Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/1.2
1.2 De basis: artikel 6 EVRM
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
- Wetingang
art. 6 EVRM
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 24 november 1986, appl.no. 9120/80 (Unterpertinger/Oostenrijk), § 29. In diverse arresten worden deze verdedigingsrechten beschreven als ‘constituent elements’ van het recht op een eerlijk proces. Zie bijvoorbeeld EHRM 12 februari 1985, appl.no. 9024/80 (Colozza/Italië), § 26, EHRM 6 mei 1985, appl.no. 8658/79 (Bönisch/Oostenrijk), § 29 en EHRM 4 november 2008, appl.no. 72596/01 (Balsyte˙ -Lideikiene˙/Litouwen), § 63. Dit is een mijns inziens minder geslaagde formulering, omdat daarmee tot uitdrukking lijkt te worden gebracht dat de in lid 3 genoemde rechten tezamen het recht op een eerlijk proces vormen, terwijl bij schending van ieder van deze rechten het recht op een eerlijk proces geschonden is. De Franstalige versie van artikel 6 lid 3 EVRM maakt de bedoeling van dit lid beter duidelijk. Personen die worden beschuldigd van een strafbaar feit, hebben in het bijzonder (‘notamment’) de vijf genoemde rechten. Zij hebben dus het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 lid 1 en meer in het bijzonder de rechten van lid 3. Zie ook Rozemond 1998, p. 133. De rechten van lid 3 kunnen worden samengevat als het recht om aan de berechting deel te nemen. Zie daarover EHRM 28 november 2013, appl.no. 25703/11 (Dvorski/Kroatië), § 87 en Gaede 2007.
Zie de slotverklaring bij het EVRM. Op onderdelen kunnen verschillen worden vastgesteld tussen de beide versies. Zie daarover § 5.
Trechsel 2006, p. 322-323.
EHRM 25 september 2008, appl.no. 30997/02 (Polufakin & Chernyshev/Rusland), § 188- 210.
EHRM 24 februari 2009, appl.no. 3584/02 (Tarău/Roemenië).
Artikel 6evrm heeft betrekking op het recht op een eerlijk proces. Lid 3 van deze bepaling formuleert enkele verdedigingsrechten, die moeten worden beschouwd als bijzondere aspecten van het moederrecht op een eerlijk proces.1 Onderdeel d van lid 3 garandeert het recht getuigen te ondervragen.
Van het evrm bestaan twee authentieke versies, in het Engels en het Frans.2 In de Engelstalige tekst luidt lid 3, aanhef en onderdeel d:
‘3. Everyone charged with a criminal offence has the following minimum rights:
(d) to examine or have examined witnesses against him and to obtain the attendance and examination of witnesses on his behalf under the same conditions as witnesses against him’.
Het Franstalige equivalent is als volgt geformuleerd:
‘3. Tout accusé a droit notamment à:
d) interroger ou faire interroger les témoins à charge et obtenir la convocation et l’interrogation des témoins à décharge dans les mêmes conditions que les témoins à charge’.
Hoewel ik in dit hoofdstuk dikwijls zal spreken van ‘het ondervragingsrecht’, bevat artikel 6 lid 3 sub d evrm in feite twee rechten: het recht belastende getuigen te (doen) ondervragen en het recht ontlastende getuigen op te (doen) roepen.3 Hoewel beide rechten sterk met elkaar verweven zijn en zij soms naast elkaar van toepassing zijn in een zaak, is het van belang om deze uit elkaar te houden, aangezien de van toepassing zijnde regels verschillen. Wanneer geklaagd wordt over schending van beide rechten, kiest het ehrm er dikwijls voor om de beide rechten afzonderlijk van elkaar te beoordelen.4 Soms past het ehrm in zo’n geval echter een geïntegreerde benadering toe.5