Einde inhoudsopgave
Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (IVOR nr. 74) 2010/4.2.3
4.2.3 De richtingloosheid van een concurrerend ondernemingsrecht als (beleids)doelstelling van het Nederlandse vennootschapsrecht
mr. J.B.S. Hijink, datum 16-09-2010
- Datum
16-09-2010
- Auteur
mr. J.B.S. Hijink
- JCDI
JCDI:ADS575543:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. ook de kritiek van M. Raaijmakers (2005a), p. 14.
Nota Modernisering van het ondernemingsrecht, p. 1. Over deze doelstelling ook: Assink (2009), p. 51-58.
In deze zin: Vossestein (2007) p. 401.
Modernisering van het ondernemingsrecht, brief van de Minister van Justitie (Kamerstukken II, 2007/2008, 29 752, nrs. 5), p. 6. Een ander voorbeeld kan worden gevonden in de MvT bij het voorstel voor de Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht (Kamerstukken 2006/2007, 31 058, nr. 3, p. 1): 'Europese ontwikkelingen dwingen de nationale wetgever tot het aanbieden van een rechtsvorm die in internationaal verband meer concurrerend is. In verschillende Europese landen is al een flexibele besloten vennootschapsvorm ingevoerd of is bestaande wetgeving herzien. Het aanbieden van een bruikbare en betrouwbare juridische infrastructuur bevordert dat Nederland aantrekkelijk blijft als vestigingsland voor nationale en internationale ondernemingen.' Zie over het streven naar het streven van de regering naar een 'concurrerend ondernemingsrecht' o.m. Kroeze (2004b), p. 565, Donner (2006), p. 2-4 en Vossestein (2007), p. 412 e.v. Het streven is verder genoemd op p. 1 van de MvT van het Wetsvoorstel Frijns (Kamerstukken II, 2008/2009, nr. 3): 'beoogd [wordt] het Nederlandse corporate govemance systeem in internationaal verband aantrekkelijk te houden of zelfs aantrekkelijker te maken.'
P. 1 van de MvT van het Wetsvoorstel bestuur en toezicht (Kamerstukken II, 2008/2009, 31 763, nr. 3).
Op p. 1 van de Nota Modernisering van het ondernemingsrecht wordt opgemerkt dat '[a]ls beleggingen in Nederland goed worden beschermd en onze rechtsvormen bruikbaar zijn, wordt kapitaal aangetrokken en vestigen zich meer ondernemingen in ons land. Die ondernemingen hebben weer behoefte aan hoogwaardige diensten.' Vossestein (2007), p. 413, leidt hieruit af dat het concurrerende ondernemingsrecht zou 'bijdragen aan — een bepaald type — werkgelegenheid'.
Vgl. met name M. Raaijmakers (2004c), in het bijzonder p. 959.
Zie ook mijn eerdere betoog in Hijink (2006a), p. 21-23.
In deze bewoordingen Jaap Winter (2005), p. 106, over de vereenvoudiging en de flexibilisering van het BV-recht. Het eindoordeel van M. Raaijmakers (2004c) over de Nota Modernisering van het ondernemingsrecht, op p. 959, is dat deze 'al bijeen een illustratie vormt van verwarring over doelstellingen, middelen, vormen van regulering, bevoegdheden tot regulering en handhavingsmechanismen voor een bonte verscheidenheid aan regels, aanbevelingen en best practices op internationaal, communautair en nationaal niveau. Vooral het gemis van een centraal perspectief voor het ondernemingsrecht als geheel wordt pijnlijk zichtbaar.'
Kritisch in dit opzicht is Vossestein (2007). Hij wijst, op p. 415, er ten eerste op dat nadat in 2004 het rapport over vereenvoudiging en flexibilisering van het BV-recht is gepubliceerd het nog tweeënhalf jaar geduurd heeft voordat de ministerraad heeft ingestemd met een wetsvoorstel. 'Dit weinig slagvaardige optreden van de regering verhoudt zich slecht met de doelstelling van een concurrerend ondernemingsrecht.' Dit geldt, aldus Vossestein (2007) op p. 417-421, ook voor de wijze waarop de implementatie van de Overnamerichtlijn en de implementatie van de Richtlijn grensoverschrijdende fusies plaatsvond.
Terugkerend naar de in de Nota modernisering van het (Nederlandse) ondernemingsrecht opgenomen doelstellingen, kan worden vastgesteld dat in de Nota de dubbelzinnige opvatting van de Europese Commissie doorklinkt. Zoals hierboven reeds is genoemd, hinkt ook de Nota op twee gedachten. Enerzijds moet het ondernemingsrecht tegemoet komen aan gerechtvaardige wensen van ondernemers, anderzijds moeten belangen van anderen worden beschermd.1 Opvallend is hierbij dat in de Nota eveneens uitdrukkelijk als voornemen wordt genoemd om te streven naar een "concurrerend ondernemingsrecht".2 Dit streven, dat als beleidsdoelstelling van de Nederlandse regering kan worden aangemerkt3, is door de regering daarna nog eens expliciet herhaald en verder uitgewerkt. Zo werd in de (tweede) voortgangsmededeling over de modernisering van het ondernemingsrecht opgemerkt dat "[e]en modern Nederlands ondernemingsrecht moet kunnen concurreren met het ondernemingsrecht van andere landen. Dat kan voor ondernemers aanleiding zijn om te kiezen voor een Nederlandse rechtsvorm en de Nederlandse rechtssfeer."4 Ook in de toelichting op het Wetsvoorstel bestuur en toezicht, komt dit terug. Doel van het voorstel is "bijdragen aan het vergroten van de bruikbaarheid van de rechtsvorm van de naamloze en besloten vennootschap in nationale en internationale ondernemingsverhoudingen. Nederland moet rekening houden met een vergrote concurrentie van rechtsvormen in het buitenland."'5
Op welke wijze deze beleidsdoelstelling — het streven naar een "concurrerend ondernemingsrecht" — de doelstelling(en) van het Nederlandse vennootschapsrecht inkleurt blijft echter onduidelijk. Het antwoord daarop kan in de Nota moderniseringsrecht althans niet of nauwelijks6 worden gevonden. Het is met name om deze reden dat de Nota terecht is bekritiseerd.7 De doelstelling om een bruikbaar vennootschapsrecht te bieden voor ondernemers is immers geen doel op zich, maar een middel. Een middel om de achterliggende doelstelling van het vennootschaprecht te bereiken, hetgeen in mijn opvatting — zoals in de volgende paragraaf zal worden uitgewerkt8 — het vergroten van de maatschappelijke welvaart is. Het uitblijven van het geven van richting waarom het ondernemingsrecht "bruikbaar" en "concurrerend" moet zijn of worden, heeft tot gevolg dat van deze beleidsdoelstelling van de regering weinig meer overblijft dan "Europees opportunisme".9 Daarbij kunnen bovendien vraagtekens worden geplaatst bij de bijdrage die de Nederlandse regering heeft geleverd ter vergroting van de concurrentiekracht van het Nederlandse ondernemingsrecht sinds de aankondiging te streven naar een "concurrerend ondememingsrecht".10