Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/2.5.5
2.5.5 Een Wegnahmerecht en de beperkt gerechtigde van de hoofdzaak
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644902:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wittig (2011), p. 143.
§771 lid 1 ZPO: Behauptet ein Dritter, dass ihm an dem Gegenstand der Zwangsvollstreckung ein die Veräußerung hinderndes Recht zustehe, so ist der Widerspruch gegen die Zwangsvollstreckung im Wege der Klage bei dem Gericht geltend zu machen, in dessen Bezirk die Zwangsvollstreckung erfolgt; Wieling, JZ/1985, p. 516; Kretzschmar ZBIBG/1905-1906, p. 10.
Staudinger/C Heinze (2020) BGB §951 Rn 76.
Wieling JZ/1985, p. 516; Kretzschmar, ZBIBG/1905-1906, p. 10 e.v.
Staudinger/C Heinze (2020) BGB §951 Rn 76; Spyridakis (1966), p. 129.
Staudinger/C Heinze (2020) BGB §951 Rn 76.
Wieling (2007), p. 193.
De analoge toepassing van §932 e.v. BGB is van belang bij de beantwoording van de vraag of een afscheidingsrecht tegen de beperkt gerechtigden van de hoofdzaak kan worden ingesteld. Bij de beantwoording van die vraag kan in beginsel een beperkt gerechtigde niet méér beschermd worden dan de eigenaar van de hoofdzaak.1 Als het Wegnahmerecht tegen de eigenaar kan worden ingesteld, dan kan dat ook tegen de beperkt gerechtigde. Bestond het beperkte recht vóór de verbinding, dus ook vóór het ontstaan van het Wegnahmerecht, dan is een afscheidingsrecht mogelijk. De beperkt gerechtigde is dan te vergelijken met een verkrijger om niet. De zaak waarop zijn beperkte recht rust, is door de verbinding uitgebreid met een bestanddeel. Een voorbeeld.
A verpandt zijn gouden ring aan C. Vervolgens zet A een diamant van B in de ring. Aangenomen dat het juweel van B een wezenlijk bestanddeel is geworden van de ring, dan moet C het Wegnahmerecht van B dulden. Indien de pandhouder tot een gerechtelijke verkoop overgaat, heeft B een Drittwiderspruchsklage op grond van §771 Zivilprozessordnung (ZPO) tegen de pandhouder.2
Aangezien de bezwaarde zaak in waarde is toegenomen zonder dat de beperkt gerechtigde dit iets heeft gekost, verdient deze geen extra bescherming tegen het ongedaan maken van de verbinding.3 Gaat de eigenaar van de hoofdzaak (A) failliet, dan heeft B een recht op afscheiding, dat is ook in te roepen tegen C.4
Tegen degene die een beperkt recht heeft verkregen op de hoofdzaak ná de verbinding, werkt het Wegnahmerecht niet, tenzij de beperkt gerechtigde van dit recht op de hoogte was of moest zijn.5
A verpandt zijn gouden ring aan C. Voor de verpanding had A een diamant van B in de ring gezet, hiervan was C niet op de hoogte. Aangenomen dat het juweel van B een wezenlijk bestanddeel is geworden van de ring, hoeft C het Wegnahmerecht van B niet te dulden. C wordt hiertegen beschermd.
Een analoge toepassing van §932 BGB brengt dit mee. De beperkt gerechtigde kan de afscheiding blokkeren. Is een bestanddeel toch afgescheiden, dan blijft het zekerheidsrecht ook daarop rusten: door de afscheiding ontstaat een tweede zekerheidsrecht, afgeleid van het zekerheidsrecht dat op de hoofdzaak rust.6 Kortom, een recht op afscheiding moet, wil men het met succes instellen, eerst de toets van §932 BGB doorstaan.
Tussenconclusie
Belangrijke pijlers in het Duitse zakenrecht zijn het beschermen van de zaakseenheid, de rechtszekerheid en de continuïteit van zakelijke rechten. Een zaakseenheid mag alleen worden ontmanteld als daar gegronde redenen voor zijn. Een reden hiervoor ontstaat als een zakelijk recht door natrekking teniet is gegaan. Daarom zijn de Wegnahmerechte in het BGB opgenomen, die als doel hebben om het ongerechtvaardigde rechtsverlies door natrekking terug te draaien en de oorspronkelijke eigenaar wederom eigenaar te maken van de nagetrokken zaak. Daarmee wordt de zakenrechtelijke draad van vóór de verbinding weer opgepikt. De natrekking blijkt dan toch niet het definitieve eindstation van zakelijke rechten te zijn zoals zij op voorhand leek.
Niet iedereen die zijn eigendomsrecht door natrekking heeft verloren, heeft echter een Wegnahmerecht, maar slechts degenen die in de wet zo’n recht krijgen toegewezen. Het BGB kent afscheidingsrechten die ontstaan uit een contract en die ontstaan uit de wet. De wegneemrechten die expliciet in de wet zijn genoemd hebben met elkaar gemeen dat alle gerechtigden “toegang” tot de hoofdzaak hebben. De huurder, de vruchtgebruiker en de bezitter hebben de feitelijke macht over de zaak. Een discussie in de literatuur bestaat of ook een ius tollendi toekomt aan degene die geen “toegang” tot de zaak had. Een leverancier ziet zijn eigendomsvoorbehoud teniet gaan op het ogenblik dat zijn geleverde zaken worden nagetrokken. Hij heeft de hoofdzaak niet in zijn bezit. Het BGH heeft hem (vooralsnog) een wegneemrecht ontzegd, waardoor met de natrekking een definitief eindpunt van zijn zakenrechtelijke positie is bereikt.
De wegneemgerechtigde draagt de kosten van de afscheiding. Hiermee wordt voorkomen dat hij de wegname nodeloos vordert. Dit vereiste beoogt de zaakseenheid te beschermen. Alvorens de vruchtgebruiker de hoofdzaak teruggeeft aan de bloot-eigenaar, kan hij de door hem toegevoegde zaken afscheiden. Is de in vruchtgebruik gegeven zaak vóór deze afscheiding al teruggegeven aan de bloot-eigenaar, dan moet deze de verwijdering dulden.
Na de afscheiding wordt de wegneemgerechtigde en niet de eigenaar van de hoofdzaak eigenaar van het afgescheiden bestanddeel. Pas dan is de natrekking volledig teruggedraaid. Maar de hoofdregel van §953 BGB luidt dat op de afgescheiden bestanddelen dezelfde zakelijke rechten komen te rusten die op de hoofdzaak rusten. Aangezien het Duitse recht geen slapende eigendomsrechten kent, rijst de vraag hoe de uitzondering op de hoofdregel mogelijk wordt gemaakt? Het antwoord: de wegneemgerechtigde heeft niet zozeer een Aneignungsrecht naast het Wegnahmerecht, sterker nog zoals we in de volgende paragraaf zullen zien, komt het afscheidingsrecht uit dit recht voort:
“Das Wegnahmerecht ist ein Bestandteil des Aneignungsrechts, es folgt aus diesem.”7