Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/1.3
1.3 Het gebruik van op schrift gestelde getuigenverklaringen voor het bewijs
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
In EHRM 19 december 1990, appl.no. 11444/85 (Delta/Frankrijk), § 32 werd een dergelijke verklaring expliciet aangemerkt als hearsay evidence. Zie over hearsay in het kader van het ondervragingsrecht uitgebreid EHRM (GC) 15 december 2011, appl.nos. 26766/05 & 22228/06 (Al-Khawaja & Tahery/Verenigd Koninkrijk), § 40-87 en 126-151. Roberts 2006 heeft ten behoeve van Nederlandse juristen helder en bondig uiteengezet wat in Engeland en Wales onder hearsay wordt verstaan.
Garé 1994, p. 59-60.
EHRM 10 mei 2005, appl.no. 19354/02 (dec.) (Thomas/Verenigd Koninkrijk), p. 9; EHRM 6 september 2005, appl.no. 66976/01 (dec.) (Hedström Axelsson/Zweden), p. 17.
Zie daarover bijvoorbeeld EHRM(GC) 15 december 2011, appl.nos. 26766/05&22228/06 (Al-Khawaja & Tahery/Verenigd Koninkrijk), § 40-62 en EHRM 3 februari 2009, appl.no. 36892/05 (dec.) (Baybasin/Duitsland), p. 5.
EHRM 20 november 1989, appl.no. 11454/85 (Kostovski/Nederland), § 41; EHRM 6 november 2012, appl.no. 41867/04 (Borodin/Rusland), § 159.
EHRM 10 mei 2005, appl.no. 19354/02 (dec.) (Thomas/Verenigd Koninkrijk), p. 13.
ECRM 7 mei 1987, appl.no. 12045/86 (Blastland/Verenigd Koninkrijk).
EHRM 10 mei 2005, appl.no. 19354/02 (dec.) (Thomas/Verenigd Koninkrijk), p. 13.
Zie ook EHRM 20 november 1989, appl.no. 11454/85 (Kostovski/Nederland), § 43: ‘Furthermore, each of the trial courts was precluded by the absence of the said anonymous persons from observing their demeanour under questioning and thus forming its own impression of their reliability.’ In EHRM 14 januari 2010, appl.no. 23610/03 (Melnikov/ Rusland), § 76 drukte het EHRM zich nog sterker uit: ‘S.’s presence was of crucial importance to enable the court to make an effective assessment of his demeanour and of the reliability of his deposition’. Zie ook EHRM 19 juni 2003, appl.no. 28490/95 (Hülki Günes¸/Turkije), § 92, waarin de noodzakelijkheid van een verhoor ter zitting gelegen was in het feit dat de verdachte tijdens opsporingsonderzoek niet van rechtsbijstand was voorzien. In EHRM 9 juli 2002, appl.no. 37442/97 (dec.) (P.K./Finland), p. 6, benadrukte het EHRM het belang dat de rechter die uiteindelijk de beslissing neemt, heeft waargenomen dat de getuige zijn verklaring aflegde: ‘The Court considers that an important element of fair criminal proceedings is also the possibility of the accused to be confronted with the witness in the presence of the judge who ultimately decides the case.’ Zie ten slotte EHRM 10 mei 2012, appl.no. 28328/03 (Aigner/Oostenrijk), § 42, waaruit blijkt dat ook de mogelijkheid voor de zittingsrechter om het verloop van het verhoor waar te nemen door een videoregistratie daarvan te bestuderen over het algemeen een voor het EHRM acceptabel equivalent is van de waarneming van een getuigenverklaring die ter zitting wordt afgelegd. Is de getuige verstandelijk gehandicapt, dan kan dat anders zijn en kan een verhoor ter zitting in de rede liggen.
EHRM 6 september 2005, appl.no. 66976/01 (dec.) (Hedström Axelsson/Zweden), p. 17; EHRM 12 juli 2007, appl.no. 503/05 (Kovač//Kroatië), § 30.
EHRM 26 juli 2011, appl.nos. 35485/05 e.a. (Huseyn e.a./Azerbeidzjan), § 211. Zie ook EHRM 25 april 2013, appl.no. 51198/08 (Erkapić/Kroatië), § 75.
Zie over deze problematiek uitgebreid Brouwer 2009. Zie over de vraag of een getuige ter zitting zou moeten worden ondervraagd door de verdediging, waarbij gedeeltelijk dezelfde argumenten en tegenargumenten van toepassing zijn, § 2.2.1 van hoofdstuk 4.
Zie daarover uitgebreider § 8.3.
In bepaalde verdragsstaten bestaat in het geheel geen verbod op het gebruik van hearsay evidence, zolang de verklaring maar wel ter zitting wordt voorgelezen. Dat is bijvoorbeeld het geval in Zweden en Noorwegen. Zie EHRM 27 januari 2009, appl.no. 31243/06 (dec.) (Mika/Zweden), § 24 en ECRM 22 oktober 1997, appl.no. 29185/95 (M.A. & B.S./Noorwegen).
EHRM 6 september 2005, appl.no. 66976/01 (dec.) (Hedström Axelsson/Zweden), p. 17.
EHRM 8 februari 2007, appl.no. 25701/03 (Kollcaku/Italië), § 68.
EHRM 27 februari 2001, appl.no. 33354/96 (Lucà/Italië), § 40; EHRM 25 november 2008, appl.no. 8783/04 (dec.) (Plyatsevyy/Oekraïne), p. 8; EHRM 8 april 2003, appl.no. 39470/98 (dec.) (Lindgren/Zweden), p. 7.
EHRM 26 juli 2011, appl.nos. 35485/05 e.a. (Huseyn e.a./Azerbeidzjan), § 211.
EHRM (GC) 23 november 2006, appl.no. 73053/01 (Jussila/Finland), § 41-42 en 47-48.
EHRM 20 november 1989, appl.no. 11454/85 (Kostovski/Nederland), § 41.
EHRM 27 februari 2001, appl.no. 33354/96 (Lucà/Italië), § 40.
EHRM 19 oktober 2006, appl.no. 62094/00 (Majadallah/Italië), § 40; EHRM 5 december 2002, appl.no. 34896/97 (Craxi/Italië), § 87. Zie over het recht op een adversaire procedure § 8.6.4.
De verdediging had hierover geklaagd in EHRM 17 november 2005, appl.no. 73047/01 (dec.) (Haas/Duitsland). De klacht werd kennelijk ongegrond verklaard, hoewel het EHRM vaststelde dat de veroordeling was gebaseerd op een opeenstapeling van hearsay evidence (p. 17). Diezelfde vaststelling kan worden gevonden in EHRM 29 september 2009, appl.no. 15065/05 (dec.) (Dzelili/Duitsland), p. 15.
In zaken waarin het ondervragingsrecht in het geding is, heeft de nationale rechter of jury vaak gebruik gemaakt van een getuigenverklaring die tijdens het voorbereidend onderzoek is afgelegd, doorgaans bij de politie of een onderzoeksrechter, terwijl deze verklaring niet is herhaald tijdens het onderzoek ter terechtzitting. Voor het bewijs wordt dan gebruik gemaakt van de op schrift gestelde getuigenverklaring, die tijdens de zitting wordt voorgelezen. Er is dan sprake van hearsay evidence: bewijs van horen zeggen.1
Volgens het materiële onmiddellijkheidsbeginsel moet de rechter als uitgangspunt kennis nemen van de meest directe bron van het bewijs.2 Er wordt dan wel gesproken van de eis van best evidence.3 Praktisch betekent dit dat geen genoegen mag worden genomen met een proces-verbaal waarin de verklaring van een getuige is opgenomen, maar dat de getuige zijn verklaring tijdens het onderzoek ter terechtzitting zal moeten afleggen. Dit uitgangspunt is terug te vinden in de wetgeving van verschillende verdragsstaten bij het evrm.4 Het ehrm is aanhanger van dit materiële onmiddellijkheidsbeginsel: ‘In principle, all the evidence must be produced in the presence of the accused at a public hearing with a view to adversarial argument’.5 Specifiek ten aanzien van hearsay evidence overwoog het ehrm in zijn beslissing in de zaak Thomas: ‘Article 6 §§ 1 and 3 (d) of the Convention contain a presumption against the use of hearsay evidence against a defendant in criminal proceedings.’6 In deze beslissing haalde het ehrm een overweging aan van de ecrm in de zaak Blastland om aan te geven wat de reden is voor de terughoudendheid ten aanzien van het gebruik van hearsay evidence in juryzaken: ‘The purpose of the rule [het verbod op hearsay evidence/ BW] in the jury trial system is partly to ensure that the best evidence is before the jury, who can evaluate the credibility and demeanour of the witness, and partly to avoid undue weight being given to evidence which cannot be tested by cross-examination.’7 Het constateerde bovendien: ‘The difficulty of assessing the credibility of an account from a written transcript is the rationale of the rule against hearsay evidence’. Het ehrm refereerde in de zaak Thomas instemmend aan het standpunt van de klager, die had betoogd dat het gedrag en de houding van de getuige tijdens het verhoor door de politie niet kan worden beoordeeld op grond van het proces-verbaal. Antwoordde de getuige bijvoorbeeld vaag en twijfelend of zelfverzekerd en vastbesloten?8 De voorkeur van het ehrm voor ter zitting afgelegde getuigenverklaringen is dus in de eerste plaats ingegeven door de gedachte dat de geloofwaardigheid van een getuige beter kan worden beoordeeld wanneer de instantie die de beslissing in de zaak neemt, de getuige zelf kan gadeslaan tijdens het getuigenverhoor.9 In de tweede plaats is ook de verdediging niet in staat het gedrag van de getuige zelf waar te nemen wanneer de getuigenverklaring elders dan ter zitting, buiten het bijzijn van de verdediging, is afgelegd.10 Daarbij komt dat getuigen dikwijls tijdens politieverhoren verklaren. Een getuigenverhoor door de politie beschouwt het ehrm primair als een proces waarbij het openbaar ministerie informatie verzamelt ter voorbereiding van het onderzoek ter terechtzitting. Het openbaar ministerie, dat de afgelegde verklaringen kan inbrengen als bewijsmateriaal, is niet onpartijdig. Een rechter is dat wel.11
De argumenten van het ehrm snijden zeker hout. Het ehrm gaat echter voorbij aan een argument dat in het algemeen juist pleit voor het gebruik van getuigenverklaringen die tijdens het voorbereidend onderzoek zijn afgelegd: op het moment waarop de zitting plaatsvindt is veel meer tijd verstreken sinds de waarneming werd gedaan dan toen de getuige door de politie of onderzoeksrechter werd gehoord. Naarmate meer tijd verstrijkt, mag worden aangenomen dat de herinnering aan de waarneming steeds minder scherp wordt. Dat kan een reden zijn waarom een getuige ter zitting wat aarzelend overkomt. Daarnaast verstrijkt ook tijd tussen het moment waarop de getuigenverklaring ter zitting wordt afgelegd en het moment waarop de rechter of jury een beslissing neemt op basis van die verklaring. Op het moment van beslissen is de herinnering aan de getuigenverklaring minder accuraat geworden. Wanneer een proces-verbaal van de zitting is opgemaakt, kan dat uitkomst bieden. Dat bevat in Nederland echter niet altijd een letterlijke weergave van de getuigenverklaring, waardoor aan de betrouwbaarheid van de opgeschreven verklaring kan worden getwijfeld om dezelfde reden als bij verklaringen die tijdens het voorbereidend onderzoek zijn afgelegd.12
Ondanks zijn terughoudende opstelling, heeft het ehrm het gebruik van hearsay evidence als bewijs niet uitgesloten. Het ehrm laat het vaststellen van de nationale bewijsregels in beginsel over aan de verdragsstaten zelf.13 Aangezien in de meeste, zo niet alle verdragsstaten, hearsay evidence al dan niet onder bepaalde voorwaarden toelaatbaar is als bewijsmateriaal, ligt een absoluut verbod op hearsay evidence niet voor de hand.14 Het ehrm heeft daarvoor dan ook niet gekozen.15 Het meent dat het onder bepaalde omstandigheden noodzakelijk kan zijn om processen-verbaal uit het voorbereidend onderzoek te gebruiken voor het bewijs.16 Zo heeft het ehrm er herhaaldelijk blijk van gegeven begrip te hebben voor de problemen waarmee de opsporingsautoriteiten te maken krijgen, in het bijzonder wanneer getuigen uit angst voor represailles niet tijdens een zitting durven te verklaren.17 In dat geval bestaat een goede reden voor het gebruik van de eerder afgelegde getuigenverklaring. In een algemene overweging in het arrest Huseyn overwoog het ehrm:
‘The Court considers that the notion of a fair and adversarial trial presupposes that, in principle, a tribunal should attach more weight to a witness’s testimony given at the trial hearing than to a record of his or her pre-trial questioning produced by the prosecution, unless there are good reasons to find otherwise. Among other reasons, this is because pre-trial questioning is primarily a process by which the prosecution gather information in preparation for the trial in order to support their case in court, whereas the tribunal conducting the trial is called upon to determine a defendant’s guilt following a fair assessment of all evidence actually produced at the trial, based on the direct examination of evidence in court.’18
Op het eerste gezicht lijkt het ehrm hier een hoge eis te stellen: alleen wanneer daarvoor een goede reden bestaat, mag een tijdens het voorbereidend onderzoek afgelegde getuigenverklaring voor het bewijs worden gebruikt. Die goede reden wordt echter redelijk snel aangenomen. Een getuige hoeft in beginsel niet ter zitting te worden gehoord wanneer de verdediging de geloofwaardigheid van de getuige of de betrouwbaarheid van diens verklaring niet heeft betwist. Daarnaast kan ook de efficiëntie van het strafproces met zich brengen dat een getuige niet ter zitting hoeft te verklaren.19 Het ehrm heeft overigens niet uiteengezet op welke manier het belang van een efficiënte strafrechtspleging mag worden afgewogen tegen het belang bij het ter zitting verklaren door een getuige.
Wanneer een goede reden bestaat voor het gebruik van een verklaring die tijdens het voorbereidend onderzoek is afgelegd, moet dat gebruik wel in overeenstemming zijn met de verdedigingsrechten van artikel 6evrm.20 Het gaat hier in het bijzonder om het ondervragingsrecht21 en het recht om de getuigenverklaring aan te vechten in een adversaire procedure.22 Heeft de verdediging deze rechten niet voldoende kunnen uitoefenen, dan kan dit tot gevolg hebben dat de getuigenverklaring niet aan het bewijs mag meewerken. Wanneer de verdedigingsrechten voldoende zijn gerespecteerd, zullen zelfs bewezenverklaringen die in beslissende mate zijn gebaseerd op schriftelijke getuigenverklaringen, geen schending van het recht op een eerlijk proces opleveren.23