Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/5.5.2
5.5.2 De verhouding tussen bestuur en doel
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232287:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
J.B. Vegter, ‘Buitenlandse familiestichtingen en het Nederlandse uitkeringsverbod’, WPNR 2016/7103
Quist 2008 noemt het onder omstandigheden een onrechtmatige daad ten opzichte van de gulle gevers van destijds als het doel wordt gewijzigd.
Dit is een belangrijk onderdeel van de testeervrijheid. Zie ook W.G. Huijgen, ‘Het beginsel van de testeervrijheid in het erfrecht’, in: S.C.J.J. Kortmann e.a. (red.), Yin-Yang (Van Mourik-bundel), Deventer: Kluwer 2000, p. 87. Vergelijk ook HR 21 november 1980, NJ 1981/193, m.nt. E.A.A. Luijten (uitsluitingsclausule dwingt); Hof Den Haag 15 december 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:3922, RN 2016/65: ‘De erflater moet erop kunnen vertrouwen dat zijn laatste wil ook daadwerkelijk wordt geëffectueerd’.
Asser/Scholten 1-II 1940/p. 167. Hij trok daaruit echter de – onjuiste – conclusie dat een stichting zonder vermogen niet aan deze rechtsplicht zou kunnen voldoen. De stichting als doelorganisatie, was voor hem, in tegenstelling tot Van der Grinten 1943, onbestaanbaar.
Voor de verantwoordelijkheid van het bestuur voor het bereiken van het doel van een stichting, zie ook Rechtbank Groningen (Voorzieningenrechter) 5 augustus 2011, ECLI:NL:RBGRO:2011:BR4855, JOR 2011/323, m.nt. C.J. Groffen (Stichting Schoorsteen Ezinge). Als het bestuur in ernstige mate te kort schiet in het bereiken van het doel kan dat zelfs tot ontbinding van de stichting leiden, zie Rechtbank Noord-Nederland 22 november 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:4750, JOR 2019/78, m.nt. M.J. van Uchelen-Schipper. In deze uitspraak overwoog de rechtbank ook dat het zaak is de kosten van de vereffening laag te houden omdat het ‘moeilijk naar de (erfgenamen van de) geldgevers te verantwoorden [is] dat het geschonken, gedoneerde en gelegateerde geld wordt gebruikt voor de vereffening’.
Vgl. Rechtbank Limburg 24 juli 2019, ECLI:NL:RBLIM:2019:6873, RN 2019/98.
Uit HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1900, JOR 2018/296, m.nt. D.F. Berkhout, blijkt dat het bestedingsbeleid van het bestuur op verzoek van een belanghebbende door de rechter kan worden getoetst aan testamentaire en statutaire doelen. In geval het bestedingsbeleid in strijd is met artikel 2:298 BW, is de rechtbank zelfs bevoegd de betreffende bestuurder te ontslaan.
Hendriks 1994, p. 111-124.
Vegter schrijft dat mijn visie ten aanzien van uitkeringen afwijkt van de gebruikelijke visie dat de stichting zelfstandig beschikt over haar vermogen in het kader van het voor haar van toepassing zijnde statutaire doel. Het lijkt of Vegter meent dat ik met mijn gedachte dat het doel een verplichting voor het bestuur inhoudt, artikel 2:285 lid 3 BW terzijde schuif.1 Dit is onjuist. Artikel 2:285 lid 3 BW wordt niet terzijde geschoven in mijn visie ten aanzien van het doel als verplichting.
Om dit duidelijk te maken is een nadere beschouwing ten aanzien van de taak van het bestuur nodig. In 4.5 schreef ik dat besturen onder meer bestaat uit het verwezenlijken van het doel van de stichting. Het staat het bestuur van een stichting niet vrij te bepalen of het zal streven naar het verwezenlijken van het doel van de stichting.2 Deze bevoegdheid heeft het bestuur niet, de erflater/oprichter van een stichting bij dode heeft er recht op dat zijn bedoeling wordt uitgevoerd.3 Deze bedoeling ligt opgesloten in het doel van de stichting. Als eerder bleek stond dit Paul Scholten in 1940 helder voor ogen:
‘De zelfstandigheid der organisatie voor een bepaald doel heeft alleen zin, indien daardoor een rechtsplicht ontstaat dit doel na te streven.’4
Vegter meent kennelijk dat het bestuur zelfstandig en geheel vrijelijk beschikt over het vermogen van de stichting in het kader van haar doel. Uit het vorenstaande blijkt dat dit niet juist is. Het bestuur is helemaal niet vrij, het is met handen en voeten gebonden aan het doel. Dit doel roept juist een plicht op. Besturen is een rechtsplicht, net als de last.5 Bij de uitvoering van de deze verplichtingen hoort vanzelfsprekend beleid van de stichting.6 Het is de taak van het bestuur dit beleid te bepalen binnen de grenzen van het doel. Verder gaat de bevoegdheid van het bestuur echter niet. Het doel stelt de grenzen aan de beleidsvrijheid van het bestuur. Doen wat het door de oprichter vastgestelde doel eist, is een plicht van het bestuur.7 Als het doel inhoudt uitkeringen te doen, is het niet aan het bestuur te bepalen of dat wel of niet gebeurt. Het bestuur is de organisator van deze uitkeringen, niet de initiator. Ook Hendriks is de mening toegedaan dat verplichte prestaties op grond van de statuten geen verboden uitkeringen zijn.8
Bedenk dat dit uitsluitend speelt voor zover de uitkering niet verboden is. Dat laatste is het geval als het achterliggende doel is het doen van verboden uitkeringen.