Einde inhoudsopgave
Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (IVOR nr. 74) 2010/5.4
5.4 Van flexibeler recht naar deregulering?
mr. J.B.S. Hijink, datum 16-09-2010
- Datum
16-09-2010
- Auteur
mr. J.B.S. Hijink
- JCDI
JCDI:ADS576683:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. p. 15-16 van de Nota 'Modernisering van het ondernemingsrecht' waarin wordt opgemerkt dat de vereenvoudiging van het recht voor besloten vennootschappen, waarbij flexibiliteit voorop staat, niet wil zeggen dat er in absolute zin minder regels voor deze vennootschappen zal bestaan.
Timmerman (2004b), p. 2. Zie ook Timmerman (2005), die zijn zorgen uitspreekt dat als onbedoeld gevolg van flexibilisering van het vennootschapsrecht een beroep op de rechter in vennootschapsrechtelijke kwesties waarschijnlijk zal toenemen. Als gevolg daarvan is het jurisprudentiële vennootschapsrecht omvangrijker, ingewikkelder en misschien ook nog wel betrekkelijk knellend geworden.
Vgl. Westerman (2006), p. 137. Zij betwijfelt of wijzigingen in het type voorschriften zullen leiden tot minder en eenvoudigere wet- en regelgeving.
Over dit streven: Schoenmaker/Sebrechts (2006).Positief over de beweging van 'rule-based' naar 'principle-based', wat betreft het toezicht, zijn Schlingmann/Eisma (2006), p. 557.
Schlingmann (2007), p. 106, merkt in dit verband over het omvangrijke begrippenapparaat van de Wft — en de inzichtelijkheid daarvan — op zich niet te wagen aan bespiegelingen over de merites van 'principle-based' of `tule-based' toezicht. Zij vraagt zich echter af of, gegeven de aard van hetgeen geregeld moet worden, niet in beide systemen een dergelijk (omvangrijk) begrippenapparaat nodig zal zijn. Zeer kritisch over de ontwikkeling van 'principle based' regelgeving in het financiële recht is De Serière (2008). Door hem opgemerkt dat er goede reden is om de meer fundamentele vraag aan de orde te stellen of dit type regelgeving voor de financiële sector in Nederland wel het juiste instrumentarium is. Ook Grundmann-van de Krol (2009), p. 174-178 is kritisch. Vletter-van Dort (2009) bepleit wel een meer principle based regelgeving en toezicht. Zie met name p. 33 e.v. Zij bepleit terecht — voor een (meer) solide basis voor het bouwwerk van financiële toezichtswetgeving.
Of de hierboven beschreven wijzigingen in het type voorschriften zullen leiden tot minder, en eenvoudigere, wet- en regelgeving kan worden betwijfeld. Een verschuiving van dwingendrechtelijke wet- en regelgeving naar wet- en regelgeving van regelend recht, of een verschuiving van wetgeving naar rechtersrecht, betekent niet per definitie dat het nieuw ontstane (vennootschap- en effecten)recht eenvoudiger of minder omvangrijk wordt.1 Terecht is in dit verband, specifiek voor het Nederlandse vennootschapsrecht, opgemerkt dat flexibeler recht het recht minder ex ante voorspelbaar en — daardoor — juist ingewikkelder maakt.2 De reden hiervoor is dat flexibeler recht variatie toelaat, ruimte geeft voor partijautonomie en rekening houdt met uiteenlopende omstandigheden. Ook in breder verband is in de literatuur opgemerkt dat het gevolg van de opkomst van resultaatnormen en doelvoorschriften is dat het onmogelijk zal blijken te zijn om tot deregulering te komen.3
Wanneer dit voor ogen wordt gehouden bij beoordeling van het streven van de Nederlandse wetgever om in het Nederlandse effectenrecht de koers van een "rule-based" benadering naar "principle-based" benadering te verleggen4, moet worden gevreesd dat ook de laatstgenoemde benadering de uitdijende omvang van de effectenrechtelijke wet- en regelgeving niet zal kunnen inperken.5 Of de Nederlandse wet- en regelgever, gezien de verder voortschrijdende rol van de Europese Unie op het terrein van het effectenrecht en maximumharmonisatie van Europese regelgeving, llberhaupt (nog) invloed kan uitoefenen op de omvang en mate van gedetailleerdheid van effectenrechtelijke wet- en regelgeving, kan daarenboven worden betwijfeld.