dat niet, dan worden zij immers niet op de lijst geplaatst. Ook komen de kosten van de verkiezingscampagne voor het overgrote deel voor rekening van de partijen. Voor geldschieters kunnen politieke partijen dus een geschikt vehikel vormen om de standpunten van de partij, en daarmee indirect het gedrag van de individuele volksvertegenwoordigers, te beïnvloeden. Het is dus belangrijk dat politieke partijen niet in een afhankelijke positie ten opzichte van hun geldschieters terechtkomen. 3Alleen indien de partijen zelf hun standpunten bepalen, kan sprake zijn van de onafhankelijke behartiging van het algemeen belang.
Die onafhankelijkheid wordt tot op zekere hoogte al bereikt door partijen van overheidswege te subsidiëren. Daarmee wordt ervoor gezorgd dat partijen zeker zijn van een bepaald inkomstenniveau, waarmee de noodzaak voor partijen om zich voor financiering tot derden te richten, enigszins afneemt. 4Het tegengaan van afhankelijkheid van derden is wel een effect van het Nederlandse subsidiestelsel, maar als doel legde het weinig gewicht in de schaal, zo blijkt uit de totstandkoming van de subsidieregeling. De overweging lijkt slechts in beperkte mate te hebben meegespeeld bij de vormgeving van het subsidiestelsel en de herhaaldelijke verhoging van de subsidiebedragen.5 Met het subsidiestelsel beoogde de wetgever er juist voornamelijk voor te zorgen dat de teruglopende partijinkomsten uit andere bronnen door de overheid werden gecompenseerd. Niet de angst voor andere vormen van financiering, maar juist de beperkte omvang ervan lag ten grondslag aan het subsidiestelsel. De belangrijkste weg om onafhankelijkheid van private geldschieters te bewerkstelligen is dan ook niet het van overheidswege financieren van partijactiviteiten gebleken, maar het normeren van de financiering door deze private geldschieters.