Einde inhoudsopgave
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/3.5.4.4
3.5.4.4 Komend recht
Chr.M. Stokkermans, datum 28-02-2017
- Datum
28-02-2017
- Auteur
Chr.M. Stokkermans
- JCDI
JCDI:ADS586878:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Tervoort 2013. In deze richting al: Tervoort 2009.
Werkgroep-Van Olffen 2016, concept-wetsvoorstel, art. 14 lid 1. Zie 2.3.6.2.
Werkgroep-Van Olffen 2016, concept-wetsvoorstel, art. 14 lid 3 jo. art. 4 lid 5.
Werkgroep-Van Olffen 2016, concept-wetsvoorstel, art. 2.
Werkgroep-Van Olffen 2016, concept-wetsvoorstel, art. 22 lid 1; zie ook art. 18 lid 1. Gezien de sanctie bij gebruik van de volmacht (art. 22 lid 3), die van dwingend recht is (art. 22 lid 6), zal de werkgroep met art. 18 lid 1 en art. 22 lid 1 (beide van regelend recht, zie art. 2) niet beoogd hebben dat aan een commanditaire vennoot vennootschapsrechtelijke vertegenwoordigingsbevoegd kan worden toegekend.
Zie 3.2.5.2. HGB, art. 170. Zie ook Tervoort 2013, p. 128 over Notgeschäftsführung, en p. 131-132 over organschaftliche vertegenwoordiging.
Vgl. art. 2:239 lid 4 BW, waar aan de ‘uitvoerende macht’ (hier: het bestuur van een BV) een vergelijkbaar blokkaderecht wordt gegeven.
Stokkermans 2015c, par. 3.4.
Over tegenstrijdig belang bij de personenvennootschap, zie mijn noten onder Hof Amsterdam 7 december 2010, JOR 2011/249(LBW/Recreatie Beheer), Hof Den Bosch 2 april 2013, JOR 2013/298(Snackbar De Toerist) en Hof Amsterdam 23 februari 2016, JOR 2016/93(Bastion de Leede). Vgl. over belet en tegenstrijdig belang bij kapitaalvennootschappen: Stokkermans 2013, sub 6.
Werkgroep-Van Olffen 2016, concept-wetsvoorstel, art. 22 leden 3 en 4. In de concept-MvT, p. 109 wordt de krachtens volmacht optredende commanditaire vennoot ten onrechte als ‘onbevoegd’ aangemerkt. Aldus terecht: Van Nuland 2016.
Raaijmakers 1987, p. 12 wees al op de verwantschap tussen art. 2:248 BW en de sanctie op overtreding van het beheersverbod bij de CV.
In het voorstel van de werkgroep-Van Olffen worden het beheersverbod en de op overtreding daarvan gestelde aansprakelijkheidssanctie afgeschaft, zoals eerder bepleit door Tervoort.1 In het werkgroep-voorstel bestuurt de commanditaire vennoot gewoon mee.2 Wel zijn alleen gewone vennoten bevoegd voor rekening van de CV handelingen te verrichten die gelet op het doel van de CV tot haar normale werkzaamheden behoren.3 Deze voorgestelde bepalingen zijn van regelend recht.4 Daarnaast maakt de werkgroep het mogelijk om aan een commanditaire vennoot de bevoegdheid tot vertegenwoordiging van de CV toe te kennen, maar slechts in de vorm van een volmacht.5 Over het waarom van de beperking tot volmachten laat de werkgroep zich niet uit. Mij spreekt de regel aan, omdat zij de gewone vennoot het recht geeft de volmacht in te trekken. Dit sluit aan bij het voorbeeld van de Duitse KG.6 Zo heeft de gewone vennoot, die hoofdelijk voor de CV-schulden is verbonden, tot op zekere hoogte toch nog het laatste woord.7 De regel beperkt enigszins het risico dat een commanditaire vennoot ‘op kosten’ van de gewone vennoot grote risico’s neemt waarvan hij wel in de lusten deelt, maar niet of nauwelijks in de lasten.8
Op de regel dat vennootschapsrechtelijke vertegenwoordigingsbevoegdheid contractueel niet kan worden toegekend aan commanditaire vennoten past m.i. een uitzondering. Ik denk aan het geval van belet of ontstentenis van de beherend vennoot. Een tegenstrijdig belang van de beherend vennoot kan m.i. onder de beletregeling worden geschaard.9 In de praktijk wordt bij het opstellen van CV-overeenkomsten misschien nog onvoldoende nagedacht over belet- en ontstentenisregelingen.
De werkgroep-Van Olffen doet nog een voorstel. Indien het handelen krachtens volmacht door een commanditaire vennoot een belangrijke oorzaak is van het faillissement van de CV, is de commanditaire vennoot jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk voor het bedrag van de schulden, voor zover deze niet door vereffening kunnen worden voldaan.10 Deze regeling herinnert aan artikel 2:248 BW,11 maar wijkt daar in belangrijke mate vanaf. Zo geldt de regeling van de werkgroep niet voor de commanditaire vennoot die zich anders dan met gebruikmaking van een volmacht als feitelijk beleidsbepaler opstelt (vgl. art. 2:248 lid 7 BW). Een toelichting op dit verschil wordt gemist. Zoals ik hierboven heb uitgelegd, zit volgens mij op dit moment heel artikel 2:248 BW (analogisch) in de aansprakelijkheidssanctie van artikel 21 WvK ‘ingebakken’. Met het voorstel van de werkgroep dreigt dit aspect ten onrechte verloren te gaan. Daarom pleit ik voor een regeling in titel 7.13 BW die artikel 2:248 BW analogisch op de CV toepast. De externe bestuurdersaansprakelijkheid voor commanditaire vennoten wordt daarmee op het huidige niveau gehouden. Zij blijft daarmee ook proportioneel ten opzichte van de regeling voor bestuurdersaansprakelijkheid bij de kapitaalvennootschappen.