Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/21.2.4.2
21.2.4.2 De regresvordering krachtens zelfstandig wettelijk recht
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS365299:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Smeehuijzen, WPNR 2005, p. 66 e.v., met verwijzingen.
HR 1 april 2005 (Sint Lucas Andreas/ZAO) werd door de Hoge Raad nog bevestigd in zijn arrest van 26 januari 2007, NJ 2007, 77.
28 januari 2004, NJF 2004, 258.
22 maart 1999, VR 1999, 168.
Zie voor het aan die beslissing voorafgaande debat in de literatuur Smeehuijzen, WPNR 2005, p. 66 e.v., met verdere verwijzingen. Daar vindt men ook nadere argumenten ter ondersteuning van de in Sint Lucas Andreas/ZAO genomen beslissing.
§ 21.2.4.1.
Zie over het probleem dat dan de termijn al gaat lopen ten aanzien van een vordering die nog niet bestaat (het zelfstandig regresrecht ontstaat pas op het moment van uitkering) Smeehuijzen, WPNR 2005, p. 73 e.v.; de oplossing voor dat probleem ligt in de mogelijkheid krachtens art. 6:105 BW ook toekomstige schade te vorderen.
Aangenomen mag worden dat art. 3:310 lid 1 BW ook van toepassing is op alle zelfstandige wettelijke verhaalsrechten.
De grondslag van regresvorderingen kan, naast subrogatie, ook gelegen zijn in een zelfstandig wettelijk verhaalsrecht. Voorbeelden van zelfstandige wettelijke verhaalsrechten zijn art. 6:107aBW, art. 99-100 WIA, art. 83b lid 1 Ziekenfondswet, art. 2 Verhaalswet Ongevallen Ambtenaren, en de art. 15 en 27 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen. In geval van subrogatie gaat de vordering krachtens bijzondere titel over; de regresnemer komt ten aanzien van de vordering als het ware in de juridische schoenen van de oorspronkelijk rechthebbende te staan. In geval van een zelfstandig wettelijk verhaalsrecht krijgt de regresnemer een eigen, zelfstandige vordering op het moment dat hij tot uitkering aan de benadeelde overgaat.
Omdat het gaat om zelfstandige verhaalsrechten, rijst de vraag of die rechten wel moeten worden beschouwd als rechtsvordering tot vergoeding van schade in de zin van art. 3:310 lid 1 BW. Die kwestie is lang omstreden geweest,1 maar inmiddels lijkt met HR 31 mei 2002 (Bijlsma/ABP),2 en het hiervoor al genoemde HR 1 april 2005 (Sint Lucas Andreas/ ZAO)3 de beslissing te zijn gevallen.4 In die arresten oordeelde de Hoge Raad dat de zelfstandige verhaalsrechten als bedoeld in art. 2 Verhaalswet ongevallen ambtenaren en art. 83b Ziekenfondswet dienen te worden beschouwd als een vordering tot vergoeding van schade als bedoeld in art. 3:310 BW.
In Bijlsma/ABP oordeelt de Hoge Raad: "Het Hof heeft echter terecht geoordeeld dat de op artikel 2 VOA gebaseerde verhaalsvordering voor de beantwoording van de vraag, welke verjaringstermijn moet gelden, dient te worden gekwalificeerd als een vordering tot vergoeding van schade als bedoeld in artikel 3:310 Immers het verhaalsrecht van het verhalend lichaam mag ingevolge de bepaling van artikel 3 VOA niet ertoe leiden dat de laedens in een slechtere positie komt te verkeren dan waarin hij zou hebben verkeerd ingeval hij door de getroffene zelf tot schadevergoeding zou zijn aangesproken en zulks niet alleen geldt voor de hoogte van de vordering doch ook voor de beantwoording van de vraag aan welke verjaringstermijn de verhaalsvordering is onderworpen. Het Hof is derhalve uitgegaan van een juiste rechtsopvatting." In Sint Lucas Andreas/ZAO hanteerde de Hoge Raad onder verwijzing naar Bijlsma/ABP min of meer gelijke bewoordingen.
Uit regresrechtelijk oogpunt is deze benadering bevredigend, omdat de leer van het civiel plafond geen geweld wordt aangedaan. De tegenwerping dat het onderhavige regresrecht strikt beschouwd geen vordering tot schadevergoeding is — want dat is het inderdaad niet; zie HR 26 september 20035 —, is niet overtuigend als men beseft dat de verzekeraar in economische zin wel degelijk schade lijdt en de wetgever het begrip schade in art. 3:310 BW een brede betekenis heeft willen geven.
Vanuit meer fundamenteel verjaringsrechtelijk perspectief is nog als instemmende opmerking toe te voegen dat het ook wenselijk is dat de vordering onder de vijfjaarstermijn van art. 3:310 BW valt, omdat op de regresnemer krachtens een zelfstandig recht evenzeer als op een gewone crediteur de verplichting rust zijn vordering geldend te maken zodra hij daartoe daadwerkelijk in staat is (althans binnen vijf jaar na dat moment). Als hij dat niet doet, moet ook ten aanzien van hem het oordeel luiden dat hij zijn recht, in conceptuele zin, heeft verwerkt.
Er is geen goede reden te bedenken waarom hetgeen de Hoge Raad in Bijlsma/ABP en Sint Lucas Andreas/ZAO overwoog, niet tevens zou gelden voor andere zelfstandige wettelijke regresrechten. Zo werd Bijlsma/ABP al nagevolgd door de Rechtbank Rotterdam,6 die besliste dat het zelfstandig verhaalsrecht van de WAM-verzekeraar krachtens art. 15 WAM ook onder art. 3:310 BW valt. Al voor Bijlsma/ABP kwam het Hof Den Bosch7 tot hetzelfde oordeel ten aanzien van het zelfstandig verhaalsrecht van het Waarborgfonds krachtens art. 27 WAM.
Als de regresgerechtigde krachtens zelfstandig wettelijk recht de voor aanvang van de relatieve termijn vereiste kennis later krijgt dan de direct benadeelde, is het toch niet zo dat die regresgerechtigde zijn vordering tegen de aansprakelijke partij langer kan uitoefenen dan de direct benadeelde dat had kunnen doen. Het civiele plafond staat hieraan in de weg. Als de regresgerechtigde de voor aanvang van de relatieve termijn vereiste kennis eerder krijgt dan de direct benadeelde, gaat de relatieve termijn lopen op het moment dat hij die kennis verkrijgt. Het civiele plafond noopt niet tot een andere conclusie.
Net als bij regres krachtens subrogatie, is na de constatering dat de regresvordering onder de werking van art. 3:310 BW valt, de vervolgvraag wiens kennis in het kader van de relatieve verjaringstermijn doorslaggevend is; die van de direct benadeelde of die van de regresnemer. Het dilemma, net als overigens de door de Hoge Raad gekozen oplossing, is gelijkluidend: als men, in de situatie waarin de benadeelde de vereiste kennis eerder heeft dan de regresgerechtigde, ter bepaling van het aanvangsmoment van de verjaringstermijn van de regresvordering het Saelman-criterium toepast, gaat de verjaringstermijn van de regresvordering later lopen dan de verjaringstermijn van de vordering van de direct benadeelde; de regresgerechtigde raakt immers later dan de direct benadeelde "daadwerkelijk in staat" zijn vordering in te stellen. Dat zou betekenen dat de aansprakelijke partij langer door de regresgerechtigde dan door de direct benadeelde kan worden aangesproken. Die consequentie laat zich evenwel moeilijk rijmen met het zogenaamde civiele plafond, dat inhoudt dat de aangesprokene niet in een slechtere positie mag komen te verkeren dan waarin hij zou hebben verkeerd indien hij door de benadeelde zelf zou zijn aangesproken (dat civiele plafond is in feite voor het zelfstandig verhaalsrecht wat art. 6:145 BW voor het regresrecht krachtens subrogatie is).
Welk van deze twee noties prevaleert is lange tijd onbeslist geweest, maar aan die onduidelijkheid is met het voornoemde Sint Lucas Andreas/ZAO een einde gekomen.8 Hiervoor9 werd de betreffende overweging volledig geciteerd; de kernpassage luidt dat het: "(...) strookt met het in artikel 83b Zfw neergelegde civiele plafond aan te nemen dat een aansprakelijke persoon zich jegens het ziekenfonds erop kan beroepen dat het niet een rechtsvordering kan instellen die reeds zou zijn verjaard, zo deze niet door het ziekenfonds maar door de getroffene zelf zou zijn ingesteld." Met andere woorden: het moment waarop de direct benadeelde de voor de aanvang van de relatieve termijn vereiste kennis heeft, is doorslaggevend.
Ook hier verdient, net als bij regres krachtens subrogatie, voor de volledigheid aandacht de vraag wanneer de termijn jegens de regresnemer aanvangt in het geval die regresnemer de voor het aanvang van de relatieve termijn vereiste kennis eerder krijgt dan de direct benadeelde. Het antwoord luidt, net als bij subrogatie, dat dan de termijn begint te lopen op het moment dat de regresgerechtigde de vereiste kennis heeft, dus op een eerder moment dan de termijn voor de direct benadeelde gaat lopen, omdat het civiele plafond niet meer behelst dan dat de aangesprokene er als gevolg van het feit dat hij nu door de regresgerechtigde wordt aangesproken niet slechter op mag worden.10