Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/3.3.2.1
3.3.2.1 Bevoegdheid / Soorten prestaties / Geldige titel en rechtsgrond
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS589468:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Naast 'het in ontvangst nemen van betalingen' (art. 3:210 lid 1, 3:246 lid 1, 6:32-34 BW, art. 475h Rv) wordt gesproken van 'het in ontvangst nemen van verschuldigde prestaties' (art. 3:170 lid 2 BW), 'het aannemen van betalingen' (O.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 161) en 'het ontvangen van gelden' (art. 17 WvK).
Bevrijdende betaling kan ook plaatsvinden als een persoon is betaald die niet bevoegd is om betalingen in ontvangst te nemen. Zie hierna nr. 575, 582-583 en 585. Weigert een bevoegde persoon betalingen in ontvangst te nemen, dan raakt hij in schuldeisersverzuim. Zie hierna nr. 463.
Zie hierna nr. 689 en 709-710.
De titel van overdracht is de rechtsverhouding die aan de overdracht ten grondslag ligt en deze rechtvaardigt. Zie o.a. Bartels 2002, p. 47; Bartels 2004, p. 69; Hartkamp 2005, nr. 92; en Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2006, nr. 113.
Zie nader Biemans 2010b, p. 816-818.
Zie nader o.a. Rank 1996, hoofdstuk 12-15; Schim 2002, p. 193 e.v.; Schim 2006, hoofdstuk 4; Mijnssen 2010.
Hij is ook bevoegd om betalingen op zijn rekening te weigeren. Zie HR 26 januari 2007, NJ 2007, 76 (Ontvanger/Fruitveiling Kerseboom); JOR 2007/79, m.nt. N.E.D. Faber. Anders: Rank 1996, par. 15.2.2.
Zie HR 13 juni 2003, NJ 2004, 196 (ProCall/Beatrix Ziekenhuis), m.nt. WMK; JOR 2003/209, m.nt. SCJJK en A. Steneker. De schuldeiser van de vordering die wordt geïnd, en tevens lastgever, kan in het (dreigend) faillissement van de rekeninghouder, tevens lasthebber, mogelijk op grond van art. 7:420 BW rechtstreeks van de bank betaling vorderen. Zie Wibier 2008a. Zie, anders, nog voor het ProCall-arrest: Rb. Amsterdam 13 januari 1999, JOR 199/163.
Zie HR 23 september 1994, NJ 1996,461 (Kasassociatie/Drying), m.nt. WMK.
De kwaliteitsrekening is ontworpen voor het bewaren van girale gelden. Het is m.i. goed verdedigbaar dat een kwaliteitsrekening ook kan worden aangehouden voor het bewaren van girale effecten en girale emissierechten. Vgl. Biemans & Van Leeuwen 2003.
Vgl. voor de bezitsverschaffing van order- en toonderstukken, M. v .A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 439.
Zie HR 12 januari 1968, NJ 1968, 274 (Teixeira de Mattos), m.nt. HD.
Zie HR 2 april1976, NJ 1976, 450 (Modehuis Nolly I), m.nt. WK; en HR 16 maart 1984, NJ 1984,556 (Modehuis Nolly II). Vgl. Rb. Haarlem 19 februari 1985, NJ 1987, 51; HR 15 februari 1985, NJ 1985, 885; en HR 6 december 2002, NJ 2005, 125. Vgl. voor registergoederen, Reehuis 2004, nr. 21 en 37; en Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2006, nr. 191 en 303; en voor vorderingen op naam, Reehuis 2004, nr. 74 en 97. Hoewel een derde in eigen naam andermans goed kan overdragen, ook als de levering middels een akte plaatsvindt (zie hierna nr. 415), is het omgekeerde niet mogelijk, namelijk dat de tussenpersoon bij de akte van levering in eigen naam optreedt en zijn achterman rechtstreeks het registergoed of de vordering op naam verkrijgt. Zie o.a. Groefsema 1993, p. 39-40; Bartels 2004, p. 57 e.v.; Asser/Kortmann 2-12004, nr. 136; Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV* 2009, nr. 250, met verdere literatuurverwijzingen.
Het begrip titel in art. 3:84 lid 3 BW wordt op een lijn gesteld met het begrip rechtsgrond in art. 6:203 BW. Zie o.a. Bartels 2004, p. 78, nt. 57 en p. 123-125; Hartkamp 2005, nr. 92 en 343; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV* 2011, nr. 424-425; en Biemans 2010b, p. 821. Vgl. HR 27 november 2000, NJ 2001,580 (Breezand/Veere); T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 804-805.
Vgl. o.a. Reehuis 2004, nr. 87; Van Opstall 1963, p. 76, l.k.
Zie voor girale gelden, Rank 19996, p. 267 e.v.; voor girale effecten, Schim 2006, p. 144 e.v.; en voor girale emissierechten, Teuben 2005, p. 68-70.
Vgl. Biemans 2010b, p. 816-818.
83. Bij geldvorderingen en vorderingen tot overdracht van een goed, waartoe deze studie zich beperkt, is degene die bevoegd is om betalingen in ontvangst te nemen1 bevoegd om de verschuldigde prestatie, de te betalen geldsom of het over te dragen goed, in ontvangst te nemen.2 Betaalt de schuldenaar aan een persoon die bevoegd is om betalingen in ontvangst te nemen, dan heeft hij bevrijdend betaald.3
De bevoegdheid om betalingen in ontvangst te nemen impliceert niet dat de bevoegde persoon de opbrengst mag behouden of zich daarop mag verhalen. Uit de rechtsverhouding tussen de stille cedent en de stille cessionaris zal bijvoorbeeld in de regel voortvloeien dat de stille cedent de opbrengst niet mag behouden.4
Voor de overdracht van goederen dient een rechtsgeldige titel te bestaan (art. 3:84 lid 1 BW). Ontbreekt een rechtsgeldige titel, dan is in het causale stelsel de overdracht ongeldig.5 Ontbreekt voor een (causale of abstracte) betaling een rechtsgrond, dan kan de schuldenaar het betaalde op grand van art. 6:203 BW als onverschuldigd betaald terugvorderen.6 Vindt de inning van de vordering in naam van de schuldeiser plaats, dan wordt op grand van onmiddellijke vertegenwoordiging de schuldeiser de rechthebbende van het ontvangene. Omdat de ontvangst van de betaling word t toegerekend aan de schuldeiser, bestaat voor de overdracht van het goed een rechtsgeldige titel zoals bedoeld in art. 3:84 lid 1 BW en voor de betaling een rechtsgrond zoals bedoeld in art. 6:203 BW.
Vindt de inning van de vordering daarentegen door de derde in eigen naam plaats, zoals bij een stille cessie, dan ligt dit anders. De schuldeiser van de vordering wordt niet zonder meer de rechthebbende van het ontvangene. Dit hangt onder meer af van de soort prestatie. Drie categorieën prestaties kunnen worden onderscheiden.
84. De eerste categorie is de girale betaling. Een girale betaling kan betrekking hebben op giraal geld, girale effecten en girale emissierechten. De betaling geschiedt door bijschrijving op een bank- of girorekening, een effectenrekening of een rekening in een emissieregister.7 De persoon op wiens naam de rekening staat (de rekeninghouder) is gerechtigd tot hetgeen op de rekening is geadministreerd. De gerechtigdheid tot giraal geld, girale effecten en girale emissierechten is verschillend vormgegeven. Bij giraal geld is de rekeninghouder de rechthebbende van de vordering jegens de kredietinstelling waarbij de rekening wordt aangehouden. Bij girale effecten is de rekeninghouder de rechthebbende van een aandeel in het verzamel- en girodepot. Bij emissierechten is de rekeninghouder de rechthebbende van de emissierechten. Met de bijschrijving van girale gelden, girale effecten of girale emissierechten op zijn rekening, neemt de rekeninghouder de betaling in ontvangst. Door het openen van een rekening, geeft de rekeninghouder aan dat hij bereid is om girale betalingen op de rekening in ontvangst te nemen.8
De persoon op wiens rekening bijschrijving plaatsvindt neemt in eigennaam de betaling in ontvangst. Het is niet mogelijk dat een ander dan degene die de rekening aanhoudt, gerechtigd is tot het geadministreerde. Dit volgt voor girale gelden uit het ProCall-arrest,9 en voor girale effecten uit het Kasassociatie/Drying-arrest.10 De enige uitzondering hierop is de kwaliteitsrekening. Bij een kwaliteitsrekening is niet de rekeninghouder, maar zijn de belanghebbenden bij de rekening, de perso(o)n(en) ten behoeve van wie de rekening wordt aangehouden, de (gezamenlijke) gerechtigde tot het geadministreerde. De rekeninghouder houdt de rekening in eigen naam in hoedanigheid aan (art. 25 lid 1 Wn en art. 19 lid 1 GDW). Voor de kredietinstelling waarbij de rekening wordt aangehouden dient duidelijk te zijn dat de rekeninghouder de rekening niet ten eigen behoeve aanhoudt. Blijkens het ProCall-arrest kan een kwaliteitsrekening op grond van art. 25 Wn en art. 19 GDW alleen door notarissen respectievelijk gerechtsdeurwaarders worden aangehouden en (buitenwettelijk) alleen door advocaten en accountants en personen met vergelijkbare beroepen. Voor andere personen is het niet mogelijk een kwaliteitsrekening aan te houden.11
85. De tweede categorie is de levering door bezitsverschaffing van roerende zaken niet-registergoederen, order- en toonderstukken en chartaal geld. De gene die deze goederen in eigen naam in ontvangst neemt, wordt daarvan de rechthebbende, tenzij tussen hem en een ander een rechtsverhouding bestaat die de strekking heeft dat hetgeen hij verkrijgt door hem voor de ander zal worden gehouden. In dat geval houdt hij het ter uitvoering van die rechtsverhouding door hem verkregene voor de ander (art. 3:110 BW).12 Door het in eigen naam in ontvangst nemen van de betaling wordt degene die het goed in ontvangst heeft genomen ten behoeve van de ander de houder van dat goed en wordt de ander rechtstreeks de rechthebbende van dat goed. Bij soortzaken, order- en toonderstukken en chartaal geld waarvan geen administratie wordt bijgehouden, bestaat het gevaar van oneigenlijke vermenging. Als de soortzaken, de order- of toonderstukken of de bankbiljetten en munten van degene die deze in ontvangst heeft genomen, zijn vermengd met dezelfde soort soortzaken, dezelfde soort order- of toonderstukken of bankbiljetten en munten van dezelfde valuta die aan hem toebehoren, kan de rechthebbende, ten behoeve van wie de goederen in ontvangst zijn genomen, niet aanwijzen (en bewijzen) welke goederen van hem zijn. De de gene die de soortzaken, de order of toonderstukken of de bankbiljetten en munten in ontvangst heeft genomen, heeft op grond van het Teixeira de Mattos-arrest13 door de oneigenlijke vermenging te geld en als de rechthebbende van deze goederen. Dit betekent het verlies van de goederen voor de persoon ten behoeve van wie de goederen in ontvangst waren genomen.
86. De derde categorie is de levering van registergoederen, vorderingen op naam, aandelen op naam, intellectuele eigendomsrechten, publiekrechtelijke vermogensrechten en andere goederen die geleverd worden door middel van een akte waarin de naam van de verkrijger moet worden vermeld.14 De persoon die in de akte wordt vermeld, is de verkrijger van het goed.15
87. Uit het voorgaande volgt dat degene die in eigen naam een prestatie in ontvangst neemt, daarvan in beginsel ook de rechthebbende wordt, tenzij hij door bezitsverschaffing roerende zaken niet-registergoederen, order- en toonderstukken of chartaal geld in ontvangst neemt en daarbij geen sprake is van oneigenlijke vermenging. Als de inningsbevoegde derde de opbrengst niet mag behouden, is het de vraag of hij in zijn verhouding tot de schuldeiser bevoegd is om de vordering in eigen naam te innen. Is hij daartoe bevoegd, dan is het vervolgens de vraag of voor de betaling een rechtsgrond bestaat zoals bedoeld in art. 6:203 BW en voor de overdracht van het goed een rechtsgeldige titel zoals bedoeld in art. 3:84 lid 1 BW.16 De rechtsverhouding strekt immers tot verkrijging door de schuldeiser, en niet tot verkrijging door de inningsbevoegde derde.17
Ter toelichting, de levering van een goed is een causale rechtshandeling (art. 3:84 lid 1 BW). Een girale betaling daarentegen is een abstracte rechtshandeling.18 Ontbreekt een rechtsgrond voor een girale betaling, dan is de betaling in beginsel rechtsgeldig. In beide gevallen rust op degene die de geldsom of het goed zonder rechtsgrond heeft ontvangen de verplichting om de geldsom of het goed terug te geven (art. 6:203 BW).19
Voor de beantwoording van beide vragen wordt hieronder aansluiting gezocht bij de rechtsfiguren waarbij een derde andermans vordering in eigen naam uitoefent.