Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/12.2.0
12.2.0 Introductie
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS455345:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Memorie van toelichting Tweede Kamer. Kamerstuknr. 24 761. nr. 3, blz. 10-12.
Zie J.E.A.M. van Dijck, Bijzondere tarieven in de Wet op de inkomstenbelasting, Fed fiscale brochures, 2e druk, blz. 18-19, Fed, Deventer, 1997.
Memorie van antwoord Tweede Kamer, Kamerstuknr. 5380, blz. 18 lk en blz. 59.
Dit geldt overigens niet alleen voor de aanmerkelijkbelanghouder, maar voor iedere aandeelhouder in een vennootschap, ongeacht of sprake is van een aanmerkelijk belang of niet. Dit zou betekenen dat het bijzondere tarief van 25% niet alleen zou moeten gelden voor aanmerkelijkbelanghouders, maar ook voor niet-aanmerkelijkbelanghouders. In hoofdstuk 14 wordt in onderdeel 14.2.1 nader op deze kwestie ingegaan.
Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 5 en blz. 11-12.
De techniek van de bijzondere tarieven is zodanig dat deze pas aan de orde komen, zodra de (met ingang van 1 januari 1999) eerste en tweede tariefschijf, waarin mede de premies volksverzekeringen zijn verdisconteerd, zijn overschreden. Tot de tweede tariefschijfgrens gelden ook voor aanmerkelijkbelanghouders de normale tabeltarieven van 35,75% (1999) en 37,05%o (1999). Hoewel deze techniek in het algemeen als bevredigend kan worden beschouwd, rijst de vraag of dit ook het geval is met betrekking tot aanmerkelijkbelanghouders. Ook voor zover de eerste en tweede tariefschijf niet wordt overschreden, is immers sprake van een voordruk van vennootschapsbelasting, zodat tezamen met de vennootschapsbelasting voor aanmerkelijkbelanghouders de cumulatieve belastingdruk in de eerste en tweede tariefschijf 58,25%> (afgerond) resp. 59%j (afgerond) bedraagt. Pas boven de tweede tariefschijfgrens bedraagt het cumulatieve belastingtarief voor aanmerkelijkbelanghouders 51,25%o. Bij afwezigheid van overig inkomen - hetgeen door de gebruikelijke-inkom-stenregelingen van art. 12a Wet LB en art. 24, vierde lid. Wet IB in aanmerkelijkbelangsituaties waarschijnlijk niet veel zal voorkomen overigens - is voor aanmerkelijkbelanghouders dus sprake van een degressieve belastingheffing in plaats van een progressieve belastingheffing. De vraag rijst dan of er overwegende bezwaren zijn om voor aanmerkelijkbelanghouders het proportionele aanmerkelijkbelangtarief van 25%) ook te laten gelden voor zover de eerste en/of tweede tariefschijf niet wordt overschreden. Voorts moet worden bedacht dat ook voor ondernemers in de inkomstenbelasting die niet worden geconfronteerd met de voordruk van vennootschapsbelasting, het belastingtarief in de eerste en tweede tariefschijf'slechts' 35,75%) resp. 37,05%. bedraagt. Niet valt in te zien waarom het eerste en tweede schijftarief voor aanmerkelijkbelanghouders hoger moet zijn.
Suggesties van de PvdA-fractie in de Tweede Kamer om tot een hoger aanmerkelijkbelangtarief van bijvoorbeeld 30%> te komen, zijn door de staatssecretaris van Financiën afgewezen. Nota naar aanleiding van het verslag Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 7, blz. 6.
Verbazing wekt dan ook de reactie van de staatssecretaris van Financiën op een ter zake door mevrouw Giskes (D66-fractie) tijdens het wetgevingsoverleg in de Tweede Kamer gestelde vraag om alle aftrekbare kosten - en niet alleen de renten van overbedelingsschulden en zgn. reële bedrijfsovernemingsschulden (zie hoofdstuk 6, onderdeel 6.3) - in aanmerking te nemen tegen het normale tabeltarief van maximaal 60%, Verslag van het wetgevingsoverleg Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 26, blz. 40. Volgens de staatssecretaris van Financiën zou dit (geringe) verschil tussen het normale tabeltarief van maximaal 60%> en het aanmerkelijkbelangtarief van (cumulatief) 51,25%o maar constructies uitlokken, maar hiertegenover kan worden gesteld dat dan kennelijk het aanmerkelijkbelangtarief van 25% op een te laag niveau is vastgesteld. Zie voorts ook de nota naar aanleiding van het verslag Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 7, blz. 10 alsmede de discussie in de Eerste Kamer, Handelingen Eerste Kamer, Kamerstuknr. 24 761, blz. 11-456 Ik, mk. Zie verder R.H. de Vries die de angst van de staatssecretaris van Financiën inzake de manipulatiemogelijkeden van een progressieve rente-aftrek niet deelt, R.H. de Vries, De aftrekbaarheid van financieringsrente bij bedrijfsovername. WFR 1997/6266, blz. 1538-1539.
In dezelfde zin L.G.M. Stevens, Herbezinning op rente. WFR 1997/6235, blz. 319-320. Zie tevens W. Brink, Fiscale aspecten van bedrijfsopvolgingen vanaf 1 januari 1997, MBB juli/augustus 1997, blz. 232.
Vgl. HR 22 juli 1985, BNB 1986/234.
In deze zin de nota naar aanleiding van het verslag Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 7, blz. 58.
Zoals in de voorgaande hoofdstukken reeds meermalen is opgemerkt, worden sedert 1 januari 1997 alle voordelen van aanmerkelijkbelangaandelen en -winstbewijzen - zowel de reguliere voordelen als de vervreemdingsvoordelen - belast tegen het proportionele tarief van 25%, voor zover de belastbare som uitgaat boven het bedrag van de (met ingang van 1 januari 1999) tweede tariefschijf (art. 57a Wet IB).1 Tot 1 januari 1997 werd een aanmerkelijkbelanghouder met een scala aan tarieven geconfronteerd, variërend van 10% in geval van een fiscale herkapitalisatie tot maximaal 60% in geval van een reguliere dividenduitkering, afhankelijk van de juridische vorm waarin de winstreserves van de vennootschap werden genoten (zie hoofdstuk 3, onderdeel 3.2.2). Zoals in hoofdstuk 3, onderdeel 3.4 is aangegeven, hebben deze grote tariefsverschillen in het tot 1 januari 1997 geldende regime op grote schaal geleid tot tariefsarbitrage, waarvan de holding- en kasgeldconstructies de meest pregnante uitdrukking vormden. Aan deze tariefsarbitrage is met ingang van 1 januari 1997 een eind gekomen doordat alle voordelen van aanmerkelijkbelangaandelen en -winstbewijzen naar hetzelfde tarief van 25%> worden belast. Hiermee is in de sfeer van het aanmerkelijk belang overigens wel aan één van de grondgedachten van het bijzondere tarief, t.w. het inkomenszwakke' karakter van de aan het bijzondere tarief onderworpen inkomsten, komen te ontvallen2, nu niet alleen de gedurende een veelheid van jaren opgebouwde vervreemdingsvoordelen tegen het bijzondere tarief van 25% worden belast, maar tevens de eventueel jaarlijkse reguliere dividenduitkeringen.
Bij de invoering van de Wet IB werd het tot 1 januari 1997 geldende bijzondere aanmerkelijkbelangtarief van 20% gefundeerd op twee overwegingen:3
voordelen behaald met de vervreemding van aanmerkelijkbelangaandelen bezitten een zeker kapitaalelement en kunnen aldus als inkomenszwak worden aangemerkt;
een hoger aanmerkelijkbelangtarief zou de overdracht van aanmerkelijkbelangaandelen die op grond van niet-fiscale, zakelijke motieven nodig zijn in belangrijke mate belemmeren.
Ten aanzien van het als tweede genoemde argument hebben met name de holding- en kasgeldconstructies juist het tegendeel laten zien. Het grote tariefs-verschil tussen een reguliere dividenduitkering van maximaal 60% en een vervreemdingswinst van 20%> heeft juist onzakelijke, louter door fiscale motieven ingegeven aandelenoverdrachten in de hand gewerkt. Uit het eerste argument spreekt nog duidelijk de in elk geval nog formeel aan de huidige Wet IB ten grondslag liggende bronnenleer, nl. dat baten die mede worden veroorzaakt door buiten de bron liggende oorzaken en daarmee in beginsel een inbreuk vormen op de algemene bronnenleer, naar een gematigd tarief moeten worden belast. Zoals ik in hoofdstuk 4, onderdeel 4.5 heb uiteengezet, kan niet langer worden gezegd dat aan de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling nog de objectieve bronnenleer ten grondslag ligt, zij het dat op onderdelen in met name de reguliere voordelen nog rudimenten van dit oude systeem zijn te ontwaren. De nieuwe aanmerkelijkbelangregeling is veel meer in subjectieve richting opgeschoven, waarbij het gemiddeld op de (desbetreffende) aandelen gestorte kapitaal hooguit nog incidenteel en dan alleen nog in de categorie reguliere voordelen, een rol speelt. Dit betekent dat in de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling mijns inziens geen goede argumenten meer aanwezig zijn om de vervreemdingsvoordelen tegen een lager tarief te belasten dan de reguliere voordelen, zoals dat tot 1 januari 1997 nog het geval was. Om bij voorbaat nieuwe tariefsarbitrage te voorkomen, is een uniform tarief voor zowel de reguliere dividenduitkeringen als de vervreemdingsvoordelen naar mijn mening heel wel te rechtvaardigen.
Dat het bijzondere tarief voor de voordelen uit aanmerkelijkbelangaandelen op een lager niveau dan het maximale inkomstenbelastingtarief van 60%n is vastgesteld, wordt gemotiveerd vanuit de gedachte dat de inkomstenbelastingdruk over de (reguliere en vervreemdingsjvoordelen van aanmerkelijkbelangaandelen niet de enige belastingdruk is die de aanmerkelijkbelanghouder economisch draagt. De vennootschapsbelasting die op het niveau van de vennootschap wordt geheven, drukt uiteindelijk economisch eveneens op de aandeelhouder in de vennootschap (zie hoofdstuk 2, onderdeel 2.3).4 Door op het niveau van de aandeelhouder deze voordruk vennootschapsbelasting te verdisconteren, past het om de voordelen van aanmerkelijkbelangaandelen tegen een lager tarief dan het normale tabeltarief van maximaal 60% in aanmerking te nemen.5 Hierbij kan worden geconstateerd dat het huidige aanmerkelijkbelangtarief van 25%) achterblijft bij het maximale inkomstenbelastingtarief van 60%. Tezamen met de vennootschapsbelasting bedraagt de belastingdruk op de voordelen van aanmerkelijkbelangaandelen cumulatief immers ^'slechts' 51,25%o - voor zover de (met ingang van 1 januari 1999) tweede tariefschijf wordt overschreden6 -zodat voor aanmerkelijkbelanghouders het maximale inkomstenbelastingtarief van 60%) sedert 1 januari 1997 de facto is afgeschaft en is vervangen door een tarief van 51,25%.7 Uitgaande van het primaat van de progressieve tariefstructuur in de inkomstenbelasting met een tarief van maximaal 60%o is dit mijns inziens een onbevredigende situatie (zie uitgebreider hoofdstuk 14, onderdeel 14.4.6).
Het proportionele aanmerkelijkbelangtarief van 25%> heeft als ander belangrijk effect dat kosten met betrekking tot voordelen uit aanmerkelijkbelangaandelen met ingang van 1 januari 1997 de facto eveneens slechts tegen een tarief van 25% in aftrek kunnen worden gebracht. Technisch werkt de kostenaftrek in de aanmerkelijkbelangregeling uit als een verlies uit aanmerkelijk belang dat op de voet van art. 60 Wet IB tegen het tarief van 25% kan worden verrekend met de inkomstenbelasting die over het overige inkomen is verschuldigd (zie hoofdstuk 10, onderdeel 10.2). Dit is erg onbevredigend, aangezien voor deze kosten niet het argument geldt dat hierop nog een voordruk vennootschapsbelasting van 35%) drukt.8 Mijns inziens had voor de kosten met betrekking tot voordelen van aanmerkelijkbelangaandelen aftrek tegen het normale tabeltarief van maximaal 60%o moeten worden gehandhaafd (of eventueel op 51,25%) moeten worden gesteld).9 Voor de volledigheid merk ik nog op dat de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling op deze kostenaftrek tegen de facto het 25%>-tarief twee uitzonderingen kent, t.w. de renten van overbedelingsschulden en de renten en kosten van reële bedrijfsovernemingsschulden (zie hoofdstuk 6, onderdeel 6.3).
De kostenaftrek tegen het aanmerkelijkbelangtarief van 25% geldt weer niet voor de tot een aanmerkelijk belang behorende schuldvorderingen, aangezien schuldvorderingen alleen voor wat betreft de vervreemdingsvoordelen tot het aanmerkelijk belang worden gerekend en niet voor wat betreft de reguliere voordelen. Voor de reguliere voordelen is de bron 'inkomsten uit vermogen' relevant (gebleven), zodat de met deze voordelen samenhangende kosten op de voet van art. 35 Wet IB aftrekbaar zijn tegen het normale tabeltarief van maximaal 60%. Dit komt met name tot uitdrukking bij renten van schulden en kosten van geldleningen ter financiering van aanmerkelijkbelangschuldvorderin-gen. Aangezien de uit de schuldvordering getrokken voordelen tot de inkomsten uit vermogen behoren, kunnen de daartegenover staande betaalde renten wegens de financiering van die schuldvordering ook volgens het maximale 60%-tarief in aanmerking worden genomen. De renten van schulden en kosten van geldleningen ter financiering van aanmerkelijkbelangschuldvorderingen behoeven aldus niet (voor een deel) te worden toegerekend aan de vervreemdingsvoordelen. Indien eenmaal vaststaat dat een schuld is aangegaan tot financiering van inkomsten opleverende vermogensbestanddelen, moet de rente in haar geheel worden geacht te strekken tot verwerving van die belaste inkomsten.10 Er behoeft aldus geen splitsing plaats te vinden.11