Einde inhoudsopgave
Raad zonder raadgevers? (SteR nr. 42) 2018/6.5
6.5 Conclusie
drs. J.W.M.M.J. Hessels, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
drs. J.W.M.M.J. Hessels
- JCDI
JCDI:ADS580360:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
82,1%.
50,2% antwoordt met ‘nee’ op de vraag ‘Beschikt uw gemeente over een “instructie voor de gemeentesecretaris”?’; 49,4% antwoordt ‘ja’ en 0,4% geeft geen antwoord.
17%.
20,6%.
88,5%.
Art. 155 lid 1 GemW.: ‘Een lid van de raad kan het college of de burgemeester mondeling of schriftelijk vragen stellen.’
Art. 169 lid 3 Gemw.: ‘Zij geven de raad mondeling of schriftelijk de door een of meer leden gevraagde inlichtingen, tenzij het verstrekken ervan in strijd is met het openbaar belang.’
Art. 107a lid 1 GemW.: ‘De griffier staat de raad en de door de raad ingestelde commissies bij de uitoefening van hun taak terzijde.’
Art. 33 lid 1 GemW.: ‘De raad en elk van zijn leden hebben recht op ambtelijke bijstand.’
Algemene conclusie uit de uitgevoerde enquête onder alle Nederlandse gemeenten kan zijn, dat veel van deze gemeenten het niet zo nauw nemen met de imperatieve voorschriften uit de Gemeentewet.
Waar nog ruim vier van de vijf1 gemeenten beschikken over de in het tweede lid van artikel 107a van de Gemeentewet voorgeschreven instructie voor de griffier, geeft meer dan de helft2 van de gemeenten aan niet het tweede lid van artikel 103 van de Gemeentewet ten aanzien van de voorgeschreven instructie voor de secretaris te hebben uitgevoerd.
Opmerkelijk is dat ruim een zesde3 van de respondenten aangeeft de bepalingen, die thuishoren in de instructie voor de secretaris te hebben opgenomen in een andere regeling, zoals bijvoorbeeld een concernverordening. Dit is niet in overeenstemming met de letterlijke tekst van de Gemeentewet, maar voldoet wel aan het doel van de bepaling, mits in deze alternatieve regeling de functie van de secretaris als trait-d’union tussen het college van burgemeester en wethouders en de ambtelijke organisatie duidelijk is gepositioneerd.
Ook bij de instructie voor de griffier geven meerdere gemeenten alternatieven aan, maar hier gaat het dan over regelingen als de functieomschrijving of een werkomschrijving. Deze hebben geen status en kunnen dus niet in de plaats treden van de voorgeschreven instructie uit het tweede lid van artikel 107a van de Gemeentewet.
Ook de fractieondersteuning, zoals voorgeschreven in het tweede lid van artikel 33 van de Gemeentewet is niet vanzelfsprekend. In ruim een vijfde4 van de Nederlandse gemeenten is er geen sprake (meer) van ondersteuning van de in de raad vertegenwoordigde groeperingen. En naast deze gemeenten, die vaak uit budgettaire overwegingen de fractieondersteuning uit de begroting geschrapt hebben, hanteren nagenoeg alle andere gemeenten met minder dan 100.000 inwoners een totaalbudget van minder dan € 50.000 voor de gehele gemeenteraad, waardoor van een daadwerkelijke bijdrage aan de inhoudelijke ondersteuning van de raadsfracties nauwelijks sprake kan zijn.
Wat betreft de ambtelijke bijstand is er een ander beeld. Ofschoon veruit de meeste5 gemeenten daadwerkelijk beschikken over de in het derde lid van artikel 33 van de Gemeentewet voorgeschreven verordening, valt op dat veel respondenten met name de verlening van ambtelijke bijstand feitelijk een non-item vinden, dat zelden of nooit tot problemen leidt.
Hierbij is het onderscheid, dat binnen de gemeenten gemaakt wordt tussen ondershandse vragen (informeel; niet op de Gemeentewet gebaseerd en vaak een op een tussen raadslid en wethouder), schriftelijke en mondelinge vragen conform het eerste lid van artikel 155 van de Gemeentewet6 (verbonden met het recht op inlichtingen uit het derde lid van artikel 169 van de Gemeentewet7), technische bijstand door de griffie volgens het bepaalde in het eerste lid van artikel 107a van de Gemeentewet8 en daadwerkelijke ambtelijke bijstand conform het eerste lid van artikel 33 van de Gemeentewet9 vaak flinterdun.
Juist deze verwarring van rechten, plichten en verantwoordelijkheden van en door alle actoren binnen de gemeente (raadsleden, collegeleden, griffiers en ambtenaren) leidt in de praktijk regelmatig tot onduidelijkheid en daarmee een minder goede inhoudelijke ondersteuning van de gemeenteraad dan door de wetgever bedoeld is en tevens tot een moeilijke positie voor de gemeenteambtenaar, die benaderd wordt om de gevraagde bijstand te verlenen.