Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/II.2.1.b
II.2.1.b Het rapport van de Commissie Vennootschapsrecht
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS380982:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Rapport Cie Vennootschapsrecht (1975), p. 6.
Rapport Cie Vennootschapsrecht (1975), p. 9. Idem Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 9. Ten tijde van het verschijnen van het Rapport was vernietiging van besluiten mogelijk wegens strijd met ongeschreven normen van de goede trouw, vgl. art. 2:11 (oud) BW. De term 'goede trouw' is, in overeenstemming met de terminologie van het nieuwe BW, vervangen door 'redelijkheid en billijkheid', zie thans ark 2:15 BW. Zie Parl. Gesch. Aanpassing BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 165-175.
Zie Rapport Cie Vennootschapsrecht (1975), Bijlage I.Bijlage II behelsde de artikelsgewijze toelichting.
Advies RMK (1976). De Raad heet tegenwoordig de Raad voor het Zelfstandig Ondernemerschap (RZO).
Advies RMK (1976), p. 9-11. De laatste motivering vind ik vreemd. Ook een rechter kan het werknemersbelang in zijn oordeel betrekken. Het idee van een wettelijk bijgestuurd overleg werd door de minister in het wetsvoorstel verworpen. Een deskundigenadvies en bemiddeling hielpen in de meeste gevallen niet meer. Zie Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 14. Idem Westbroek (1985/1), p. 714.
Rapport Gecombineerde Cie (1978).
Nota NGB (1978), p. 2-3.
Zie Lubbers en Scholten (1971), p. 27-28. Het betrof (a) ontslag en benoeming bestuurders en commissarissen; (b) bevel tot verkoop of aankoop van aandelen en certificaten; (c) bevel tot (de) certificering of wijziging administratievoorwaarden; (d) bevel tot statutenwijziging; (e) ontbinding; en (f) een combinatie van deze bevoegdheden. In ieder geval moest de rechter deskundigen kunnen horen. Zie voor commentaar op mogelijkheid (a): Slagter (1976), p. 118.
Lubbers (1975), p. 125-127.
Slagter (1976), p. 118. Zie voor commentaar eveneens Slagter (1984), p. 19-32.
Zie ook het enigszins sceptische commentaar van Boetje (1975), p. 538-539. Een nadeel was volgens hem de hoge kosten waarmee de aandeelhouders bij uitstoting en uittreding geconfronteerd werden. Hij dacht ook dat bij de uittreding de 'beklemde' aandeelhouder de aandelen niet van harte van de hand zou doen. Boetje maakte hier een denkfout. Het is namelijk die 'beklemde' aandeelhouder die overname van zijn aandelen vordert. Wil hij zijn aandelen niet van de hand doen, dan stelt hij geen vordering in. Voorts was de kennisneming door de OK van de procedure volgens Boetje 'niet zo nodig' wanneer de door de Commissie Vennootschapsrecht ontworpen regeling niet 'wezenlijk' werd gewijzigd. Deze redenering van Boetje kan ik niet goed volgen. Meende hij dat de deskundigheid van de OK voor geschillenregelingprocedures 'niet zo nodig' is?
De Commissie Vennootschapsrecht overhandigde bij brief van haar voorzitter, W.C.L. van der Grinten, in 1975 het 'Rapport betreffende invoering van een geschillen-regeling bij de besloten vennootschap' aan de Minister van Justitie. Uitgangspunt van het rapport was het aandragen van alternatieven voor de ontbinding wegens gewichtige redenen, het ultimum remedium.1 De Commissie Vennootschapsrecht concludeerde dat een wettelijke geschillenregeling een nuttige aanvulling zou zijn op de reeds bestaande regelingen, met name de vernietiging van besluiten van organen van de vennootschap (art. 2:14 (oud) BW) en het enquêterecht.2 Het vernietigen van besluiten van de algemene vergadering van aandeelhouders bood geen definitieve uitkomst. Een continue stroom van vernietigde besluiten leidde niet tot een structurele oplossing van een geschil. En al waren er gevallen denkbaar, waarin aandeelhouders op grond van zowel de geschillenregeling als het enquêterecht ageerden, de beide regelingen kenden een ander uitgangspunt. Bij de geschillenregeling was niet het vennootschappelijk beleid in het geding, maar de positie van de aandeelhouder. Laatstgenoemde 'misdroeg' zich tegenover de vennootschap, of medeaandeelhouders `misdroegen' zich tegenover hem.
De Commissie Vennootschapsrecht trok uit dit alles de conclusie dat invoering van een geschillenregeling in Nederland aanbeveling verdiende. Zij had eveneens enkele bepalingen ontworpen voor drie rechtsmiddelen. Ten eerste was de ontbinding door de rechter op grond van gewichtige redenen mogelijk. Deze voorziening had in de BV-wetgeving immers geen plaats gekregen. Het tweede rechtsmiddel was de uitstoting. De aandeelhouder die door zijn gedraging het belang van de vennootschap schaadde, mocht een bevel tot overdracht van zijn aandelen verwachten. Ten slotte kon een aandeelhouder ook 'uit de vennootschap treden'. Een rechter moest de overname van zijn aandelen bevelen, indien de aandeelhouder door de vennootschap dan wel een of meer andere aandeelhouders in zijn rechten en belangen werd geschaad.3
Het Rapport van de Commissie Vennootschapsrecht bracht de pennen in beweging. De RMK adviseerde in 1976 langs de lijnen van zijn eerdere advies uit 1970.4
De in 1976 geuite bezwaren van de RMK betroffen vooral de delen van de door de Commissie Vennootschapsrecht ontworpen geschillenregeling die afweken van zijn ontwerp uit 1970. Het 'hoofdbezwaar' betrof het ontbreken van een voorstadium van `bijgestuurd overleg' (de eerste fase van het ontwerp uit 1970). In 1976 was de RMK nog steeds van mening dat de tussenschakel van het deskundigenadvies in verband met de zeer gecompliceerde problematiek binnen de BV invoering verdiende. Het was niet goed direct een rechter in te schakelen. Hij was volgens de RMK 'minder toegerust om zich intensief bezig te houden met het opsporen van de alternatieven en de details van de goede oplossingen voor bepaalde gevallen'. De RMK verwachtte dat de rechter toch een comparitie van partijen gelastte of een deskundigenrapport zou vragen. Voorts hechtte het midden- en kleinbedrijf veel waarde aan het oplossen van moeilijkheden in eigen kring. Ook waren de belangen van de werknemers meer gebaat bij een deskundigenadvies.5
Nog twee instanties brachten advies uit over het voorstel van de Commissie Vennootschapsrecht. De Gecombineerde Commissie maakte de algemene opmerking dat zij zich kon verenigen met de invoering van een geschillenregeling en de opzet en de inrichting zoals die door de Commissie Vennootschapsrecht waren bedacht. Haar grootste punt van kritiek betrof de ingewikkelde prij sbepaling.6 Ook het NGB achtte het zinvol dat er een wettelijke geschillenregeling kwam. Hij dacht dat in familiebedrijven, veelal ondergebracht in BV's, de onenigheid tussen aandeelhouders een goede werking van de door de vennootschap gedreven onderneming belemmerde. Deze onenigheid had bovendien een verlammende invloed op de leiding van de vennootschap, omdat de aandeelhouders niet zelden tevens directeur waren.7
Het ontwerp van de Commissie Vennootschapsrecht werd eveneens in de literatuur uitgebreid besproken. Lubbers betreurde het dat in het ontwerp niet was voorzien in een ruimer scala van bevoegdheden voor de OK. Hij bleef voorstander van de toekenning van een zestal rechterlijke bevoegdheden die hij reeds in zijn preadvies had opgesomd.8 Hij merkte op dat de feitelijke uitvoering van een uittreding of uitstoting afhankelijk was van de fmancieringsmogelijkheden van de BV of van haar aandeelhouders.9 Slagter was net als Lubbers voorstander van de mogelijkheid van certificering. Certificering voorkwam dat een onaangename keuze moet worden gemaakt tussen uitstoting, uittreding of ontbinding.10 Ik signaleer dat het ontwerp van de Commissie Vennootschapsrecht voor het laatste geval voorzag in een ontsnappingsmogelijkheid. De rechter behoefde de ontbinding niet uit te spreken indien zwaarwegende belangen zich hiertegen verzetten. Het belang van de met de vennootschap verbonden onderneming kon dermate zwaar wegen, dat de ontbinding tot onevenredig zware schade leidde.11