type: 1772
Rb. Den Haag, 06-06-2017, nr. C/09/512450 / HA RK 16-292
ECLI:NL:RBDHA:2017:6065
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
06-06-2017
- Zaaknummer
C/09/512450 / HA RK 16-292
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2017:6065, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 06‑06‑2017; (Beschikking)
ECLI:NL:RBDHA:2016:15167, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 08‑12‑2016; (Beschikking)
- Wetingang
- Vindplaatsen
AR 2017/3687
PS-Updates.nl 2017-0586
AR 2016/3822
JA 2017/34
PS-Updates.nl 2017-0041 met annotatie van K.M. Zweep
Uitspraak 06‑06‑2017
Inhoudsindicatie
Letselschade. Deelgeschil. Kosten in verband met hulp derde exploitatie boerderij na ongeval vermogensschade of immateriële schadevergoeding? Geen feitelijk herstel mogelijk. Boerderij is levensdoel, niet economisch rendabel, anders dan voor eigen gebruik. Kosten aangemerkt als kosten ter beperking immateriële schade. Hoogte gezien aard van de schade begrensd door immateriële schadevergoeding. Totaal begroot op € 50.000, aanvullend € 22.000 te voldoen.
Partij(en)
beschikking
RECHTBANK DEN HAAG
Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/512450 / HA RK 16-292
Beschikking van 6 juni 2017
in de zaak van
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster,
advocaat mr. M.P. de Witte te Den Haag,
tegen
De naamloze vennootschap N.V. UNIVÉ SCHADE,
gevestigd te Zwolle,
advocaat mr. G. Loman te Assen.
Verzoekster wordt hierna [verzoekster] en verweerster Univé genoemd.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het verzoekschrift, ingekomen 6 december 2016,
- -
het verweerschrift, tevens houdende zelfstandig verzoek, ingekomen 10 maart 2017,
- -
het verweerschrift zelfstandig verzoek, ingekomen 15 maart 2017,
- -
het buiten aanwezigheid van partijen opgemaakte proces-verbaal van de mondelinge behandeling verzoekschrift van 21 maart 2017.
1.2.
Ten slotte is een datum voor het wijzen van een beschikking bepaald.
1.3.
[verzoekster] heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, gereageerd op het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij brief van 2 mei 2017. De rechtbank leest het proces-verbaal met inachtneming van deze opmerkingen.
2. De feiten
2.1.
[verzoekster] is geboren op 22 maart 1964. Zij is alleenstaand en heeft geen kinderen. Zij is geboren en getogen en woonachtig op een boerderij in [plaats] , die zij zelfstandig exploiteert. Het gaat om een boerderij van 6 hectare weiland met gebouwen, 8 koeien, 35 geiten, 7 schapen, 50 kippen, 40 Kaapse loopeenden en een groentetuin. De boerderij heeft geen economische opbrengst, behoudens voor eigen gebruik.
2.2.
Op 24 juni 2013 is [verzoekster] , als fietser en in de nabijheid van haar woning, aangereden door een bij Univé verzekerde auto met aanhangwagen. [verzoekster] heeft blijvend letsel als gevolg van dit ongeval. Er is sprake van een medische eindtoestand.
2.3.
Univé heeft aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend.
2.4.
Op gezamenlijk verzoek van partijen heeft [A], orthopaedisch chirurg, een orthopaedische expertise verricht, waarvan hij op 30 november 2015 rapport heeft uitgebracht. Hij heeft de diagnose gesteld op een status na laterale patellafractuur linkerknie met laterale verwonding. De patella is, aldus de orthopaedisch chirurg, anatomisch genezen met nog restklachten aan de laterale zijde van de patella en de laterale zijde van de knie ter plaatse van het litteken. Hij merkt in zijn beschouwing op: “Betrokkene is met de knie direct tegen de aanhangwagen van de auto aangekomen waardoor de lapwond en de patellafractuur zijn te verklaren. De fractuur is behandeld met schroefosteosynthese met een röntgenologisch goed resultaat. De restklachten aan de laterale zijde van de knie in het litteken van de verwonding zijn als zodanig ook te verklaren.De beperkingen die betrokkene heeft voor wat betreft de belasting van haar linkerbeen zijn te verklaren als gevolg van het letsel dat haar is overkomen bij het ongeval van 24-06-2013.” Bij de beantwoording van de vragen heeft de orthopaedisch chirurg verder onder meer opgemerkt: “In het ADL wordt betrokkene beperkt met hurken en knielen vanwege de pijn aan de linkerpatella. In haar loonvormende arbeid wordt ze beperkt met kniebelastende werkzaamheden waardoor zij in het werk slecht kan hurken en knielen dan wel zwaar werk kan verrichten verrichten zoals zwaar tillen dan wel dragen en sjouwen. In haar vrijetijdsbesteding wordt zij ook beperkt bijvoorbeeld met tuinieren, zij heeft zowel in haar boerderij als in haar tuin hulp nodig.” Hij heeft de beperkingen van [verzoekster] als volgt beschreven aan de hand van de medische beperkingenlijst van de NOV, waarbij conform deze lijst alleen beperkingen zijn toegerekend op basis van anatomische afwijkingen: “Zitten is licht beperkt, betrokkene kan niet langdurig in dezelfde houding zitten vanwege de pijnlijke patella.Staan is niet beperkt.Lopen is licht beperkt.Lopen op ongelijk terrein is licht tot matig beperkt. Traplopen is matig beperkt.Beklimmen van en staan op een ladder is matig beperkt. Zeker het met de linker knieschrijf aanraken van een laddersport is erg pijnlijk.Fietsen is licht beperkt.Autorijden is licht beperkt.Knielen, kruipen en hurken zijn matig beperkt door het maximale buigen van de linkerknie.Bukken en torderen zijn niet beperkt.Licht gebogen werken is niet beperkt.Tillen van de grond vanuit bukkende houding is niet beperkt. Tillen vanuit hurkende houding is matig beperkt.Duwen en trekken zijn licht beperkt.Dragen en sjouwen zijn door haar linkerknie matig beperkt.Vibratiebelasting is niet beperkt.”De orthopaedisch chirurg heeft de blijvende invaliditeit van [verzoekster] gesteld op 6% voor de onderste extremiteit en op 2% voor de gehele mens. Hij heeft tevens opgemerkt dat het mogelijk is dat in de toekomst verergering gaat optreden, namelijk dat op termijn, langer dan 10 jaar, artrose gaat optreden. Hoewel hij de kans op het ontstaan van artrose minder acht vanwege de anatomische genezing van de fractuur, kan hij daaromtrent geen zekerheid geven.
2.5.
[verzoekster] is sinds het ongeval gelet op haar beperkingen niet meer in staat zelfstandig de boerderij te exploiteren. De koeien zijn sinds het ongeval om die reden “drooggelegd”. Zij heeft verder hulp ingeschakeld van een bekende uit haar netwerk, de heer [B], 78 jaar oud, die haar ongeveer 20 uur per week helpt tegen een vergoeding van € 8,50 per uur (ongeveer € 8.000 per jaar).
2.6.
Univé heeft de kosten in verband met de inschakeling van [B] tot en met eind 2016 voldaan ten titel van voorschot op de schadevergoeding. Univé heeft een bedrag van in totaal € 55.000 voldaan.
2.7.
Partijen hebben gezamenlijk arbeidsdeskundige de heer [C] van BSH Arbeidsdeskundig advies B.V. ingeschakeld om een arbeidsdeskundig onderzoek te verrichten. Over de vraagstelling/opdracht is in het rapport onder meer opgemerkt: “(…)Partijen zijn nu in overleg om tot een afwikkeling van de schade te komen. De boerderij is daarbij een fors discussiepunt. Voor betrokkene is het niet bespreekbaar dat zij de boerderij, of een deel daarvan, opgeeft. Zij staat op het standpunt dat Univé, als aansprakelijke verzekeraar de noodzakelijke hulp dient te (blijven) betalen, nu en in de toekomst. Univé, aan de andere kant voelt er - in principe - niets voor te moeten (blijven) betalen voor een hobby-boerderij, en stelt zich op het standpunt dat de betrokkene de schade zoveel mogelijk dient te beperken en de boerderij eigenlijk maar moet afbouwen. Alvorens hier nader op in te gaan, hebben partijen besloten dat eerst de schade in kaart gebracht moet worden. (…).” De arbeidsdeskundige heeft de volgende vragen beantwoord: “1. Welke werkzaamheden verrichte mevrouw [verzoekster] voor het ongeval in en om het boerenbedrijf? 2. Welke van deze werkzaamheden kan zij nu niet meer verrichten gelet op de beperkingen beschreven in het expertiserapport van de medisch specialist, waarbij tevens rekening dient te worden gehouden met de mogelijke verslechtering in de toekomst zoals beschreven in het rapport? 3. Welke redelijke arbeidskosten (op jaarbasis) zijn gemoeid met het uitvoeren door derden van de werkzaamheden die de cliënt niet meer kan verrichten? 4. Tot welke leeftijd acht u cliënt in staat, met de hulp genoemd onder vraag 3 haar boerenbedrijf voort te zetten? 5. Welke van de werkzaamheden die de cliënt niet meer kan verrichten zijn cruciaal voor het voortbestaan van het (boeren)bedrijf in de huidige omvang? 6. Hoe kunnen deze werkzaamheden worden beperkt? en 7. Kunnen deze werkzaamheden door aanpassingen binnen het bedrijf worden opgevangen en zo ja, hoeveel bedragen de eenmalige kosten van deze (noodzakelijke) werkzaamheden?”
De arbeidsdeskundige heeft de redelijke arbeidskosten van derden op jaarbasis berekend op € 24.128 (uitgaande van de inschakeling van een professionele hulpkracht à 32,50 per uur). Het rapport bevat het volgende staatje:
Voorziening | Jaarlijkse kosten |
arbeidsloon agrarische bedrijfshulp | *) 23.660 |
loonwerk | 426,00 |
schaapsscheren | 42,00 |
totaal | 24.128 |
Hij acht [verzoekster] in staat om, met hulp, de boerderij tot haar 67e levensjaar voort te zetten. Daaraan heeft hij toegevoegd: “Gezien de staat van de boerderij verwacht ik dat de werkzaamheden en het onderhouden van het perceel en de panden langzaamaan teveel wordt voor betrokkene”. De benoemde taken die [verzoekster] blijkens het rapport zonder hulp gezien haar beperkingen niet kan uitvoeren, bijvoorbeeld het helpen lossen van hooibalen, grasmaaien, slootkanten afsteken, bomen inkorten, mest kruien en omspitten, stallen uitmesten, stro opruimen, koeien vast zetten op de winterstal en hoeven van geiten en schapen bekappen, zijn volgens de arbeidsdeskundige “veelal cruciaal voor het voortbestaan van het boerenbedrijf”.
Het advies en planning van de arbeidsdeskundige is als volgt: ”- Besteed werk uit aan een loonwerker- Besteed het schapenscheren uit aan een schaapsscheerder;- Investeer in een weidesleep- Investeer in een zitmaaier. Bespreek met betrokkene de mogelijkheden voor efficiëntere bedrijfsvoering waardoor ze minder belast wordt.”
2.8.
Univé is bereid tot vergoeding van de aanschaf van een weidesleep en een zitmaaier.
3. Het geschil
3.1.
[verzoekster] verzoekt de rechtbank voor recht te verklaren en te bepalen, primair, dat Univé gehouden is de volledige schade te vergoeden die [verzoekster] lijdt en nog zal lijden als gevolg van het ongeval van 24 juni 2013, met betrekking tot de arbeidshulp die zij tot aan haar 67e nodig heeft om haar boerderij te exploiteren op dezelfde wijze als tot aan de datum van het ongeval, waarbij het rapport van arbeidsdeskundige [C] van 1 september 2016 als leidraad moet dienen en, subsidiair, in goede justitie te bepalen welk bedrag aan schade Univé aan [verzoekster] dient te vergoeden met betrekking tot de hulp die zij van 1 januari 2017 tot aan 31 maart 2031 nodig heeft om haar boerderij te exploiteren en Univé te veroordelen dit bedrag aan [verzoekster] te betalen, alsmede om Univé te veroordelen in de kosten van de procedure, te bepalen op 12 uur à € 220 te vermeerderen met omzetbelasting.
3.2.
Univé heeft verweer gevoerd en de rechtbank zelfstandig verzocht om, primair, voor recht te verklaren dat het feit dat [verzoekster] deels niet meer in staat is om, als gevolg van het ongeval van 24 juni 2013, haar activiteiten op of om de boerderij te kunnen uitoefenen, vergoed moet worden via een immateriële schadevergoeding, dan wel, subsidiair, voor het geval de rechtbank van oordeel is dat [verzoekster] ter zake een materiële schadevergoeding toekomt, zij haar medewerking dient te verlenen aan een nader onderzoek door deskundige [C] conform de door Univé in het geding gebrachte vraagstelling.
3.3.
[verzoekster] heeft verweer gevoerd tegen het zelfstandig verzoek van Univé.
4. De beoordeling
Behandeling in een deelgeschilprocedure 4.1. Het onderhavige verzoek is gegrond op artikel 1019w Rv. Dat artikel biedt de persoon die een ander aansprakelijk houdt voor zijn letselschade de mogelijkheid, ook voordat de zaak ten principale aanhangig is, de rechter te verzoeken te beslissen over een geschil omtrent of in verband met een deel van hetgeen ter zake tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering in de hoofdzaak.
4.2.
Met partijen is de rechtbank van oordeel dat de verzoeken en zelfstandige verzoeken zich lenen voor een beslissing in een deelgeschilprocedure. De beide verzoeken zullen, gezien hun onderlinge samenhang, hierna gezamenlijk worden beoordeeld.
Partijdebat
4.3.
In geschil is of de door [verzoekster] gestelde schade als gevolg van het ongeval, bestaande uit gemaakte en te maken kosten in verband met de inschakeling van een derde ten behoeve van de voortzetting van de exploitatie van de boerderij, gekwalificeerd moeten worden als zuivere vermogensschade, zoals [verzoekster] stelt, dan wel als ander nadeel, zoals Univé stelt. Daarnaast twisten partijen over de vraag, voor zover de rechtbank oordeelt dat sprake is van vermogensschade, in hoeverre die schade aan (de verzekerde van) Univé kan worden toegerekend en of [verzoekster] gehouden is deze schade te beperken, in die zin dat zij haar veestapel dient in te krimpen, het vee meer geconcentreerd dient te lokaliseren, althans anderszins het boerenbedrijf meer efficiënt dient te exploiteren.
4.4.
De rechtbank stelt voorop dat [verzoekster] blijkens de processtukken en het verhandelde ter zitting gelet op de erfenis die haar ouders haar hebben nagelaten financieel in staat is de exploitatie van de boerderij voort te zetten op de wijze waarop zij dat deed vóór het ongeval door de inschakeling en bekostiging van derden. Feitelijk zal zij dat ook blijven doen, zoals zij ter zitting naar voren heeft gebracht, ongeacht de hoogte van de schadevergoeding die Univé haar verder zal voldoen. Deze omstandigheden zijn voor de beoordeling van de rechtbank hierna, zoals ook Univé onderkent, niet van belang.
4.5.
Verder merkt de rechtbank inleidend op dat de totale claim van [verzoekster] op basis van het rapport van de arbeidsdeskundige, blijkens de brief van 1 mei 2017 van [verzoekster] , minimaal € 112.000 (14 x € 8.000, in het geval [B] ingeschakeld blijft) en maximaal € 336.00 (14 x € 24.000, in het geval [B], gelet op zijn leeftijd, uitvalt en professionele hulp ingeschakeld zou moeten worden) beloopt. Blijkens het verhandelde ter zitting is Univé bereid tot de voldoening van verdere schadevergoeding, echter niet in de mate zoals [verzoekster] op grond van het rapport van de arbeidsdeskundige voor ogen heeft. Univé is van opvatting dat een redelijke oplossing moet worden gezocht, waarbij een balans wordt gevonden tussen het belang van mevrouw [verzoekster] en dat van Univé.
4.6.
Wat betreft de status van het rapport van de arbeidsdeskundige merkt de rechtbank op dat voor zover hierin bepaalde schadeposten zijn berekend, die berekening niet als een partijen bindende, definitieve schadeberekening kunnen worden beschouwd. De expertise van een arbeidsdeskundige strekt zich niet uit tot het maken van een dergelijke berekening. Partijen hebben aan hem ook niet een dergelijke opdracht verleend, zoals ook blijkt uit zijn opmerkingen over de vraagstelling/opdracht en zijn advies om met [verzoekster] te bespreken hoe zij kan komen tot een meer efficiënte bedrijfsvoering. Het rapport behelst slechts een globale inventarisatie van de schade.
4.7.
Artikel 6:95 BW - betreffende de schade die op grond van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding moet worden voldaan - maakt onderscheid tussen vermogensschade en ander nadeel. Vermogensschade zijn gederfde inkomsten ten gevolge van verlies van arbeidsvermogen, ziektekosten en andere uitgaven; ander nadeel betreft immateriële schade ten gevolge van onder meer lichamelijk letsel (artikel 6:106 BW). Het onderscheid is belangrijk, aangezien de beide categorieën door andere regels worden beheerst, waarbij vermogensschade in beginsel voor volledige vergoeding in aanmerking komt, terwijl ander nadeel uitsluitend wordt vergoed voor zover dat billijk is. Het onderscheid is niettemin onscherp, aangezien sommige schadeposten, zoals in dit geval de kosten die gemoeid zijn met de inschakeling van een derde om de exploitatie van de boerderij voort te zetten, zowel tot de ene als de tot de andere categorie kunnen behoren. De vergoeding van die kosten wordt begrensd door de redelijkheid, waarbij het, zoals in de literatuur wel is opgemerkt, uiteindelijk gaat om de vraag voor welk niveau van levenskwaliteit de aansprakelijke partij heeft op te komen. Met inachtneming van het wettelijk kader en tegen deze achtergrond zal de rechtbank de verzoeken van partijen beoordelen.
4.8.
Allereerst geldt in dit verband dat de primaire doelstelling van het schadevergoedingsrecht herstel van de benadeelde is. Dit betekent dat als uitgangspunt voor de berekening van de omvang van de wettelijke verplichting tot schadevergoeding dient dat [verzoekster] zoveel mogelijk in de toestand moet worden gebracht waarin zij zou hebben verkeerd zonder ongeval. Anders dan [verzoekster] betoogt, betekent dit niet zonder meer dat alle kosten van een derde ([B] of een professionele derde) in verband met het verrichten van werkzaamheden op de boerderij die zij gelet op haar beperkingen als gevolg van het ongeval zelf niet meer kan verrichten, met als doel de exploitatie van de boerderij voort te zetten op (precies) dezelfde wijze als voor het ongeval, als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking komen. Van een economisch rendabel boerenbedrijf is geen sprake en de arbeid die [verzoekster] vóór het ongeval ter exploitatie van de boerderij verrichtte, betrof geen loonvormende arbeid. Dat de boerderij geen ‘hobby’, maar ‘werk’ is voor [verzoekster] maakt dit niet anders.
4.9.
Naar aanleiding van de verwijzing van [verzoekster] naar de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 5 augustus 2015 (ECLI:NL:RBGEL:2015:5217) merkt de rechtbank nog op dat de vergelijking met de zaak die heeft geleid tot die uitspraak niet opgaat. In die zaak werd, zo overweegt de rechtbank Gelderland, de benadeelde met de aanschaf van aangepaste machines in staat gesteld grotendeels zijn beroep uit te oefenen om zodoende ook vermogensrechtelijk in de toestand te geraken dat uit het boerenbedrijf enige opbrengst werd gegenereerd en de maatregel derhalve (mede) bedrijfseconomisch effect had. Dit nu is in dezen niet aan de orde.
4.10.
Daarnaast is van belang dat feitelijk herstel van [verzoekster] niet meer mogelijk is. Aan de orde is een medische eindtoestand van [verzoekster] . De kosten die [verzoekster] maakt met de inschakeling van een derde om de genoemde werkzaamheden te verrichten dragen op zichzelf beschouwd niet bij aan het herstel van haar lichamelijke toestand. Weliswaar vermindert het vermogen van [verzoekster] doordat zij die kosten moet dragen en had zij die kosten niet hoeven maken zonder ongeval, daarmee zijn die kosten evenwel nog niet aan te merken als ongevalsgerelateerde vermogensschade. [verzoekster] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld, en die zijn ook niet gebleken, waaruit volgt dat de inschakeling van die derde nodig is met het oog op het behoud of de verbetering van haar lichamelijke toestand (bijvoorbeeld om voldoende in beweging te blijven ter voorkoming van artrose). [verzoekster] krijgt van stilzitten en weinig beweging meer pijn. Niet kan echter worden gezegd dat de inschakeling van een derde om de exploitatie van de boerderij voort te zetten in redelijkheid noodzakelijk, althans gerechtvaardigd is ter verkrijging van de voor haar conditie benodigde beweging. Niet is verder gesteld of gebleken dat [verzoekster] als gevolg van het ongeval geestelijk letsel heeft opgelopen. De gestelde en gebleken beperkingen van [verzoekster] zijn fysiek van aard. Voor zover [verzoekster] met haar stelling dat het werken met de dieren en op het land voor haar een goede therapie is mede bedoelt te stellen dat die kosten moeten worden aangemerkt als ter behandeling van geestelijk letsel, gaat die stelling derhalve rechtens niet op en wordt zij verworpen.
4.11.
De desbetreffende kosten dienen naar het oordeel van de rechtbank niettemin als vermogensschade te worden gekwalificeerd. Het gaat hier om kosten ter beperking van de immateriële schade die [verzoekster] als gevolg van het ongeval leidt. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting - en naar tussen partijen ook niet in geschil is - is de boerderij het levensdoel van [verzoekster] . De rechtbank kan niet anders constateren dan dat [verzoekster] en de boerderij ten diepste en onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn: zij ‘is’ in wezen haar boerderij. In haar opmerkingen bij het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, die overeenkomen met hetgeen zij mondeling ter zitting naar voren heeft gebracht: “De dieren, de boerderij, de tuin, het weiland, is mijn alles.” Zij heeft haar zelfstandigheid gedeeltelijk moeten inleveren en ervaart het standpunt van Univé dat de boerderij in omvang zou moeten worden ingekrompen, althans dat de kosten van de in te schakelen derde niet volledig voor vergoeding in aanmerking komen, als een straf voor iets wat de aansprakelijke partij haar heeft aangedaan. De rechtbank overweegt dat immateriële schadevergoeding in het geval van lichamelijk letsel een vergoeding betreft ter verzachting van het leed dat [verzoekster] met het ongeval is aangedaan, waarvan de hoogte afhankelijk is van onder meer de aard van de aansprakelijkheid, de duur en de intensiteit van de pijn die is geleden, het verdriet en de levensvreugde die [verzoekster] heeft gederfd. Aangenomen dient te worden dat [verzoekster] de desbetreffende kosten voor de inschakeling van een derde moet maken ter voorkoming van (verdere) geestelijke pijn vanwege het lichamelijk letsel (en het vanwege dat lichamelijk letsel verlies van haar zelfstandigheid en werkzaamheden op de boerderij) als gevolg van het ongeval. Op grond van artikel 6:96 lid 2, aanhef en onder a, BW komen de desbetreffende kosten dan ook in beginsel (als vermogensschade) voor vergoeding in aanmerking.
4.12.
Het vorenstaande brengt evenwel tegelijkertijd mee dat de hoogte van de door Univé als vermogensschade te vergoeden kosten begrensd is. De schade bestaande uit kosten ter beperking van immateriële schade kan uit haar aard niet de immateriële schade overstijgen. In zoverre doet de kwalificatie van de gestelde schade (vermogensschade of ander nadeel) voor de uitkomst van de vergoeding die Univé aan [verzoekster] moet voldoen in dit geval niet ter zake.
4.13.
Wat betreft de hoogte van het maximaal te vergoeden bedrag acht de rechtbank van belang dat enerzijds van [verzoekster] niet kan worden gevergd dat zij het leven moet gaan leiden dat zij niet wenst (lees: de boerderij moet inkrimpen zoals Univé, bezien vanuit de door haar gestelde schadevergoedingsverplichting, voorstaat) en anderzijds dat Univé niet aan alle wensen van [verzoekster] tegemoet hoeft te komen. De stijl en standaard van het leven dat [verzoekster] van vóór het ongeval leidde hebben als uitgangspunt te gelden; de autonomie van [verzoekster] prevaleert. Tegelijkertijd kan van [verzoekster] worden gevergd dat de inhoud van de keuzes die zij in dit verband maakt en de hoogte van de daarmee gemoeide kosten zodanig zijn dat zij een efficiënte bedrijfsvoering van de boerderij impliceren en dat Univé op grond van de billijkheid alleen de gemaakte en te maken kosten op basis van die efficiënte(re) bedrijfsvoering behoeft te vergoeden.
4.14.
Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat [verzoekster] afhankelijk is van de hulp van derden om de exploitatie van de boerderij voort te zetten. De werkzaamheden die [verzoekster] gelet op haar beperkingen niet meer kan verrichten, acht de arbeidsdeskundige cruciaal voor het voortbestaan van de boerderij. Zonder de inschakeling van een derde moet de boerderij derhalve geacht worden niet te kunnen voortbestaan, ook niet met een meer efficiënte bedrijfsvoering.
4.15.
De rechtbank acht ook de leeftijd van [verzoekster] van belang. Bij de hoogte van de vergoeding dient mede in aanmerking te worden genomen dat deze strekt tot vergoeding van het leed dat [verzoekster] gedurende langere periode als gevolg van het ongeval is aangedaan doordat zij niet langer in staat is de boerderij zelfstandig voort te zetten. Tegelijkertijd acht de rechtbank aannemelijk, gelet op de zwaarte van het werk op de boerderij en gezien de opmerkingen van de arbeidsdeskundige op dit punt, dat [verzoekster] op termijn ook zonder het ongeval een derde had moeten inschakelen om de exploitatie van de boerderij voort te zetten, waarbij zij er in redelijkheid van uitgaat dat dit vanaf haar 60e levensjaar het geval zou zijn geweest.
4.16.
Ten slotte acht de rechtbank de (relatief geringe) mate van functionele invaliditeit van [verzoekster] van belang, die haar na het ongeval in staat stelt nog steeds voor een belangrijk deel de exploitatie van de boerderij voort te zetten.
4.17.
Al het vorenstaande in aanmerking genomen, acht de rechtbank in de gegeven, bijzondere, omstandigheden een immateriële schadevergoeding, en daarmee de maximaal door Univé te vergoeden kosten ter beperking van immateriële schade, van in totaal€ 50.000 billijk. De hogere kosten die [verzoekster] feitelijk zal moeten maken, overtreffen de vergoeding die haar bij wijze van immateriële schade zou zijn toegekend bij voortzetting van de exploitatie van de boerderij zonder inschakeling van een derde en gaan dus het voor vergoeding in aanmerking komende bedrag te boven.
4.18.
De rechtbank gaat ervan uit, bij gebreke aan andere aanknopingspunten, dat de betaalde voorschotten ten bedrage van € 55.000 onder algemene titel zijn voldaan. Zij rekent van die voorschotten een bedrag van € 28.000 toe aan de vergoeding van de kosten die [verzoekster] ter beperking van immateriële schade over de periode vanaf de datum van het ongeval (juni 2013) tot 1 januari 2017 heeft gemaakt. Dit betekent dat Univé voor de toekomst in verband met deze schadepost aanvullend een bedrag van € 22.000 aan [verzoekster] dient te voldoen.
4.19.
Ten slotte merkt de rechtbank, wellicht ten overvloede, op dat de genoemde schadepost niet betreft de schade bestaande uit verlies van zelfwerkzaamheid van [verzoekster] wat betreft het onderhoud van de op het perceel gelegen panden. De in verband met dit onderhoud gemoeide kosten voor de inschakeling van een derde zien immers niet op de voortzetting van de exploitatie van de boerderij op (precies) dezelfde wijze als vóór het ongeval. Die kosten komen als afzonderlijke post, met inachtneming van de richtlijn zelfwerkzaamheid van de Letselschaderaad, in aanmerking voor vergoeding. Zoals Univé in dit verband met juistheid heeft opgemerkt, kunnen evenwel niet de kosten van achterstallig onderhoud van de panden op de aansprakelijke partij worden verhaald.
4.20.
Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het subsidiaire verzoek van [verzoekster] toewijzen in die zin dat zij zal bepalen dat Univé verplicht is tot betaling van een bedrag van € 22.000 in verband met de kosten die gemoeid zijn met de inschakeling van hulp bij de voortzetting van haar boerderij vanaf 1 januari 2017. Zij wijst het meer of anders verzochte af.
Kosten deel geschil 4.21. Op grond van artikel 1019aa Rv dient de rechtbank de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt te begroten, waarbij alle kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking dienen te worden genomen. Hierbij dient de dubbele redelijkheidstoets te worden gehanteerd; het dient redelijk te zijn dat de kosten zijn gemaakt en de hoogte van de kosten dienen eveneens redelijk te zijn.
4.22.
[verzoekster] heeft de kosten begroot op in totaal € 5.265,94, uitgaande van een tarief van € 220 en in totaal 18,70 exclusief btw. Univé heeft geen verweer gevoerd. De rechtbank is van oordeel dat de opgevoerde kosten voldoen aan de genoemde dubbele redelijkheidstoets. De kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW worden derhalve begroot op € 5.265,94.
5. De beslissing
De rechtbank
5.1.
bepaalt dat Univé verplicht is tot betaling van een bedrag van € 22.000 aan [verzoekster] in verband met de kosten die gemoeid zijn met de inschakeling van hulp bij de voortzetting van haar boerderij vanaf 1 januari 2017;
5.2.
De rechtbank begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa Rv op € 5.265,94;
5.3.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2017.1.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 06‑06‑2017
Uitspraak 08‑12‑2016
Inhoudsindicatie
“Deelgeschil. Afwijzing aansprakelijkheid basisschool en/of kinderopvangorganisatie voor letsel zevenjarig kind na schooltijd bij val tijdens spelen op ‘stepping stones’ op het schoolplein. Gebrekkig speeltoestel? Artikel 6:174 BW in verbinding met artikel 6:181 BW. Geen verlegging van aansprakelijkheid; causaliteit ontbreekt. Veiligheidseisen en gevaarzetting. Artikel 6:162 BW. Onrechtmatig nalaten ten aanzien van toezicht?”
Partij(en)
beschikking
RECHTBANK DEN HAAG
Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/512450 / HA RK 16-292
Beschikking van 8 december 2016
in de zaak van
[verzoekster] ,
in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2006,wonende te [woonplaats] ,
verzoekster,
advocaat mr. R. Schoemaker te Den Haag,
tegen
1. de stichting STICHTING LUCAS ONDERWIJS,
gevestigd te Den Haag,
verweerster sub 1,
2. de societas europaea AMLIN INSURANCE S.E.,
gevestigd te Amstelveen,
verweerster sub 2,
advocaat mr. B.M. Paijmans te Utrecht,
3. de stichting STICHTING KINDEROPVANG 2SAMEN,
gevestigd te Den Haag,
verweerster sub 3,
4. de naamloze vennootschap NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MIJ N.V.,
gevestigd te Den Haag,
verweerster sub 4,
advocaat mr. J.M. Bruidegom te Den Haag.
Eiseres wordt hierna [verzoekster] en haar minderjarige dochter [minderjarige] wordt [voornaam] genoemd. Verweerster sub 1 wordt Lucas Onderwijs genoemd, verweerster sub 2 Amlin en gezamenlijk worden zij Lucas Onderwijs c.s. (meervoud) genoemd. Verweerster sub 3 wordt 2Samen, verweerster sub 4 Nationale-Nederlanden en gezamenlijk worden zij 2Samen c.s. genoemd.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het verzoekschrift, ingekomen 8 juni 2016,
- -
het verweerschrift aan de zijde van Lucas Onderwijs c.s., ingekomen 26 september 2016,
- -
het verweerschrift aan de zijde van 2Samen c.s., ingekomen 26 september 2016,
- -
de brief van mr. Schoemaker van 29 september 2016,
- -
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 4 oktober 2016.
1.2.
Ten slotte is een datum voor het wijzen van een beschikking bepaald.
2. De feiten
2.1.
Lucas Onderwijs is het bevoegd gezag van diverse scholen voor basisonderwijs, voortgezet onderwijs en speciaal onderwijs in de regio Den Haag. Basisschool De Toermalijn (hierna: De Toermalijn) wordt door Lucas Onderwijs in stand gehouden. Amlin is de aansprakelijkheidsverzekeraar van Lucas Onderwijs.
2.2. 2
Samen is een kinderopvangorganisatie. Lucas Onderwijs en 2Samen hebben een huurovereenkomst en een samenwerkingsovereenkomst gesloten op grond waarvan 2Samen (locatie kindercentrum 2Hoek) een aantal lokalen in het schoolgebouw van De Toermalijn huurt en buitenschoolse opvang verzorgt, ook ten behoeve van leerlingen van basisscholen die niet door Lucas Onderwijs in stand worden gehouden. 2Samen maakt in dat verband ook gebruik van het schoolplein bij het schoolgebouw.
2.3.
[verzoekster] en 2Samen hebben een plaatsingsovereenkomst gesloten op grond waarvan [voornaam] naschoolse en vakantieopvang genoot in kindercentrum 2Hoek. [voornaam] is geen leerling van De Toermalijn.
2.4.
Lucas Onderwijs (De Toermalijn) heeft bij Hercules Speeltoestellen zogenoemde steppings stones gekocht, die op 17 december 2013 zijn geleverd en omstreeks één of enkele weken vóór 19 maart 2014 door hoveniersbedrijf Van der Spek op het schoolplein van De Toermalijn zijn geplaatst.
2.5.
De stepping stones zijn voorzien van een certificaat van keuring, gedateerd 20 november 2009. De stepping stones voldeden aan de toepasselijke NEN-normen NEN-EN 1176:2008 en NEN-EN 1177:2008.
2.6.
De stepping stones bestaan uit een achttal, genummerde, rubberen blokken, van 2 x 20, 2 x 30, 2 x 40 en 2 x 50 cm hoog. Zij zijn op het schoolplein van De Toermalijn iets lager, in hoogte variërend van 16-46 cm, en op verschillende afstand van elkaar geplaatst.
2.7.
Op 19 maart 2014 heeft [voornaam] tijdens de naschoolse opvang bij 2Samen gespeeld op de stepping stones op het schoolplein van De Toermalijn. Zij is bij de overgang van de steen met nummer 6 naar die met nummer 7 gevallen.
2.8.
[voornaam] is diezelfde dag opgenomen in het ziekenhuis. Blijkens de informatie van mevrouw G.W. Zijp, kinderchirurg, aan mr. Schoemaker van 21 mei 2015 is vastgesteld dat haar rechternier gescheurd was (een kleine scheur in de onderpool van de rechternier, graad II). Zij is opgenomen voor strikte bedrust en dagelijkse urinecontrole en verdere monitoring. Tevens kreeg zij pijnstilling. Op 24 maart 2014 werd een verbetering gezien op het echografisch beeld en op 26 maart 2014 kon zij in goede toestand worden ontslagen. Op 31 maart 2014 heeft eenmaal een poliklinische controle plaatsgevonden. Zij is ontslagen uit verdere controle. De kinderchirurg vermeldt: “Wij verwachten geen restafwijkingen”.
2.9.
De Toermalijn heeft na de val de stepping stones verwijderd van het schoolplein.
2.10.
[verzoekster] en [voornaam] zijn verhuisd en thans woonachtig te [woonplaats] .
3. Het geschil
3.1.
[verzoekster] verzoekt samengevat – voor recht te verklaren dat Lucas Onderwijs c.s. en 2Samen c.s. hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die [voornaam] heeft geleden en zal lijden (de rechtbank leest: als gevolg van haar val op 19 maart 2014), zonder enige vorm van eigen schuld, verweersters te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten van€ 4.150,30 en in de proceskosten.
3.2.
[verzoekster] baseert de gestelde aansprakelijkheid op de artikelen 6:174, 6:162 BW en 6:74 BW. Samengevat heeft zij de volgende stellingen betrokken.
De Toermalijn is bezitter en bedrijfsmatige gebruiker van het schoolgebouw, het schoolplein en de speeltoestellen op het schoolplein. 2 Samen is mede bedrijfsmatige gebruiker van het schoolgebouw. Zij zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de gevolgen van de val van [voornaam] . Het schoolplein met de stepping stones was naar objectieve maatstaven geen veilige speelplaats. De kans dat een kind uitglijdt of mis springt is groot. Er hadden eenvoudig rubberen matten onder de stones geplaatst kunnen worden en ze hadden van zachter materiaal gemaakt moeten worden. De technische mogelijkheid om voldoende veiligheidsmaatregelen te nemen is goed uitvoerbaar, ook door minder hoge stepping stones te plaatsen of op minder grote afstand van elkaar. Het is niet waarschijnlijk, en dat kan van een kind van zeven ook niet worden verwacht, dat het een grote mate van voorzichtigheid en oplettendheid betracht bij het spelen op de stepping stones. Het kan ook door de hoogte- en afstandsverschillen gemakkelijk een vergissing maken in de inschatting van de afstanden tussen de stenen. Lucas Onderwijs en 2Samen hadden meer toezicht moeten houden of moeten voorkomen dat een jong kind van zeven op de stepping stones speelde. 2Samen heeft zorgeloos gehandeld door bij zo’n gevaarlijk speeltoestel als de stepping stones geen hulp te bieden in de vorm van een medewerker naast de stepping stones die bij een eventuele val hulp zou kunnen bieden. Van eigen schuld kan geen sprake zijn gezien de leeftijd van [voornaam] .
3.3.
Lucas Onderwijs c.s. en 2Samen c.s. voeren verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Behandeling in een deelgeschilprocedure 4.1. Het onderhavige verzoek is gegrond op artikel 1019w Rv. Dat artikel biedt de persoon die een ander aansprakelijk houdt voor zijn letselschade de mogelijkheid, ook voordat de zaak ten principale aanhangig is, de rechter te verzoeken te beslissen over een geschil omtrent of in verband met een deel van hetgeen ter zake tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering in de hoofdzaak.
4.2.
Met partijen is de rechtbank van oordeel dat de beoordeling van het geschil tussen partijen betreffende de gestelde aansprakelijkheid van Lucas Onderwijs c.s. en 2Samen c.s. voor het letsel van [voornaam] zich leent voor een behandeling in een deelgeschilprocedure. De toedracht is niet tussen partijen in geschil. De rechtbank zal het verzoek derhalve inhoudelijk beoordelen.
Gebrekkige opstal?
4.3.
Lucas Onderwijs is de bezitter van het schoolgebouw en het schoolplein en daarmee van de stepping stones die op het plein zijn geplaatst. Niet in geschil is dat de stepping stones een (onderdeel van een) opstal in de zin van artikel 6:174 BW zijn. Lucas Onderwijs gebruikt het schoolgebouw en -plein zelf in het kader van de uitoefening van haar bedrijf. Na schooltijd exploiteert zij een gedeelte van het schoolgebouw door middel van verhuur aan 2Samen, die dat gedeelte dan in het kader van de uitoefening van haar bedrijf gebruikt. Het gebruik van het (gehele) schoolplein door 2Samen na schooltijd wordt in de verhuur begrepen geacht. Aangezien Lucas Onderwijs ten tijde van de val het schoolplein alleen aan 2Samen daadwerkelijk ter beschikking heeft gesteld, rust op grond van artikel 6:181 lid 2 BW in samenhang bezien met artikel 6:181 lid 1 BW uitsluitend op 2Samen de aansprakelijkheid uit artikel 6:174 lid 1 BW, tenzij het ontstaan van de schade niet met de uitoefening van het bedrijf in verband staat. De genoemde “tenzij-regel” mag niet te beperkt worden uitgelegd (HR 26 november 2010, LJN BM9757, NJ 2010/636 (DB opslaghal/Edco).
4.4. 2
Samen is als huurder niet gerechtigd tot het aanbrengen van veranderingen aan de uitrusting, constructie en wijze van plaatsing van de speeltoestellen op het schoolplein. Voor zover [verzoekster] haar verzoek baseert op het ontbreken van een rubberen mat of de wijze van plaatsing van de stepping stones (hoogte en onderlinge afstand), althans anderszins op het nalaten veiligheidsmaatregelen te treffen die de uitrusting, constructie of plaatsing van de stepping stones betreffen, ontbreekt de vereiste causaliteit tussen het ontstaan van de schade en de uitoefening van het bedrijf van 2Samen. De aansprakelijkheid van Lucas Onderwijs als opstalbezitter herleeft in dat geval. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van Lucas Onderwijs en 2Samen dat uitsluitend 2Samen in dezen aansprakelijk kan worden gehouden op grond van artikel 6:174 BW.
4.5.
De vraag of de stepping stones een gebrek hebben waarvoor Lucas Onderwijs op grond van artikel 6:174 BW aansprakelijk is, dient te worden beoordeeld aan de hand van de maatstaven die zijn ontwikkeld in HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6236, NJ 2012/155 (Wilnis), rov. 4.4.3 (vgl. HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:831, NJ 2014/368 (Reaal/Deventer)). Bij het antwoord op de vraag of de stepping stones voldoen aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mogen worden gesteld, en dus niet gebrekkig zijn, komt het derhalve aan op de - naar objectieve maatstaven te beantwoorden - vraag of deze, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn (het arrest Wilnis, rov. 4.4.4). Deze maatstaven komen overeen met de ‘kelderluikcriteria’ (HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079, NJ 1966/136 (Kelderluik) en HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:47, NJ 2013, 366).
4.6.
De rechtbank stelt voorop dat de toepasselijke NEN-normen eisen stellen aan onder meer de veiligheid van de stepping stones, waaronder eisen die strekken tot bescherming tegen vallen (EN 1176-1:2008), alsook eisen aan de omgeving van de stepping stones, onder meer om de kritische valhoogte te bepalen (EN 1177:2008). In die NEN-normen zijn blijkens de inleiding op die normen de kenmerken van kinderspel en de daaraan verbonden risico’s verdisconteerd met daarin een balans tussen enerzijds de kans voor kinderen om aanvaardbare risico’s aan te gaan als onderdeel van een stimulerende, uitdagende en gecontroleerde leeromgeving en anderzijds de noodzaak het kind te vrijwaren van ernstig letsel. Meer specifiek is ter zake in de inleiding opgemerkt: “Erkenning van de kenmerken van het kinderspel en de manier waarop kinderen zich ontwikkelen door te spelen op een speelplaats, houdt in dat kinderen moeten leren met risico’s om te gaan, en dat kan leiden tot builen, blauwe plekken en zelfs in uitzonderlijke gevallen een botbreuk. Deze norm heeft in de eerste plaats tot doel ongevallen te voorkomen die leiden tot blijvend letsel of overlijden, en in de tweede plaats ernstige gevolgen te verminderen als gevolg van ongevallen die zich onvermijdelijk zullen voordoen wanneer kinderen hun vaardigheden ontwikkelen, zowel op sociaal, mentaal als op lichamelijk gebied. (…)” Blijkens de toepasselijke NEN-normen is in het geval van speeltoestellen met een vrije valhoogte tot maximaal 60 cm, en die geen gedwongen beweging van het lichaam van de gebruiker veroorzaken, geen valdempende ondergrond vereist. Speeltoestellen met een gedwongen beweging, waarbij altijd een valdempende ondergrond aanwezig moet zijn die geschikt is voor een valhoogte van minimaal 100 cm zijn schommels, wippen, veertoestellen, draaitoestellen, kabelbanen en de uitloop van glijbanen. De genoemde eisen werden blijkens de overgelegde informatie van de website “allesoverspelen”, onderdeel van de website www.veiligheid.nl als acceptabel gezien omdat de europese normcommissie wilde vermijden dat overal speciaal bodemmateriaal moet worden aangebracht.
4.7.
Anders dan [verzoekster] kennelijk meent, vormen stepping stones geen speeltoestel dat een gedwongen beweging veroorzaakt. Niet het toestel veroorzaakt immers de beweging, maar de gebruiker zelf (op- of afstappen, overstappen of springen). Dat het lichaam moet bewegen bij het gebruikmaken van de stepping stones (meer in het bijzonder: bij de overgang van de ene steen naar de andere) is inherent aan een speeltoestel. Dit maakt echter niet dat sprake is van een gedwongen beweging, veroorzaakt door het toestel zelf. Ook uit de overgelegde productinformatie van de betrokken leveranciers blijkt dat een valdempende ondergrond niet noodzakelijk is.
4.8.
Een en ander brengt mee dat Lucas Onderwijs, noch op grond van de toepasselijke NEN-normen, noch ter voorkoming van gevaarzetting op grond van artikel 6:174 BW verplicht was tot het plaatsen van rubberen matten onder, althans rondom de steppingstones, zoals [verzoekster] heeft gesteld. Gelet hierop en nu [verzoekster] niet gesteld heeft, en ook niet gebleken is, dat de wijze van plaatsing van de stepping stones op het schoolplein niet voldeed aan de daarvoor geldende eisen volgens de NEN-normen en de fabrikant/leverancier, en zij verder geen feiten naar voren heeft gebracht die zouden kunnen meebrengen dat Lucas Onderwijs anderszins veiligheidsmaatregelen met betrekking tot de uitrusting, constructie of plaatsing van de stepping stones, had moeten treffen, faalt het beroep van [verzoekster] op artikel 6:174 BW.
Onrechtmatig handelen?
4.9.
Een andere vraag is of Lucas Onderwijs en 2Samen aansprakelijk zijn op grond van artikel 6:162 BW door na te laten toezicht te houden op het gebruikmaken van de stepping stones door [voornaam] op 19 maart 2014. Volgens [verzoekster] had er iemand naast de stepping stones moeten staan om een eventuele val van [voornaam] op te kunnen vangen.
4.10.
Met Lucas Onderwijs en 2Samen is de rechtbank van oordeel dat uitsluitend 2 Samen mogelijk aansprakelijk kan worden gehouden op grond van artikel 6:162 BW wegens tekortschietend toezicht. [voornaam] viel immers na schooltijd en op het moment waarop zij viel, was zij onder de verantwoordelijkheid van 2Samen op grond van de tussen [verzoekster] en 2Samen gesloten plaatsingsovereenkomst.
4.11.
Anders dan [verzoekster] heeft betoogd, brengt de omstandigheid dat kinderen bij het spelen op de stepping stones “in de vrije ruimte bewegen” niet mee dat in zijn algemeenheid sprake zou moeten zijn van toezicht zoals [verzoekster] heeft gesteld. De aan Lucas Onderwijs geleverde set van acht stepping stones worden blijkens de overgelegde productinformatie van de leverancier aanbevolen voor de leeftijd van vijf tot tachtig jaar. Uitgaande van een plaatsing conform de daarvoor geldende eisen, zoals op het schoolplein van De Toermalijn, mocht 2Samen ervan uitgaan dat kinderen vanaf vijf jaar in beginsel zelfstandig van de stepping stones op het schoolplein gebruik kunnen maken, zonder de aanwezigheid van een begeleider naast de stenen om een eventuele val op te kunnen vangen. Dit geldt derhalve ook voor [voornaam] , die ten tijde van de val zeven was. De stepping stones zijn juist bedoeld voor dergelijk zelfstandig gebruik. Hieraan doet niet af dat de stepping stones kunnen uitnodigen tot springen. Daargelaten dat de plaatsing van de stenen zodanig is dat kinderen vanaf vijf (gezien de lengte van hun benen) normaal gesproken niet zullen hoeven te “springen” van de ene naar de andere steen, maar kunnen “stappen”, wordt, zoals uit de toelichting op de NEN-normen blijkt, in de voor stepping stones geldende veiligheidsnormen rekening gehouden met het spelgedrag van kinderen, waaronder derhalve ook eventueel springen. De vergelijking van [verzoekster] met het gebruik van toestellen in een gymzaal gaat niet op. In een gymzaal is immers sprake van bewegingsonderwijs. Dit is nu juist niet het geval bij spelen op een schoolplein.
4.12.
Niet is voorts gesteld of gebleken dat [voornaam] leed aan zodanige fysieke of motorische beperkingen, dat 2Samen in haar geval, in afwijking van de hiervoor verwoorde algemene regel, specifiek toezicht zou hebben moeten houden op het gebruik van de stepping stones door haar.
4.13.
Daargelaten of 2Samen met het door [verzoekster] gewenste toezicht de val en het letsel van [voornaam] zou hebben kunnen voorkomen, stuit de gestelde aansprakelijkheid van 2Samen voor de gevolgen van het letsel op grond van onrechtmatige daad af op het vorenstaande. Voor zover [verzoekster] haar verzoek op artikel 6:74 BW baseert, stuit dit eveneens af op het vorenstaande.
Conclusie 4.14. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de door [verzoekster] verzochte verklaring voor recht wordt afgewezen.
Kosten deel geschil 4.15. Op grond van artikel 1019aa Rv dient de rechtbank de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt te begroten, waarbij alle kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking dienen te worden genomen. Hierbij dient de dubbele redelijkheidstoets te worden gehanteerd; het dient redelijk te zijn dat de kosten zijn gemaakt en de hoogte van de kosten dienen eveneens redelijk te zijn.
4.16.
Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat voor begroting van de kosten ook plaats is in geval van afwijzing van het verzoek. Dit is alleen anders indien de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. De rechtbank is van oordeel dat van deze laatste situatie in dit geval geen sprake is. [verzoekster] had het niet al op voorhand duidelijk moeten zijn dat het verzoek niet zou slagen. De rechtbank acht het dan ook redelijk dat met de onderhavige procedure kosten zijn gemaakt. Gelet hierop verstaat de rechtbank het verzoek van [verzoekster] tot veroordeling van Lucas Onderwijs en 2Samen in de buitengerechtelijke kosten als een verzoek om begroting van die kosten en zal de rechtbank tot begroting overgaan.
4.17.
[verzoekster] verzoekt met een beroep op voornoemd artikel 1019aa Rv vergoeding van zijn advocaatkosten. Mr. Schoemaker begroot deze kosten onder verwijzing naar facturen en urenspecificatie op een bedrag van € 4.150,30. Genoemd bedrag is opgebouwd uit 14 uur van € 245.
4.18.
De rechtbank is van oordeel dat de opgevoerde kosten voldoen aan de genoemde dubbele redelijkheidstoets. De kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 worden derhalve begroot op € 4.150,30.
4.19.
Nu de rechtbank de aansprakelijkheid van Lucas Onderwijs en 2Samen voor de gevolgen van het ongeval niet heeft vastgesteld, zal het verzoek te bepalen dat zij de kosten van dit deelgeschil dienen te voldoen, worden afgewezen.
5. De beslissing
De rechtbank
5.1.
begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa Rv op € 4.150,30;
5.2.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt en in het openbaar uitgesproken op 8 december 2016.1.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 08‑12‑2016
type: 1772