De beursvennootschap, corporate governance en strategie
Einde inhoudsopgave
De beursvennootschap, corporate governance en strategie (IVOR nr. 120) 2020/8.8:8.8 Beantwoording van onderzoeksvragen en slotbeschouwing
De beursvennootschap, corporate governance en strategie (IVOR nr. 120) 2020/8.8
8.8 Beantwoording van onderzoeksvragen en slotbeschouwing
Documentgegevens:
mr. S.B. Garcia Nelen, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. S.B. Garcia Nelen
- JCDI
JCDI:ADS232618:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit proefschrift heb ik de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van het bestuur en van de AV van beursvennootschappen bestudeerd voor zover die van invloed zijn op de onderlinge machtsverhouding tussen deze organen. De onderzoeksvragen zoals geformuleerd in paragraaf 1.2 van dit proefschrift zijn in de loop van deze studie beantwoord. In dit onderdeel vat ik deze antwoorden kort samen.
Hoe wordt de wettelijke bevoegdheidsverdeling tussen het bestuur en de AV binnen structuur van de beursvennootschap gekenmerkt en welke historische ontwikkelingen liggen daaraan ten grondslag?
De wettelijke bevoegdheidsverdeling tussen het bestuur en de AV wordt gekenmerkt door een aanzienlijke machtspositie van de AV. Deze machtspositie is historisch goed te verklaren, aangezien de AV bij het ontstaan van het huidige NV-recht als de hoogste macht werd gezien. In de jaren daarna, tot aan de jaren 1970, is de positie van het bestuur en die van de ondernemingsraad verstevigd, met name door invoering van oligarchische regelingen en beschermingsconstructies, de invoering van het richtsnoer van het vennootschappelijk belang, de structuurregeling, de WOR en de SER Fusiegedragsregels. Vanaf de jaren 1990 leidden verschillende crises, een nadruk op marktwerking en deregulering, de internationalisering van kapitaalmarkten en de daarmee gepaard gaande verschuiving van particulier naar institutioneel aandeelhoudersbezit, tot wetswijzigingen die de positie van de AV weer verstevigden. In het huidige wettelijke standaard-NV-model heeft de AV nog steeds een machtspositie ten opzichte van het bestuursorgaan. In de praktijk wordt die machtspositie bij de beursvennootschap genuanceerd door statutaire regelingen en de invulling van open normen. Meer uitgebreide analyses die ingaan op deze onderzoeksvraag zijn te vinden in de hoofdstukken 2 en 3 van dit proefschrift.
Hoe hebben open normen zich in Nederland ontwikkeld, mede onder invloed van corporate governance-regels, en welke invloed hebben zij op de machtsverhouding tussen het bestuur en de AV?
In het Nederlandse vennootschapsrecht vervullen open normen, zoals het vennootschappelijk belang en de redelijkheid en billijkheid, een grote rol. De uitleg van het begrip vennootschappelijk belang is onderhavig aan accentverschuivingen. Waar eerst de nadruk lag op het belang van de vennootschap, verschoof dit met de structuurregeling naar het belang van de vennootschap en haar onderneming. Tegenwoordig wordt dit begrip, bij vennootschappen met een onderneming, in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming en langetermijnwaardecreatie. Wat dat succes inhoudt kan verschillen per vennootschap. Mijns inziens wordt dit met name bepaald door het vennootschappelijke bestaansdoel (de corporate purpose). De redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW en overige algemene normen dwingen het bestuur zorgvuldigheid te betrachten met betrekking tot stakeholderbelangen. Daarnaast kunnen zij ertoe dwingen dat aandeelhouders bij het uitoefenen van hun rechten in hoge mate rekening houden met het belang van de vennootschap en andere betrokkenen, en dat bevoegdheden van organen worden beperkt of uitgebreid. Ook de wettelijke bestuursbevoegdheid is een open begrip. Sinds duidelijk is dat hieronder ook de strategie en het beleid worden begrepen, lijkt de rol en de autonomie van het bestuur te zijn vergroot. In algemene zin spelen de genoemde open normen een grote rol bij het verkleinen van de negatieve gevolgen van het vennootschapsmodel dat gericht is op de aandeelhouder. Meer uitgebreide analyses die ingaan op deze onderzoeksvraag zijn te vinden in de hoofdstukken 4 en 5 van dit proefschrift.
Wat is de uitwerking van de bevoegdheidsverdeling tussen het bestuur en de AV ten aanzien van strategische onderwerpen in de praktijk, in het bijzonder bij vijandige biedingen en bescherming van beursvennootschappen, activistische aandeelhouders en het convocatie- en agenderingsrecht, en aandeelhoudersgoedkeuring ingevolge artikel 2:107a BW?
In de praktijk gebruiken beursvennootschappen veelal oligarchische regelingen en beschermingsconstructies om de invloed van de AV op de strategie te beperken. Wanneer de omstandigheden dit vereisen, kunnen open normen ook hier een rol spelen. Het bestuursprimaat bij het bepalen van de strategie resulteert in een centrale rol van het bestuur bij openbare biedingen. Op grond van de taakopdracht van het bestuur en de zorgvuldigheidsverplichting met betrekking tot stakeholderbelangen kan bescherming worden toegepast, door het bestuur of door een externe partij. Dit leidt ertoe dat bij veel beursvennootschappen de aandeelhouders niet het laatste woord hebben over een overname wanneer het bestuur daaraan niet wil meewerken. Dat kan anders zijn wanneer de beursvennootschap niet over voldoende bescherming beschikt of wanneer de AV deze bescherming eigenhandig kan afbreken. Het agenderingsrecht van aandeelhouders kan in de praktijk, voor onderwerpen die vallen onder de bevoegdheid van de AV, en zelfs wanneer die zien op de strategie, vrijwel niet worden beperkt door open normen. Bij een convocatieverzoek is daar meer ruimte voor. Wel kunnen oligarchische regelingen ervoor zorgen dat bepaalde bevoegdheden die raken aan de strategie niet kunnen worden uitgeoefend op initiatief van aandeelhouders. De responstijd hoeft door aandeelhouders in beginsel niet gerespecteerd te worden. De voorgestelde wettelijke bedenktijd verstevigt in dat opzicht de positie van het bestuur. Het goedkeuringsrecht van aandeelhouders op grond van artikel 2:107a BW betreft een wettelijke beperking van de bestuursbevoegdheid tot het bepalen van de strategie. Ik heb voorstellen gedaan om de regeling op onderdelen te verbeteren.
Kort gezegd is de uitwerking van de bevoegdheidsverdeling ten aanzien van strategische onderwerpen in de praktijk genuanceerder dan de wettelijke regeling zou doen vermoeden, maar houdt de AV vaak een belangrijke machtspositie. Meer uitgebreide analyses die ingaan op deze onderzoeksvraag zijn te vinden in paragraaf 5.4 en hoofdstuk 6 van dit proefschrift.
Hoe verhoudt het Nederlandse stakeholdermodel zich tot het wettelijke vennootschapsmodel en zijn deze modellen voldoende op elkaar aangesloten, met name waar deze zien op de bevoegdheidsverdeling ten aanzien van strategiebepaling?
Het Nederlandse corporate governance-model is gericht op het bevorderen van het bestendige succes van de onderneming en langetermijnwaardecreatie, waarbij zorgvuldigheid betracht wordt met betrekking tot belangen van stakeholders. Aan financiële belangen van aandeelhouders wordt in beginsel een gelijke waarde toegekend als aan belangen van andere stakeholders. Het realiseren van aandeelhouderswaarde zal in dit model een gevolg zijn van het streven naar een succesvolle onderneming, maar is geen doel op zich. De bevoegdheidsverdeling in het wettelijke vennootschapsmodel gaat uit van een machtspositie van de AV ten opzichte van het bestuur. Hoewel het bestuur primair bevoegd is het beleid en de strategie te bepalen, bepaalt de AV de samenstelling van het bestuur en is de medewerking van de AV of aandeelhouders ook nodig voor het uitvoeren van belangrijke strategische besluiten. Die bevoegdheden van de AV dwingen ertoe dat het aandeelhoudersbelang in de praktijk een aanzienlijke rol speelt bij vennootschappelijke besluitvorming over strategische onderwerpen, ook binnen het bestuur. De AV-bevoegdheden geven zo mede vorm aan het handelen van het bestuur. Een uitgebreide analyse die ingaat op deze onderzoeksvraag is te vinden in paragrafen 7.1 en 7.2 van dit proefschrift.
Wat zijn mogelijke en wenselijke toekomstige ontwikkelingen in de bevoegdheidsverdeling tussen het bestuur en de AV van de beursvennootschap?
Er zijn verschillende manieren om het Nederlandse vennootschapsmodel meer in lijn te brengen met het stakeholdermodel. Deze studie gaat met name in op de bevoegdheidsverdeling tussen het bestuur en de AV. Het is mijns inziens wenselijk dat die bevoegdheidsverdeling wordt aangepast. Zo wordt ruimte gecreëerd voor een integere uitvoering van de taakopdracht van het bestuur, met minder invloed van de AV en daarmee minder nadruk op het aandeelhoudersbelang. Daartoe heb ik voorgesteld om de positie van de AV te wijzigen naar een controlerende functie en de positieve bevoegdheden (die op initiatief van de AV kunnen worden uitgeoefend) om te vormen tot negatieve bevoegdheden (goedkeuringsrechten). Ook kan gedacht worden aan een nieuwe rechtsvorm, een soort stakeholdervennootschap, waarbij de AV bestaat uit vertegenwoordigers van de voor de onderneming relevante stakeholders. Een uitgebreide analyse die ingaat op deze onderzoeksvraag is te vinden in paragrafen 7.3 en 7.4 van dit proefschrift.
Tot slot. De machtsverhouding tussen de organen van de beursvennootschap bepaalt in grote mate welke belangen worden gediend bij besluitvorming over strategische onderwerpen. Indien het zwaartepunt van de balans meer naar de AV hangt, dan zal de uitkomst van de besluitvorming meer bepaald worden door de invloed en belangen van aandeelhouders. Andersom zal het bestuur andere belangen (waaronder potentieel eigen belangen) kunnen betrekken wanneer het zwaartepunt van de balans meer naar het bestuur hangt. Mijn onderzoek wijst erop dat het zwaartepunt van de balans, in het wettelijke model, naar de aandeelhouders hangt. Dat is historisch goed verklaarbaar. Het maakt echter ook dat het voor het bestuur in de huidige tijd lastig kan zijn om te voldoen aan de bestuurstaak en de verantwoordelijkheden van het Nederlandse stakeholdermodel. Open normen bieden hierbij uitkomst, maar de spanningen groeien naarmate de divergentie tussen het governancemodel en het vennootschapsmodel toeneemt. Wetswijzigingen zijn mijns inziens noodzakelijk om het Nederlandse vennootschapsmodel meer in lijn te brengen met het gewenste stakeholdermodel.