HR, 10-03-2026, nr. 25/00334
ECLI:NL:HR:2026:340
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10-03-2026
- Zaaknummer
25/00334
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:340, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑03‑2026; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1384
ECLI:NL:PHR:2025:1384, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 16‑12‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:340
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2026-0077
Uitspraak 10‑03‑2026
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag ex art. 94a Sv onder klaagster en anderen op woningen, perceel bouwgrond, auto, effectenportefeuilles, bankrekeningen en vordering in Luxemburg, Zwitserland en België t.l.v. anderen i.h.k.v. strafrechtelijk onderzoek “Milwaukee” t.z.v. verdenking van illegaal aanbieden van online kansspelen, witwassen en deelname aan criminele organisatie, met het oog op ontneming van w.v.v. Derdenbeslag. Heeft Rb (economische raadkamer) door te overwegen dat zij het niet hoogst onwaarschijnlijk acht dat strafrechter verplichting tot betaling van geldboete, ontnemingsmaatregel of schadevergoedingsmaatregel zal opleggen, juiste maatstaf toegepast? Om redenen vermeld in HR:2026:337 slaagt middel. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 25/00320 B, 25/00321 B, 25/00322 B, 25/00326 B, 25/00328 B, 25/00330 B, 25/00331 B, 25/00332 B, 25/00333 B en 25/00335 B.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/00334 B
Datum 10 maart 2026
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 30 mei 2024, nummer RK 23/028299, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klaagster],
gevestigd in [plaats] (België),
hierna: de klaagster.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze hebben de advocaten G.J.M.E. de Bont, C.J.M. Perraud en M. Prins bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beschikking en tot terugwijzing naar de rechtbank Oost-Brabant, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
De raadslieden De Bont en Prins hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de rechtbank bij de beoordeling van het klaagschrift een onjuiste maatstaf heeft toegepast.
2.2
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de beschikking die de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 25/00328 B, ECLI:NL:HR:2026:337.
3. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het tweede tot en met het zesde cassatiemiddel niet nodig.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Oost-Brabant, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 maart 2026.
Conclusie 16‑12‑2025
Inhoudsindicatie
Beklag (art. 552a Sv), beslag ex art. 94a Sv. Verzuim de maatstaf toe te passen die geldt voor conservatoir beslag onder een andere dan de verdachte. Geen vereenzelviging verdachte en rechtspersoon. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 25/00320, 25/00321, 25/00322, 25/00326, 25/00328, 25/00330, 25/00331, 25/00332, 25/00333 en 25/00335.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/00334 B
Zitting 16 december 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[klaagster],
gevestigd te [plaats],
hierna: de klaagster.
1. Inleiding
1.1
De rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch (raadkamernr. 23/028299) heeft bij beschikking van 30 mei 2024 het beklag strekkende tot (gedeeltelijke) opheffing van het beslag ongegrond verklaard.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 25/00320, 25/00321, 25/00322, 25/00326, 25/00328, 25/00330, 25/00331, 25/00332, 25/00333 en 25/00335. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster en G.J.M.E. de Bont, C.J.M. Perraud en M. Prins, allen advocaat in Amsterdam, hebben zes middelen van cassatie voorgesteld.
2. De procedure
2.1
Op grond van de gedingstukken kan in deze zaak van het volgende worden uitgegaan.
2.2
De onderhavige beklagprocedure speelt tegen de achtergrond van het strafrechtelijk onderzoek ‘Milwaukee’. Dat onderzoek richt zich (onder meer) tegen de verdachten [medeklager 1] (25/00330), [medeklaagster 2] (25/00335) en [medeklager 3]. (25/00322), die verdacht worden van het – kort gezegd – illegaal aanbieden van online kansspelen op de Nederlandse markt, het witwassen van uit dat misdrijf afkomstige geldbedragen en het deelnemen aan een criminele organisatie. Met het oog op de ontneming van het in dat kader wederrechtelijk verkregen voordeel is (met name) in juni 2021conservatoir beslag gelegd op een groot aantal roerende en onroerende zaken, te weten: een woning, een vakantiehuis, een perceel bouwgrond, een tweetal voertuigen, zestien effectenportefeuilles, vijftien bankrekeningen en een vordering op een vennootschap. Op deze voorwerpen is mede beslag gelegd onder de rechtspersonen [klaagster] (de klaagster), [medeklager 4] (25/00328), [medeklager 5] (25/00333) en [medeklager 6] (25/00336). Deze voorwerpen bevinden zich in Luxemburg, Zwitserland en België, alwaar [medeklager 1] en [medeklaagster 2] sinds 2013 woonachtig zijn.
2.3
Ten aanzien van de klagers [medeklager 1], [medeklaagster 2] en [medeklager 3] is op 24 november 2020 door de rechter-commissaris van de rechtbank Oost-Brabant een machtiging afgegeven voor een strafrechtelijk financieel onderzoek als bedoeld in artikel 126 Sv. Voor de klagers [medeklager 4], [medeklager 5], [medeklager 6] en [klaagster] is geen machtiging afgegeven voor een strafrechtelijk financieel onderzoek.
2.4
Namens de klaagster is, na zich eerder herhaaldelijk en tevergeefs (schriftelijk) tot het openbaar ministerie te hebben gewend, op 10 november 2023 een klaagschrift ingediend dat strekt tot opheffing van het beslag voor zover de waarde daarvan het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel overstijgt. Dat ‘overbeslag’ komt volgens de klager neer op meer dan 46 miljoen euro. Het openbaar ministerie heeft op 7 april 2024 schriftelijk op dat klaagschrift gereageerd. Op 19 april 2024 is het klaagschrift in raadkamer behandeld, waarna de rechtbank dit bij beschikking van 30 mei 2024 ongegrond heeft verklaard.
3. Het eerste middel
3.1
Het eerste middel bevat de klacht dat de rechtbank ter beoordeling van het klaagschrift van de klager een onjuiste toets heeft aangelegd.
3.2
Dit middel slaagt om de redenen vermeld in mijn conclusie in de zaak van de medeklaagster [medeklager 4] (25/00328).
4. Afronding
4.1
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.2
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking en tot terugwijzing naar de rechtbank Oost-Brabant, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG