Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/16.7.3
16.7.3 Décharge
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS368573:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Hof Amsterdam (OK) 27 januari 2006, ARO 2006/34 (Begemann), r.o. 3.7; Hof Amsterdam (OK) 31 maart 2006, JOR 2006/181 m.nt. Josephus Jitta (NIBO); Hof Amsterdam (OK) 19 april 2007, JOR 2007/142 (Begemann) m.nt. Blanco Fernandez; Hof Amsterdam (OK) 14 december 2007, JOR 2008/34 m.nt. Josephus Jitta (e-Traction); Hof Amsterdam (OK) 17 juli 2009, ARO 2009, 120 (Dokter Schoemacher Klinieken B.V.).
Hof Amsterdam (OK) 14 december 2007, ARO 2008/3, JOR 2008/34 m.nt. Josephus Jitta (e-Traction).
Zie onder meer de noten in de JOR bij de betreffende uitspraken, Tuijtel 2007, Olden 2009 p. 224, Croiset van Uchelen, p. 222 t/m 228 en Eikelboom 2012A, par. 7.3.
Zie Kamerstukken TK 32 887, nr. 3 (MvT), p. 39 en 40.
Hof Amsterdam (OK) 11 april 2013, JOR 2013/239 m.nt. Leijten (De Orthopedische Schoenmakerij).
Het feit dat de décharge enkel ziet op bepaalde feiten laat ik hier buiten beschouwing. Vgl. HR 10 januari 1997, NJ 1997, 360 (Staleman / Van der Ven) en HR 25 juni 2010, NJ 2010/373.
Tuijtel (2007) heeft betoogd dat décharge door de ondernemingskamer strijdig is met art. 1 EP, omdat niet zou zijn voldaan aan het voorzien-bij-wet-vereiste. Zij miskende daarbij echter dat ook door vaste rechtspraak aan dit vereiste kon worden voldaan. Zie par. 5.4.1.
Vgl. de noot van Josephus Jitta bij Hof Amsterdam (OK) 31 maart 2006, JOR 2006/181 (NIBO) en Croiset van Uchelen 2008 p. 215, 216 en 225.
Vgl. HR 8 april, JOR 2005/119 (Laurus), r.o. 3.8. Anders Croiset van Uchelen 2008 p. 215, 216 en 225. Zie ook par. 2.2.1. 2.2.4 en 8.4.5.1.
Zie meer uitgebreid Eikelboom 2012A, par. 7.4.
Borrius, p. 82 en 83.
In de periode 2006 tot 2013 was het vaste rechtspraak van de ondernemingskamer dat alleen zij décharge kon verlenen aan de tijdelijk door haar aangestelde bestuurders.1 Deze rechtspraak was echter niet eenduidig, omdat de ondernemingskamer tevens oordeelde dat het de spankracht van art. 2:349a lid 2 BW te buiten gaat om een partij te bevelen om een aansprakelijkstelling jegens een tijdelijke bestuurder in te trekken en afstand te doen van eventuele toekomstige vorderingen,2 terwijl een décharge inhoudt dat de vennootschap geen vorderingen meer kan instellen met betrekking tot de feiten waarvoor décharge is verleend. Mede om die reden werd in de literatuur bekritiseerd dat de ondernemingskamer décharge zou kunnen verlenen.3 In overeenstemming met deze literatuur werd er tijdens de parlementaire behandeling van de wijziging van het enquêterecht in 2013 vanuit gegaan dat het de aandeelhoudersvergadering is die aan de tijdelijke bestuurder décharge dient te verlenen.4 In 2013 ging de ondernemingskamer ‘om’.5
In het licht van hetgeen in par. 16.5.3.3 en 16.5.3.4 werd besproken, zou betoogd kunnen worden dat dit geen gelukkige rechtsontwikkeling is. Toch meen ik dat de ondernemingskamer geen décharge zou moeten verlenen.
Indien de ondernemingskamer namelijk décharge verleent – en de vennootschap als gevolg daarvan de tijdelijke bestuurder niet meer kan aanspreken6 – dan kwalificeert dat als het vaststellen van burgerlijke rechten als bedoeld in art. 6 EVRM.7 Een dergelijke vaststelling zal dus enkel kunnen plaatsvinden in het kader van een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM, waarin de vennootschap kan participeren.8 Ik stel mij voor dat de (rechts)vragen die in een dergelijke procedure moeten worden beantwoord, grote gelijkenissen vertonen met de (rechts)vragen die in een bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure aan de orde komen. Ik denk niet dat een dergelijke procedure onder de absolute bevoegdheid van de ondernemingskamer valt9 en zou daar ook geen verandering in willen aanbrengen.
Daarnaast biedt tijdelijke overdracht van aandelen ten titel van beheer een oplossing, indien (de meerderheid van) de aandeelhouders(vergadering) de bevoegdheid om décharge te verlenen wil misbruiken om de tijdelijke bestuurder op oneigenlijke wijze onder druk te zetten. 10 Borrius 11 wijst er tevens op dat dergelijk misbruik van recht in het kader van een zelfstandig enquêteverzoek aan de kaak kan worden gesteld.