Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/7.3.3
7.3.3 Coreal Gestion
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS297114:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Tax news service, 21 January 2004; C. Brokelind, ‘Cross-border intra-group financing in France after the Conseil d’Etat Decisions of 30 December 2003’, EC Tax Review 2004/4, p. 183; S. Baranger, ‘Supreme Court Rules On Thin Capitalization Provisions’, European Taxation, June 2004, p. 288; Pj. Douvier, X. Lorkipanidze, ‘Recent Case Law Developments Regarding Thin Capitalization’, International Transfer Pricing Journal, May/June 2004, p. 135; E. Sarfati, ‘Recent Case Law on Thin Capitalization Rules’, DFI, July/August, p. 202. Op 12 januari 2005 heeft de Franse fiscus een aanschrijving gepubliceerd waaruit blijkt dat de regeling tegen onderkapitalisatie alleen van toepassing kan zijn wanneer de moedervennootschap is gevestigd in een land dat geen lid is van de EU en daarnaast wordt voldaan aan een aantal andere voorwaarden die verband houden met de zaak Andritz; Zie TNS Online 19 January 2005.
Over dezelfde kwestie waren lagere rechters in twee andere zaken tot een tegenovergesteld oordeel gekomen. Zie F. Lessambo, ‘Freedom of establishment prevails over French thin capitalization rules’, European union focus 02/03, p. 14-16; Tax news service, 2 December 2002, p. 684, Tax news service, 10 March 2003, p. 152; O. Roumelian, ‘The End of French Thin Capitalization Rules?’, Intertax 2003, p. 244-247.
S. Baranger, TNS Online, Europe, Corporate Taxation, France, par. 2.3.3.4.3.
In Coreal Gestion had een Duitse moedervennootschap een lening verstrekt aan haar Franse dochtervennootschap. De Franse fiscus weigerde de aftrek van de rente op deze lening op grond van de Franse regeling tegen onderkapitalisatie. Uit deze regeling volgde dat de rente op een lening verstrekt door een moedervennootschap aan haar dochtervennootschap niet aftrekbaar was voorzover de lening hoger was dan anderhalf maal het aandelenkapitaal van de dochtervennootschap. Deze beperking gold echter niet als de crediteur werd aangemerkt als een moedervennootschap in de zin van de Franse deelnemingsvrijstelling. Een buitenlandse vennootschap zonder een vaste inrichting in Frankrijk werd voor de toepassing van de deelnemingsvrijstelling echter niet als een moedervennootschap beschouwd. De Franse regeling tegen onderkapitalisatie kon dus wel van toepassing zijn op een lening die was verstrekt door een buitenlandse moedervennootschap zonder een vaste inrichting in Frankrijk en niet op een lening door een Franse moedervennootschap. In de lijn van Lankhorst besliste de Franse Hoge Raad dat de Franse regels tegen onderkapitalisatie in strijd waren met de vrijheid van vestiging omdat er geen objectief verschil was tussen een Franse vennootschap met een Franse dan wel een buitenlandse aandeelhouder.1, 2
Vanaf 1 januari 2007 geldt in Frankrijk een nieuwe regeling tegen onderkapitalisatie die tevens van toepassing kan zijn in binnenlandse verhoudingen. Op grond van deze regels is de rente die is verschuldigd aan een gelieerde crediteur in het betreffende jaar slechts aftrekbaar voorzover aan een van de volgende criteria wordt voldaan. Het eerste criterium voorziet in een verhouding tussen de schulden aan gelieerde vennootschappen en het eigen vermogen van de debiteur van 1,5 : 1. Volgens de tweede norm mag de verschuldigde rente niet hoger zijn dan een kwart van de winst van de debiteur. De derde maatstaf houdt in dat de rente betaald aan gelieerde vennootschappen niet hoger mag zijn dan de rente die is ontvangen van gelieerde vennootschappen. Om de omvang van de aftrekbare rente in het betreffende jaar te bepalen, mag het criterium worden toegepast dat recht geeft op de hoogste aftrek. Daarbovenop geldt een franchise van € 150 000. Rente die in het betreffende jaar niet aftrekbaar is, mag worden voortgewenteld naar volgende jaren. Van deze voorgewentelde rente vervalt na twee jaar jaarlijks echter 5%. De debiteur kan niettemin ontkomen aan de beperking van de aftrek van de rente als hij kan aantonen dat de verhouding tussen de schulden en het eigen vermogen van de groep waartoe hij behoort hoger is dan van hemzelf (overigens is de regeling tegen onderkapitalisatie niet van toepassing op financiële instellingen).3