Einde inhoudsopgave
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/2.4.5.2
2.4.5.2 Het uitbrengen van exploten
Chr.M. Stokkermans, datum 28-02-2017
- Datum
28-02-2017
- Auteur
Chr.M. Stokkermans
- JCDI
JCDI:ADS584573:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Wetten van 6 december 2001 (Stb. 2001/580), 18 april 2002 (Stb. 2002/230) en 16 augustus 2002 (Stb. 2002/429), inw.tr. 1 januari 2003 (Stb. 2001/621 en 2002/558). Kamerstukken 26 855.
Art. III van de Wet tot opheffing van het onderscheid tussen handelsdaden en niet-handelsdaden en tussen kooplieden en niet-kooplieden van 2 juli 1934, Stb. 1934/347, inw.tr. 1 januari 1935.
HR 5 november 1976, NJ 1977/586(Moret Gudde Brinkman).
In dit arrest ging het om een vordering tot betaling van f 1044 die in naam van ‘de maatschap Moret Gudde Brinkman, accountants’ was ingesteld tegen ene R.H. Bolhuys. De Hoge Raad oordeelde dat de kantonrechter een onjuiste beslissing had genomen, maar dat het middel dat A-G Van Oosten daartegen in het belang der wet instelde, niet kon slagen.
Biek-arrest, r.o. 3.4.2.
Biek-arrest, r.o. 3.4.3.
Ontwerp-Invoeringswet titel 7.13 BW, art. 3 sub A (wijziging art. 1:10 BW) en art 12 sub A (wijziging van art. 51 Rv); Kamerstukken II 2006-2007, 31 065, nr. 2.
Maeijer 2008, p. 5.
Een onderscheid tussen stille en openbare maatschap kan wel worden gemaakt voor de wijze waarop exploten moeten of kunnen worden uitgebracht. Eerst bespreek ik de openbare maatschap, vervolgens de stille. In de wet en de relevante arresten Moret Gudde Brinkman en Biek komen de termen stille en openbare maatschap overigens niet voor.
Volgens artikel 51 lid 2 Rv geschiedt de betekening van een exploot aan een maatschap die een gemeenschappelijke naam voert, aan het kantoor van die maatschap. Dit is alles wat in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering over de maatschap te vinden is. Deze wetsbepaling geldt sinds de ingrijpende wijziging van het burgerlijk procesrecht die in 2003 van kracht werd.1 Voor een breder zicht op de kwestie moeten enkele stappen in het verleden worden gezet.
Tot 2003 bepaalde artikel 5, eerste lid sub 1 en 2 Rv dat een exploot van dagvaarding onder meer moet behelzen de voornaam, de naam en de woonplaats van de eiser en de naam en de woonplaats van de gedaagde, en dat, indien de eisende of verwerende partij een rechtspersoon of vennootschap is, haar benaming in de plaats van naam en voornaam moet worden uitgedrukt. Tot 1934 stond in die laatste zinsnede niet ‘een rechtspersoon of vennootschap’, maar ‘een corporatie, maatschap of handelsvereniging’.2 De reden voor deze tekstuele wijziging is uiteengezet in het arrest Moret Gudde Brinkman uit 1976.3 Door niet meer te reppen van de maatschap, wilde de wetgever van 1934 tot uitdrukking brengen dat de maatschap, anders dan de VOF, niet als zodanig eisende en verwerende in rechte kan optreden. De wetgever beoogde niet uit te sluiten dat, indien ten behoeve van of ten laste van een maatschap – in wezen door of ten laste van de gezamenlijke vennoten – een vordering in rechte wordt ingesteld, in die gevallen waarin die maatschap op een voor derden duidelijk kenbare wijze onder een bepaalde naam aan het rechtsverkeer deelneemt, in de dagvaarding die naam wordt vermeld in plaats van de namen van de afzonderlijke vennoten.
De tekst van het nu geldende artikel 51 lid 2 Rv ziet slechts op de maatschap als gedaagde partij. Voor de maatschap als eisende partij wordt nog steeds rechtstreeks teruggevallen op de overweging uit Moret Gudde Brinkman.4 Nadat de dagvaarding is uitgebracht, kan de andere partij die wenst te weten door wie of aan wie het exploot in feite is gedaan, verlangen dat de namen en woonplaatsen van de vennoten worden meegedeeld.
In het Biek-arrest uit 2013 memoreert de Hoge Raad dat, zoals aanvaard in het arrest Moret Gudde Brinkman, in de aan een maatschap gerichte dagvaarding kan worden volstaan met vermelding van de naam van de maatschap, indien de gezamenlijke vennoten onder die naam op voor derden duidelijk kenbare wijze aan het rechtsverkeer deelnemen. De schuldeisers van de maatschap hebben dus zowel de mogelijkheid van het aanspreken van de gezamenlijke maten (met de mogelijkheid van verhaal op het maatschapsvermogen) als van het aanspreken van individuele (rechts)personen die ten tijde van het aangaan van de overeenkomst vennoot waren (met de mogelijkheid van verhaal op hun privévermogens).5 Indien blijkt dat bedoeld is de gezamenlijke vennoten te dagvaarden, maar niet alle (rechts)personen zijn gedagvaard die ten tijde van de dagvaarding vennoot waren, behoort de rechter, desverzocht of zo hij het nodig oordeelt dat de niet gedagvaarde maten aan het geding (kunnen) deelnemen, in beginsel gelegenheid te geven om die personen alsnog in het geding te betrekken door oproeping op de voet van art. 118 Rv.6
Bij de stille maatschap ontbreekt een gemeenschappelijke naam en kan in exploten dus niet worden volstaan met de vermelding van een dergelijke naam. De dagvaarding ter zake van rechtsposities die tot het vermogen van een stille maatschap behoren, kan worden uitgebracht door of tegen de gezamenlijke (rechts)personen die ten tijde van de dagvaarding vennoot zijn. Hebben zij een gezamenlijk kantoor, dan kan betekening van een exploot aan dit kantoor geschieden, ook al staat dit niet in artikel 51 lid 2 Rv vermeld. Volgens artikel 1:14 BW heeft een persoon die een kantoor houdt, voor zaken die dat kantoor betreffen mede aldaar woonplaats. Dit geldt ook voor de vennoten van een maatschap die gezamenlijk kantoor houden, ten aanzien van hun gerechtigdheid tot het maatschapsvermogen. Afgezien van het processuele gebruik van de gemeenschappelijke naam bij de openbare maatschap, zie ik per saldo qua procesrechtelijke positie geen verschil tussen stille en openbare maatschap. Aan een verdergaand onderscheid bestaat vanuit procesrechtelijk oogpunt m.i. ook geen behoefte.
Bij het Ontwerp-Maeijer werd voorgesteld in de wet te bepalen dat betekening van een exploot aan een stille vennootschap aan haar woonplaats zou geschieden en dat een stille vennootschap haar woonplaats zou hebben ter plaatse van haar (voornaamste) kantoor.7 Gezegd werd dat hiermee ‘ook de stille vennootschap procesbevoegd’ werd.8 Volgens mij volgt uit de wijze waarop een dagvaarding kan worden uitgebracht nog geen procesbevoegdheid.