Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/V.3.6.b
V.3.6.b De waarderingsprocedure van art. 343c Wv Flex-BV
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS378559:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie art. 2:251 lid 4 tot en met 7 BWNA:`4. De bevoegdheid tot het instellen van de vordering vervalt indien de vennootschap of een medeaandeelhouder voor het aanhangig maken daarvan aan de aandeelhouder een schriftelijk, onvoorwaardelijk en onherroepelijk aanbod doet om zijn aandelen tegen contante betaling over te nemen. Bij aanvaarding wordt de koopprijs vastgesteld door een of meer door de rechter op verzoek van de meest gerede partij te benoemen deskundigen. Daarbij gaan de deskundigen uit van de waarde van de vennootschap op de dag van aanvaarding van het aanbod. Zij houden rekening met het eventueel door de eiser te lijden fiscaal nadeel. Over het aldus vastgestelde bedrag is wettelijke rente verschuldigd tot aan de dag van voldoening. De kosten van de deskundigen zijn voor rekening van degene die het aanbod heeft gedaan. 5. Degene die het in het vierde lid bedoelde aanbod doet, moet daarbij een termijn voor schriftelijke aanvaarding stellen die niet korter mag zijn dan vier weken en verklaren dat hij onmiddellijk na de schriftelijke aanvaarding zekerheid zal stellen voor de kosten van de deskundigen en de uiteindelijk door hem te betalen bedragen. Artikel 121, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. 6 Op verzoek van de aandeelhouder, die het aanbod heeft aanvaard, kan de rechter bepalen dat de in het vierde lid bedoelde bevoegdheid gedurende een daarbij te bepalen periode herleeft indien de aangeboden zekerheid niet binnen zes dagen wordt gesteld of onvoldoende is, zulks onverminderd de rechten van de aandeelhouder uit het door hem aanvaarde aanbod. 7 Tegen beslissingen van de rechter als bedoeld in dit artikel staat geen hogere voorziening open.
Zie lid 4 van art. 2:251 BWNA. Zie ook Frielink (2006), p. 161-162.
Zoals ik in § 11.2.3 al schreef, is een nieuwe loot aan de stam van de geschillen-regeling de verzoekschriftprocedure van art. 343c Wv Flex-BV. Als de aandeelhouders of de vennootschap overeenstemming hebben bereikt over het uittreden van een der aandeelhouders, maar nog onenigheid hebben over de waarde van de over te dragen aandelen, biedt deze nieuwe bepaling soelaas. Voor deze verkorte of snelle procedure diende de creatieve toepassing van het enquêterecht tot inspiratie.
De Antilliaanse regeling was eveneens een inspiratiebron. Ingevolge art. 2:251 lid 4 BWNA kan aan de aandeelhouder die te kennen heeft gegeven uit te willen treden, een aanbod tot overname van zijn aandelen worden gedaan. Zijn bevoegdheid tot het instellen van de uittredingsvordering vervalt als dit aanbod voldoende serieus is. In plaats daarvan volgen de partijen dan de procedure van lid 4 tot en met 7 van art. 2:251 BWNA.1 Deze verzoekschriftprocedure lijkt overigens weer strikter dan art. 343c Wv Flex-BV. Over de prijs is geen overleg mogelijk: de rechter benoemt de deskundigen en zij gaan uit van de waarde van de vennootschap op de dag van aanvaarding van het aanbod.2
De procedure van art. 343c Wv Flex-BV ziet, kort en goed, enkel op de vaststelling van de waarde van de aandelen ofwel op de koopprijs. Ingevolge lid 3 zijn de bepalingen van de gewone uittredingsregeling zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing. Ik wijs erop dat een wettelijke of statutaire aanbieding sregeling bij de versnelde procedure volgens de toelichting niet gevolgd hoeft te worden. Art. 343a lid 2 Wv Flex-BV is dus niet van rechtswege van toepassing, ook al doet art. 343c lid 3 Wv Flex-BV anders vermoeden. Indien partijen de aanbiedingsregeling niet willen volgen, kunnen zij dit eenparig kenbaar maken aan de rechter. Hij kan vervolgens in zijn beschikking bepalen dat lid 2 van art. 343a Wv Flex-BV niet van overeenkomstige toepassing is. Zwijgen partijen over dit onderwerp, en er is een aanbieding sregeling van kracht, dan zie ik niet in waarom deze regeling niet gevolgd zou kunnen worden. Een addertje onder het gras zit er eventueel in lid 4, op grond waarvan het deskundigenbericht de kracht van een vaststellingsovereenkomst krijgt. Indien de vennootschap geen partij is bij de verzoekschriftprocedure en dus ook geen partij is bij de vaststellingsovereenkomst, is zij dan wel gehouden om de aandelen namens eiser aan te bieden overeenkomstig art. 343a lid 2 Wv Flex-BV? Mogelijk behelst de vaststellingsovereenkomst de uitwerking van de daadwerkelijke overdracht of is de uittredende aandeelhouder zelf degene die de aandelen zal aanbieden conform de aanbiedingsregeling.
Bij de procedure van art. 343c Wv Flex-BV zijn verschillende snelle scenario's denkbaar. Ten eerste kan de rechter de waarde van de aandelen vaststellen. Ook kan hij deskundigen benoemen, die een bericht uitbrengen. Partijen kunnen de inhoud van dit bericht op grond van lid 2 sturen. Deze bepaling lijkt enigszins overbodig, nu op grond van lid 3 jo. art. 343 lid 2 jo. art. 337 jo. art. 340 lid 2 Wv Flex-BV de deskundigen en de rechter een eigen regeling omtrent de waardering zoveel mogelijk moeten volgen, tenzij dit leidt tot een 'onredelijke prijs'. Lid 2 van art. 343c Wv Flex-BV ziet echter ook nog op een andere situatie. Partijen kunnen ad hoc afspraken maken over onder meer de waarderingsmaatstaf, de peildatum of de persoon van de te benoemen deskundige. De rechter moet het eenparige verzoek hieromtrent honoreren of, bij onenigheid, een billijkheidsbeslissing nemen. Ten slotte wijs ik er in dit verband op dat partijen een peildatum kunnen hanteren waartegen de aandelen gewaardeerd moeten worden. Deze datum kan in een ver verleden liggen. Overigens is de billijkheidscorrectie van lid 5 van art. 343 Wv Flex-BV niet mogelijk in de versnelde procedure. De uittredende aandeelhouder doet er dus verstandig aan precies aan te geven tegen welke datum waardering moet plaatsvinden.
De laatste mogelijkheid is de 'supersnelle uittreding'. De partijen verzoeken de rechter een deskundige te benoemen die een deskundigenbericht opstelt. Na de benoeming is de rol van de rechter uitgespeeld. Het deskundigenbericht krijgt vervolgens het karakter van een vaststellingsovereenkomst van art. 7:900 e.v. BW. Dit advies is bindend, bij een tegenvallende uitkomst ofwel een lagere prijs dan gedacht, kan een aandeelhouder niet meer terug. Slechts in bijzondere gevallen is vernietiging van de waardering mogelijk.
De bevoegde rechter in deze verzoekschriftprocedure is niet, in tegenstelling tot hetgeen de verwachting zou zijn, de OK. De rechter van de woonplaats van de vennootschap (art. 336 lid 3 Wv Flex-BV) is bevoegd. Het bevreemdt mij dat de wetgever niet voor de OK heeft gekozen. Haar modus operandi in enquêteprocedures die leiden tot een minnelijke regeling met een aandelenoverdracht is de inspiratie voor deze nieuwe uittredingsvorm. Het blijft daarom de vraag of de aandeelhouders inmiddels niet te vertrouwd te zijn geraakt met de enquêteprocedure en de mogelijkheid om met behulp hiervan een minnelijke regeling te treffen. De versnelde procedure van art. 343c Wv Flex-BV zal zich als een volwaardig alternatief moeten bewijzen.