RAR 2005, 115
Concurrentiebeding. In hoeverre kan een concurrentiebeding van twee medewerkers die voor zichzelf willen beginnen nietig zijn op grond van art. 6 Mededingingswet en welke factoren spelen een rol bij de vraag, of een non-concurrentiebeding tot relatiebeding moet worden beperkt?
Hof 's-Gravenhage 02-09-2005, ECLI:NL:GHSGR:2005:AU3913
- Instantie
Hof 's-Gravenhage
- Datum
2 september 2005
- Magistraten
Mrs. A.H. de Wild, C.G. Beijer-Lazonder en L.F.A. Husson
- Zaaknummer
04/1
- LJN
AU3913
- JCDI
JCDI:ADS870278:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Verbintenissenrecht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:GHSGR:2005:AU3913, Uitspraak, Hof 's-Gravenhage, 02‑09‑2005
- Wetingang
BW art. 7:653; Mw art. 6
Essentie
In hoeverre kan een concurrentiebeding van twee medewerkers die voor zichzelf willen beginnen nietig zijn op grond van art. 6 Mededingingswet en welke factoren spelen een rol bij de vraag, of een non-concurrentiebeding tot relatiebeding moet worden beperkt?
Samenvatting
Mrs. Moeliker en Platteeuw zijn geruime tijd als advocaat in dienst bij het Zeeuwse Boogaard B.V. Beider arbeidsovereenkomsten bevatten een concurrentiebeding inhoudende dat zij gedurende twee jaar na uitdiensttreding niet in Zeeland als procureur en advocaat werkzaam zijn zullen. Het beding van Platteeuw verbiedt hem tevens gedurende twee jaar werkzaamheden te verrichten voor relaties waarvoor hij in ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.