Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/4.7.1
4.7.1 Inleiding
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652492:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. OK 17 maart 1994, TVVS 1994, p. 164, m.nt. Th.S. IJsselmuiden (Janssen Pers); OK 8 oktober 1998 (dictum), JOR 1998/166, m.nt. M.W. Josephus Jitta (Hoffmann Beheer).
Zie voor een uitzonderingsgeval bijv. OK 8 december 2017, JOR 2018/9, m.nt. M.W. Josephus Jitta (ZED+). Zekerheidstelling werd vermoedelijk niet bevolen, omdat daarvoor gelden ontbraken en de OK-functionarissen ook zonder vergoeding bereid waren hun taak uit te oefenen. Ook in OK 25 augustus 2020 (r.o. 3.24), JOR 2021/10, m.nt. M. Zilinsky & J.W. de Groot (Prien en Gravier) verrichtten OK-functionarissen werkzaamheden, ondanks dat zij daarvoor al gedurende langere tijd geen betaling meer hebben ontvangen. De Ondernemingskamer beval in die procedure aanvankelijk wel zekerheidstelling, zie OK 15 februari 2016 (dictum), ARO 2016/63 (Prien).
In het verleden beval de Ondernemingskamer niet steeds zekerheidstelling voor de beloning van OK-functionarissen.1 Tegenwoordig verplicht de Ondernemingskamer de geënquêteerde rechtspersoon standaard tot zekerheidstelling, een enkele uitzondering daargelaten.2 Een dergelijke verplichting staat niet aan vrijwillige financiering en zekerheidstelling door een directe financier in de weg, waarover par. 6.4.3. Zekerheidstelling voor de beloning van OK-functionarissen is ook mogelijk indien de geënquêteerde rechtspersoon surseance van betaling heeft verkregen of in staat van faillissement is verklaard, waarover par. 6.7.3.3. De beloning van OK-functionarissen omvat mede redelijke en in redelijkheid gemaakte kosten van verweer van OK-functionarissen, waarover par. 5.3.2.8. Voor de kosten van verweer van OK-functionarissen kan ook aanvullende zekerheid worden gesteld (par. 5.3.4.1).
Anders dan art. 2:350 lid 3 BW bepaalt art. 2:357 lid 4 BW niet uitdrukkelijk dat de Ondernemingskamer kan bepalen dat de rechtspersoon voor de betaling der kosten zekerheid moet stellen. Niettemin acht de Ondernemingskamer zich hiertoe bevoegd. Een bevoegdheid hiertoe kan naar mijn mening worden gelezen in art. 2:357 lid 2 BW, althans een analoge toepassing daarvan bij onmiddellijke voorzieningen (par. 5.3.2.10).
Hierna behandel ik de verschillende mogelijkheden om aan de verplichting tot zekerheidstelling te voldoen (par. 4.7.2), de termijn voor zekerheidstelling en de situatie waarin zekerheidstelling uitblijft (par. 4.7.3). Tot slot schenk ik aandacht aan de wijze waarop het beheer over het bedrag voor de beloning van OK-functionarissen waarvoor zekerheid is gesteld moet worden gevoerd (par. 4.7.4).