Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/12.2
12.2 Wiarda’s methode voor lastig liggende gevallen
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS583955:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Met ‘transsubjectieve inslag’ bedoelde Wiarda, uitgedrukt met een treffend citaat van P. Scholten, dat de uitspraak van de rechter niet slechts “zijn eigen rechtsgevoel bevredigt, maar tegelijk tegenover het rechtsbewustzijn van de kring waarvoor zij bestemd is, verantwoord is.” Zie: Wiarda/Koopmans 1999 p. 83, 84.
Wiarda/Koopmans 1999, p. 107.
Zie hierover § 1.3.
Zie § 8.3, 9.3.4, 10.3 en 11.3.
Situaties waarin tussen de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis en daardoor veroorzaakt letsel en jaren later veroorzaakt vervolgletsel zullen zich, naar mij voorkomt, tegenwoordig nauwelijks tot toerekeningsproblemen leiden omdat de verzekeraar van de laedens veelal de schade zal willen afwikkelen en daarbij finale kwijting zal bedingen.
BGH 24 april 1952, NJW 1952, 1010.
Zie nr. 501.
512. Wiarda heeft, in de context van de beoordeling of in een concrete situatie een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm kan worden aangenomen, geschreven:
“Er is een ondoorzichtig gebied, waarin een evident juiste oplossing zich slechts zelden aandient en een algemene rechtsovertuiging veelal ontbreekt. De rechter zal daar zijn weg moeten vinden. Er bestaat geen mogelijkheid om hetgeen uit de aard der zaak onzeker is, in zekerheid te doen verkeren. Er is echter wèl een methode te ontwikkelen die de onzekerheid vermindert en die kan leiden tot een wijze van beoordeling die meer is dan een intuïtieve greep en die de objectieve, zo men wil ‘transsubjectieve’ inslag1 van de rechtsvinding op dit gebied versterkt.”2
Die methode waarover Wiarda schrijft, is ook hier van belang. Deze methode komt erop neer dat men het geval waarin beoordeeld dient te worden of een bepaald rechtsgevolg intreedt, vergelijkt met twee andere, opportuun gekozen, vergelijkbare gevallen. In het ene gekozen geval dient duidelijk te zijn dat het rechtsgevolg wel intreedt. In het andere gekozen geval dient duidelijk te zijn dat dit rechtsgevolg niet intreedt. Door het te berechten geval te vergelijken met deze beide gekozen gevallen, kan tot een beredeneerd oordeel gekomen worden over de vraag of het rechtsgevolg in de te beoordelen situatie wel of niet behoort in te treden.
513. In dit boek heb ik deze methode gebruikt om een dogmatiek te ontwikkelen en om rechtspraak te interpreteren. De te beoordelen schadesituatie vergeleek ik, enerzijds, met schadesituaties waarvan duidelijk was dat met de geschonden norm of met de toepasselijke kwalitatieve aansprakelijkheid daartegen beoogd was te beschermen en, anderzijds, met schadesituaties die rechtmatig veroorzaakt konden worden of waarvoor om andere reden een schadevergoedingsverplichting ontbrak.3 Dat bij de beoordeling of een toereikend normatief verband tussen de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis en de daardoor veroorzaakte schade aanwezig is, van beide kanten steeds normatieve aantrekkingskracht wordt uitgeoefend, bleek in het bijzonder doordat elk van de vier in hoofdstuk 8 t/m 11 behandelde grenzen aan aansprakelijkheid genuanceerd diende te worden indien de schadesituatie in sterke mate gelijkenis vertoonde met de schadesituaties waartegen met de geschonden norm of met de toepasselijke kwalitatieve aansprakelijkheid beoogd was te beschermen.4
514. Het ondoorzichtige gebied dat niet wordt bestreken door hetgeen ik in hoofdstuk 7 t/m 11 besprak, is mijns inziens niet groot. Ik heb nauwelijks casus kunnen vinden die zich niet aan de hand van de in deze hoofdstukken besproken benadering laten oplossen.
Voor de in dit gebied achtergebleven, resterende gevallen, kan mijns inziens een als het ware voortgezette toepassing van Wiarda’s methode goede diensten bewijzen. Bij de toepassing van deze methode kunnen dan de in dit boek gevonden resultaten over het al dan niet aanwezig zijn van een toereikend normatief verband tussen de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis en de daardoor veroorzaakte schade, worden gebruikt. Enerzijds kan de te beoordelen schadesituatie vergeleken worden met schadesituaties waarin wel een toereikend normatief verband aanwezig is. Anderzijds kan vergeleken worden met schadesituaties waarin dat verband niet aanwezig is.
Een en ander laat zich illustreren aan de hand van de volgende moeilijk liggende casus. Ten gevolge van een verkeersongeval in Duitsland in 1937 moet het been van het slachtoffer worden geamputeerd. Het slachtoffer kan vervolgens nog wel lopen, maar uitsluitend met een kunstbeen en twee krukken. In 1945, aan het eind van de Tweede Wereldoorlog, moet het Duitse slachtoffer met zijn gezin vanuit zijn huis naar een bunker vluchten, tijdens door geallieerden in Duitsland uitgevoerde artillerieaanvallen. Wanneer de artillerieaanvallen aanvangen bevinden zij zich in huis. Wanneer het vuur even staakt, besluiten zij naar de bunker te vluchten. De gezinsleden van de man rennen naar de bunker en zijn in staat deze tijdig te bereiken. De man loopt ten gevolge van zijn beperkingen langzamer en wordt daardoor geraakt door een granaatscherf ten gevolge waarvan hij overlijdt. Zou het verkeersongeval in 1937 niet hebben plaatsgevonden, dan zou hij de bunker, zo nam het Bundesgerichtshof aan, veilig hebben bereikt.5 Kan deze schade worden toegerekend aan het verkeersongeval? Het Bundesgerichtshof oordeelde van niet en wees aansprakelijkheid af omdat de kans op zo’n ongeval naar zijn oordeel onvoldoende is vergroot door het verkeersongeval.6
Naast de te beoordelen situatie kunnen aan de ene kant worden gelegd de schadesituaties in de harde kern van het beschermingsbereik van de geschonden norm en bovendien schadesituaties waarin vervolgschade is geleden waarop de kans door de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis is vergroot: bijvoorbeeld schade ontstaan bij fouten in de behandeling van letsel en schade ontstaan als verwezenlijking van verhoogd gevaar op ander letsel tijdens het herstel van het eerst toegebrachte letsel.7 Aan de andere kant kunnen naast deze schadesituatie die situaties worden gelegd waarbij, zonder dat daarvoor een ander aansprakelijk is, door het oorlogsgeweld letsel wordt toegebracht. Op deze manier kan gekomen worden tot eenzelfde oordeel als waartoe het Bundesgerichtshof kwam.
515. Deze methode wijst niet, zoals een kompasnaald, op eenduidige wijze de juiste richting aan; steeds dient alsnog een keuze gemaakt te worden. Het anders dan gebruikelijk is uitdrukkelijk betrekken van aanpalende schadesituaties in de beoordeling of een toereikend normatief verband tussen de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis en de schade aanwezig is, en dus of de schade kan worden toegerekend, en het niet geïsoleerd beschouwen van de voorliggende situatie, heeft als voordeel dat de rechtsintuïtie van de beoordelaar als het ware wordt geijkt en een oordeel wordt verkregen dat past in het recht. Bovendien ontstaat dan bij het geven van een motivering de noodzaak om op concreet niveau te verklaren welk verschil met aanpalende situaties een andere uitkomst rechtvaardigt. In deze motiveringseis ligt naar mijn mening de crux tot een rationele benadering van het vereiste normatieve verband tussen de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis en de daardoor veroorzaakte schade.