HR, 21-11-2023, nr. 21/04084
ECLI:NL:HR:2023:1608
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
21-11-2023
- Zaaknummer
21/04084
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:1608, Uitspraak, Hoge Raad, 21‑11‑2023; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:864
ECLI:NL:PHR:2023:864, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 03‑10‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:1608
Beroepschrift, Hoge Raad, 08‑07‑2022
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2023-0206
Uitspraak 21‑11‑2023
Inhoudsindicatie
WhatsApp-fraude. Medeplegen wederrechtelijk gebruik maken van identificerende persoonsgegevens, art. 231b Sr. Is sprake is van “wederrechtelijk” gebruik van persoonsgegevens a.b.i. art. 231b Sr, nu aangeefster toestemming heeft gegeven? ’s Hofs bewijsvoering houdt in dat verdachte zich samen met één of meer anderen schuldig heeft gemaakt aan (pogingen tot) oplichting via WhatsApp. In dat kader heeft medeverdachte aan aangeefster gevraagd haar bankrekeninggegevens ter beschikking te stellen voor mogelijk maken van storten van geld op deze bankrekening t.b.v. medeverdachte. Aangeefster heeft vervolgens haar bankrekeninggegevens aan medeverdachte gegeven. Daarbij is door medeverdachte een onjuiste voorstelling van zaken gegeven, nu medeverdachte uitsluitend aangaf dat het zou gaan om overmaken van geld dat medeverdachte nog van haar ex-vriend zou ontvangen en dat niet gestort kon worden op rekening van medeverdachte, terwijl in werkelijkheid medeverdachte dat verzoek aan aangeefster deed i.v.m. gebruik van bankrekeninggegevens van aangeefster door verdachte en zijn mededader(s) om van misdrijf afkomstige geldbedragen te laten storten op bankrekening van aangeefster, met verheling van identiteit van verdachte. Hof heeft o.g.v. deze vaststellingen geoordeeld dat sprake is van “wederrechtelijk” gebruik van persoonsgegevens a.b.i. art. 231b Sr. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping. Samenhang met 21/05353 (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, verdachte n-o).
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/04084
Datum 21 november 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 september 2021, nummer 21-001000-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en S. van den Akker, beiden advocaat te Rotterdam, en P. van Dongen, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel richt zich tegen de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde en klaagt over het oordeel van het hof dat sprake is van ‘wederrechtelijk’ gebruik van persoonsgegevens als bedoeld in artikel 231b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
2.2.1
Overeenkomstig de tenlastelegging is onder 1 ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“hij, op meerdere tijdstippen in de periode van 10 oktober 2015 tot en met 16 oktober 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander te weten bankgegevens van [betrokkene 1] , heeft gebruikt door van misdrijf afkomstige, geldbedragen te (laten) storten op de bankrekening van die [betrokkene 1] , met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen en de identiteit van de ander te misbruiken, waardoor enig nadeel kon ontstaan.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:
“1. een proces-verbaal van verhoor, opgemaakt door [verbalisant 1] , brigadier van politie Eenheid Amsterdam, d.d. 26 november 2015 (p. 140-144 van het politiedossier), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] :
Ik ben op 10 oktober 2015 benaderd via Whatsapp door [betrokkene 2] . (...) Ik kreeg een Whatsappbericht van haar dat ze hulp nodig had van mij. Ze schreef dat zij en haar vriend uit elkaar waren en dat ze nog geld van haar ex vriend kreeg maar dat dit niet gestort kon worden op haar eigen bankrekening. (...) Ik vroeg haar: waarom kan het geld niet gestort worden op het bankrekeningnummer van je nieuwe vriend? Ze schreef dat hij een uitkering had en dat hij anders problemen kreeg met het UWV. Ik vond dit een aannemelijk verhaal en daarom gaf ik haar mijn bankrekeningnummer (:...). Ze schreef dat ze ongeveer 500 à 600 euro gestort zou krijgen en de afspraak was dat ik het geld vervolgens van mijn rekening zou halen en aan haar zou geven.
Ik zag de volgende dag dat er 2 stortingen waren gedaan door ene [betrokkene 3] [het hof begrijpt: aangever [betrokkene 3] ]. (...) Ik wist dat de achternaam van haar ex-vriend [betrokkene 4] was. Ik vond dit allemaal heel vreemd. Over de hele dag kreeg ik Whatsappjes van haar met de vraag of het geld al binnen was en die avond heb ik aan haar verteld dat het erop stond. Ze is vervolgens naar mij toe gekomen. Ik zag dat ze met de auto was met een jongen en hij bleek later haar vriend [betrokkene 5] te zijn. Ze vertelde aan mij dat het haar vriend was. Ik hoorde haar zeggen dat ik het geld nu moest pinnen. Ik zei dat ik nu niet weg kon omdat ik mijn vriendin [betrokkene 6] op visite had. Ze zei vervolgens dat ze het geld nu nodig had omdat ze mensen moest betalen. [betrokkene 6] en ik zijn vervolgens in mijn auto gestapt en we zijn naar een pinautomaat gereden in Rhenen. Ik ben naar de pinautomaat gelopen en heb een bedrag van 500 euro gepind. Vervolgens heb ik het geld aan haar overgedragen. (...)
De volgende dag heb ik mijn rekening geraadpleegd op mijn telefoon en zag ik dat er 338 euro was gestort.
Een aantal dagen later belde [betrokkene 2] mij weer op en vertelde mij dat er geld was gestort voor haar auto die zij bij haar ex-vriend had achtergelaten. Ik keek vervolgens op mijn ABN-app en zag dat er ongeveer 1000 euro was gestort. (...)
’s Avonds voordat ik naar huis ging wilde ik boodschappen pinnen en toen bemerkte ik dat mijn pinpas geblokkeerd was. (...) Ik heb vervolgens de bank gebeld en deze vertelde mij dat mijn bankrekening geblokkeerd was omdat een [betrokkene 3] aangifte had gedaan. (...) Ik ben samen met [betrokkene 6] naar het ABN-filiaal in Veenendaal gegaan en daar werd mij medegedeeld dat er fraude was gepleegd met mijn bankrekening en dat deze geblokkeerd bleef tot het opgelost was. (...).
15. een proces-verbaal van verhoor (p. 21-28 van het politiedossier), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van [betrokkene 2] dat plaatsvond op 21 oktober 2016:
V: vraag verbalisant
A: antwoord [betrokkene 2]
V: Wat is jouw verhaal met betrekking tot deze oplichtingszaken?
A: Ik werd benaderd door de vriend van de zus van mijn vriend. Die vriend heet [verdachte] . Het was vorig jaar. [verdachte] had aangegeven dat hij snel geld nodig had. Ik heb toen [betrokkene 1] [het hof begrijpt: [betrokkene 1] ] benaderd. Ik vertelde haar dat door een vriend van mij geld op haar rekening zou worden gestort. Dit geld moest zij dan opnemen van haar rekening en aan mij geven. Ik heb haar niet verteld voor wie dit geld bestemd was. Ik zou geld van een vriend krijgen, maar dat geld zou dan op haar rekening worden gestort. (...)
[verdachte] heeft toen geld laten storten op de rekening van [betrokkene 1] . Dit geld werd gepind en is naar [verdachte] gegaan. (...)
Op een gegeven moment kreeg ik van [betrokkene 1] te horen dat haar bankrekening was geblokkeerd.
V: Wie waren erbij toen [betrokkene 1] geld pinde?
A: Ik zat in de auto, samen met [betrokkene 5] [het hof begrijpt: [betrokkene 5] ]. Dit was in Rhenen.
V: Wat heb jij gedaan met het geld dat jij in Rhenen van [betrokkene 1] hebt gehad?
A: Dit heb ik aan [verdachte] gegeven.
16. een proces-verbaal van verhoor (p. 34-39 van het politiedossier), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van [betrokkene 5] :
O: opmerking verbalisant
V: vraag verbalisant
A: antwoord [betrokkene 5]
O: Je wordt verdacht van betrokkenheid bij enkele oplichtingszaken, welke zijn gepleegd in oktober 2015
V: Wie is de daadwerkelijke verdachte achter deze oplichtingen?
A: [verdachte] .
V: Wie is dit?
A: Mijn zwager.
17. een proces-verbaal van verhoor (p. 66-72 van het politiedossier), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van de verdachte op 4 september 2017:
V: vraag verbalisant
O: opmerking verbalisant
A: antwoord verdachte
V: Wie is [betrokkene 7] ?
A: Dat is mijn vrouw. (...)
V: Wie is [betrokkene 5] ?
A: Dat is haar broertje, mijn zwager. (...)
V: Waar ken jij [betrokkene 2] van?
A: Dat is de vriendin van [betrokkene 5] (...)
V: Wie is [betrokkene 3] ?
O: Hij heeft op 12 oktober 2015 aangifte gedaan van oplichting. (...)
V: Wie is [betrokkene 8] ?
O: Hij heeft op 1 december 2015 aangifte gedaan van een poging tot oplichting. (...)
V: Wie is [betrokkene 9] ?
O: Hij heeft op 17 maart 2016 aangifte gedaan van een poging tot oplichting. (...)
V: Wie is [betrokkene 10] ?
O: Zij heeft op 21 oktober 2015 aangifte gedaan van oplichting.
A: Ik erken bij deze oplichtingen en pogingen tot oplichting betrokken te zijn geweest. [Het hof begrijpt: de oplichtingen van [betrokkene 3] en [betrokkene 10] en de pogingen tot oplichting van [betrokkene 9] en [betrokkene 8] .] Ik moet er wel bij zeggen dat [betrokkene 2] en [betrokkene 5] er allebei bij betrokken zijn.
18. een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door [verbalisant 2] , brigadier van politie Eenheid Midden-Nederland, d.d. 5 september 2017 (p. 73 van het politiedossier), voor zover inhoudende:
Na het verhoor [het hof begrijpt: het verhoor van de verdachte op 4 september 2017] werd er nog gesproken over de wijze van het contact leggen met de benadeelde(n) door verdachte [verdachte] . Dit vond allemaal plaats in het bijzijn van zijn advocaat, mr. C. Crince le Roy. Hij (het hof begrijpt: de verdachte [verdachte] ) verklaarde toen dat niet alleen hijzelf, maar ook zijn zwager [betrokkene 5] deze gesprekken voerde met de benadeelden. [betrokkene 2] was degene die het contact had gelegd met [betrokkene 1] [het hof begrijpt: [betrokkene 1] ].”
2.3.1
De tenlastelegging is toegesneden op artikel 231b Sr. Daarom moet worden aangenomen dat de in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende term ‘wederrechtelijk’ is gebruikt in de betekenis die dat begrip heeft in die bepaling.
2.3.2
Artikel 231b Sr luidt:
“Hij die opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander gebruikt met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen of de identiteit van de ander te verhelen of misbruiken, waardoor uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
2.4
De bewijsvoering van het hof houdt onder meer het volgende in. De verdachte heeft zich samen met één of meer anderen schuldig gemaakt aan (pogingen tot) oplichting via WhatsApp. In dat kader heeft [betrokkene 2] aan [betrokkene 1] gevraagd haar bankrekeninggegevens ter beschikking te stellen voor het mogelijk maken van het storten van geld op deze bankrekening ten behoeve van [betrokkene 2] . [betrokkene 1] heeft vervolgens haar bankrekeninggegevens aan [betrokkene 2] gegeven. Daarbij is door [betrokkene 2] een onjuiste voorstelling van zaken gegeven, nu die [betrokkene 2] uitsluitend aangaf dat het zou gaan om het overmaken van geld dat [betrokkene 2] nog van haar ex-vriend zou ontvangen en dat niet gestort kon worden op de rekening van [betrokkene 2] , terwijl in werkelijkheid [betrokkene 2] dat verzoek aan [betrokkene 1] deed in verband met het gebruik van de bankrekeninggegevens van [betrokkene 1] door de verdachte en zijn mededader(s) om van misdrijf afkomstige geldbedragen te laten storten op de bankrekening van [betrokkene 1] , met verheling van de identiteit van de verdachte. Het hof heeft op grond van deze vaststellingen geoordeeld dat sprake is van ‘wederrechtelijk’ gebruik van persoonsgegevens als bedoeld in artikel 231b Sr. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het cassatiemiddel faalt daarom.
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van acht maanden.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze zeven maanden en drie weken beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 november 2023.
Conclusie 03‑10‑2023
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens gebruiken, a.b.i. art. 231b Sr. Het namens de verdachte voorgestelde middel, inhoudende dat het bestanddeel 'wederrechtelijk' niet kan worden bewezen omdat de toestemming van het slachtoffer voor gebruik van haar eigen bankgegevens daaraan in de weg staat, faalt. Ambtshalve opmerking omtrent redelijke termijn in cassatie. Conclusie strekt tot vernietiging van het arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/04084
Zitting 3 oktober 2023
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft de verdachte bij arrest van 24 september 2021 wegens 1. “medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander gebruiken met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen en van een ander te misbruiken, waardoor uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan, meermalen gepleegd”, 2. “medeplegen van poging tot oplichting, meermalen gepleegd” en 3. “medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden onder aftrek als bedoeld in artikel 27 Sr. Daarnaast heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest bepaald.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, ten tijde van de indiening van de cassatieschriftuur allen advocaat te Rotterdam, hebben een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel komt op tegen de bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde. Volgens de stellers van het middel staat de toestemming van het slachtoffer voor het gebruik van haar bankgegevens in de weg aan het bewezen verklaren van het bestanddeel ‘wederrechtelijk’.
De bewijsconstructie van het hof
4. Voorafgaand aan de bespreking van het middel, zal ik eerst – voor zover relevant – de bewezenverklaring en de bewijsconstructie weergeven.
5. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezen verklaard dat:
“hij, op meerdere tijdstippen in of de periode van 10 oktober 2015 tot en met 16 oktober 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander te weten bankgegevens van [betrokkene 1] , heeft gebruikt door van misdrijf afkomstige, geldbedragen te (laten) storten op de bankrekening van die [betrokkene 1] , met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen en de identiteit van de ander te misbruiken, waardoor enig nadeel kon ontstaan.”
6. De bewezenverklaring steunt (onder andere) op de volgende, in de aanvulling op het verkorte arrest opgenomen bewijsmiddelen:
“1. een proces-verbaal van verhoor, opgemaakt door [verbalisant] , brigadier van politie Eenheid Amsterdam, d.d. 26 november 2015 (p. 140-144 van het politiedossier), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1]:
Ik ben op 10 oktober 2015 benaderd via Whatsapp door [betrokkene 2] . (...) Ik kreeg een Whatsappbericht van haar dat ze hulp nodig had van mij. Ze schreef dat zij en haar vriend uit elkaar waren en dat ze nog geld van haar ex vriend kreeg maar dat dit niét gestort kon worden op haar eigen bankrekening. (...) Ik vroeg haar: waarom kan het geld niet gestort worden op het bankrekeningnummer van je nieuwe vriend? Ze schreef dat hij een uitkering had en dat hij anders problemen kreeg met het UWV. Ik vond dit een aannemelijk verhaal en daarom gaf ik haar mijn bankrekeningnummer: [rekeningnummer] . Ze schreef dat ze ongeveer 500 à 600 euro gestort zou krijgen en de afspraak was dat ik het geld vervolgens van mijn rekening zou halen en aan haar zou geven.
Ik zag de volgende dag dat er 2 stortingen waren gedaan door ene [betrokkene 3] [het hof begrijpt: aangever [betrokkene 3] ]. (...) Ik wist dat de achternaam van haar ex-vriend [betrokkene 4] was. Ik vond dit allemaal heel vreemd. Over de hele dag kreeg ik Whatsappjes van haar met de vraag of het geld al binnen was en die avond heb ik aan haar verteld dat het erop stond. Ze is vervolgens naar mij toe gekomen. Ik zag dat ze met de auto was met een jongen en hij bleek later haar vriend [betrokkene 5] te zijn. Ze vertelde aan mij dat het haar vriend was. Ik hoorde haar zeggen dat ik het geld nu moest pinnen. Ik zei dat ik nu niet weg kon omdat ik mijn vriendin [betrokkene 6] op visite had. Ze zei vervolgens dat ze het geld nu nodig had omdat ze mensen moest betalen. [betrokkene 6] en ik zijn vervolgens in mijn auto gestapt en we zijn naar een pinautomaat gereden in Rhenen. Ik ben naar de pinautomaat gelopen en heb een bedrag van 500 euro gepind. Vervolgens heb ik het geld aan haar overgedragen. (...)
De volgende dag heb ik mijn rekening geraadpleegd op mijn. telefoon en zag ik dat er 338 euro was gestort.
Een aantal dagen later belde [betrokkene 2] mij weer op en vertelde mij dat er geld was gestort voor haar auto die zij bij haar ex-vriend had achtergelaten. Ik keek vervolgens op mijn ABN-app en zag dat er ongeveer 1000 euro was gestort. (...)
‘s Avonds voordat ik naar huis ging wilde ik boodschappen pinnen en toen bemerkte ik dat mijn pinpas geblokkeerd was. (...) Ik heb vervolgens de bank gebeld en deze vertelde mij dat mijn bankrekening geblokkeerd was omdat een [betrokkene 3] aangifte had gedaan. (...) Ik ben samen met [betrokkene 6] naar het ABN-filiaal in Veenendaal gegaan en daar werd mij medegedeeld dat er fraude was gepleegd met mijn bankrekening en dat deze geblokkeerd bleef tot het opgelost was. (...)
(…)
15. een proces-verbaal van verhoor (p. 21-28 van het politiedossier), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van [betrokkene 2] dat plaatsvond op 21 oktober 2016:
V: vraag verbalisant
A: antwoord [betrokkene 2]
V: Wat is jouw verhaal met betrekking tot deze oplichtingszaken?
A: Ik werd benaderd door de vriend van de zus van mijn vriend. Die vriend heet [verdachte] . Het was vorig jaar. [verdachte] had aangegeven dat hij snel geld nodig had. Ik heb toen [betrokkene 1] [het hof begrijpt: [betrokkene 1] ] benaderd. Ik vertelde haar dat door een vriend van mij geld op haar rekening zou worden gestort. Dit geld moest zij dan opnemen van haar rekening en aan mij geven. Ik heb haar niet verteld voor wie dit geld bestemd was. Ik zou geld van een vriend krijgen, maar dat geld zou dan op haar rekening worden gestort. (...)
[verdachte] heeft toen geld laten storten op de rekening van [betrokkene 1] . Dit geld werd gepind en is naar [verdachte] gegaan. (...)
Op een gegeven moment kreeg ik van [betrokkene 1] te horen dat haar bankrekening was geblokkeerd.
V: Wie waren erbij toen [betrokkene 1] geld pinde?
A: Ik zat in de auto, samen met [betrokkene 5] [het hof begrijpt: [betrokkene 5] ]. Dit was in Rhenen.
V: Wat heb jij gedaan met het geld dat jij in Rhenen van [betrokkene 1] hebt gehad?
A: Dit heb ik aan [verdachte] gegeven.”
Het middel
7. De stellers van het middel komen op tegen het oordeel van het hof dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens – niet zijnde biometrische persoonsgegevens – van een ander heeft gebruikt. Dat oordeel van het hof is, vanwege de omstandigheid dat het slachtoffer toestemming heeft gegeven voor het gebruik van haar bankgegevens, onjuist dan wel onbegrijpelijk, aldus de stellers van het middel.
8. Volgens de toelichting erop strekt het middel ten betoge dat het bestanddeel ‘wederrechtelijk’, in de specifieke betekenis die het heeft in het licht van het door artikel 231b Sr te beschermen rechtsbelang, niet kan worden bewezen. Omdat de in het geding zijnde strafbaarstelling ziet op bescherming van de individuele belangen van degene wiens gegevens worden gebruikt, dient volgens de stellers van het middel het bestanddeel ‘wederrechtelijk’ beperkt te worden uitgelegd, te weten als: zonder toestemming. De toestemming van het slachtoffer voor gebruik van haar bankgegevens zou derhalve in de weg (moeten) staan aan een veroordeling ter zake van het in artikel 231b Sr strafbaar gestelde feit.
9. Voorafgaand aan de bespreking van het middel zal ik eerst stilstaan bij (de strekking van) artikel 231b Sr, het leerstuk van de (facet)wederrechtelijkheid en de toestemming van het slachtoffer als grond voor uitsluiting van strafrechtelijke aansprakelijkheid.
Het beoordelingskader
10. Artikel 231b Sr luidt als volgt:
“Hij die opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander gebruikt met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen of de identiteit van de ander te verhelen of misbruiken, waardoor uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
11. Deze strafbaarstelling komt voort uit een amendement op het voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met de aanpak van fraude met identiteitsbewijzen. Artikel 231b Sr is ingevoerd bij de Wet van 12 maart 2014, Stb. 2014, 125, die in werking is getreden op 1 mei 2014 (Stb. 2014, 149). De bepaling betreft een aanvulling op de artikelen 231 en 231a Sr, en strekt ertoe fraude met identificerende persoonsgegevens, andere dan biometrische gegevens, te kunnen bestrijden en slachtoffers ervan te beschermen:
“Met dit amendement wordt het misbruik van identificerende persoonsgegevens van iemand anders strafbaar gesteld. Deze strafbaarstelling vormt een aanvulling op de artikelen 231 en 231a van het Wetboek van Strafrecht. Bij fraude met identificerende persoonsgegevens gaat het om fraude met alle gegevens waarmee een persoon kan worden geïdentificeerd, zoals (combinaties van) naam, adres, telefoonnummer, accounts, handles, nicknames etc. etc.
Deze gedraging is thans niet afzonderlijk strafbaar gesteld, terwijl het aantal slachtoffers van fraude met identificerende persoonsgegevens de afgelopen jaren explosief toeneemt. Het hieruit voortkomende nadeel kan vele vormen aannemen, zoals direct financieel nadeel, reputatieschade of schade door het vervuilen van (overheids)databases met valselijk aan een persoon gelinkte informatie. Het moet daarbij wel gaan om gevallen waarbij men derden het idee geeft dat zij daadwerkelijk te maken te hebben met de persoon van wie de identiteit onterecht is aangenomen. Satire en parodie vallen hier dus niet onder.”1.
12. Tijdens de mondelinge behandeling in de Tweede Kamer heeft Kamerlid Dijkhoff het amendement nader toegelicht:
“Over het wetsvoorstel zelf dat de minister naar de Kamer heeft gestuurd, heb ik eigenlijk niets te zeggen. Alleen ontbreekt er volgens ons nog een element, namelijk de identiteitsfraude die niet met officiële documenten plaatsvindt. Dat is een groot probleem en het aantal gevallen stijgt nog steeds heel explosief. (...) Onze wetgeving is op veel terreinen nog niet aangepast en op onze moderne tijd ingericht. Vandaar dat ik samen met de collega's Oosenbrug, Oskam en Gesthuizen een amendement heb ingediend om de identiteit van Nederlanders adequaat te kunnen beschermen, ook in moderne, vaak online omgevingen. Ik licht dat amendement graag toe, ook om de reikwijdte nader te verklaren. Het principe dat iemands identiteit tegen misbruik beschermd moet worden, is in onze wet al bekend. In de uitwerking van dat principe is vooral aandacht voor officiële identiteitsbewijzen die door de overheid worden verstrekt. We zien echter dat in het sociale en economische verkeer de identiteit van een persoon steeds minder wordt herkend middels persoonlijk contact of zulke officiële overheidsdocumenten. Steeds vaker wordt identiteit afgeleid uit andere, voor een persoon identificerende gegevens. Dat kunnen accounts zijn, profielen van social media of gegevens die zijn doorgegeven via telefoon, e-mail, app of website. Ook telefoonnummers, nicknames, namen, adressen, accounts of combinaties hiervan kunnen identificerende persoonsgegevens zijn. Dit is niet bedoeld als een limitatieve opsomming, omdat er ongetwijfeld nog innovaties komen waarbij nieuwe vormen van identificatie belangrijk gaan worden. De bedoeling van dit amendement is uitdrukkelijk om de wetgeving toekomstbestendig te maken.
Het aantal gevallen waarin gefraudeerd wordt met zulke identificerende gegevens van een ander, neemt de afgelopen jaren dus explosief toe. (...) Men kan op relatief eenvoudige wijze ten opzichte van een derde doen alsof men iemand anders is, en deze derde daadwerkelijk doen geloven dat men iemand anders is. Hij denkt dan dat hij te maken heeft met degene van wie de identiteit valselijk is aangenomen. Het aannemen van andermans identiteit en het frauderen met iemands identiteit kan voor de betrokken persoon aanzienlijk nadeel opleveren. Dit nadeel kan ook vele vormen aannemen, zoals direct financieel nadeel, reputatieschade of het opbouwen van een set aan valse gegevens in databases die aan een persoon worden gelinkt. Dit kan uiteindelijk zelfs in het opsporings- en veiligheidsdomein gevaar en nadeel opleveren. Stel je voor: ik koop allerlei zaken, die ik contant afreken, dan licht ik dus niemand op, maar geef ik wel steevast de naam van een andere persoon op. Als ik met die zaken vervolgens een aanslag ga plegen, dan zal de persoon wiens naam is opgegeven, in het begin behoorlijk wat uit te leggen hebben als men er aan de hand van allerlei databases achter komt dat die informatie gelinkt is aan die persoon.
Er is ook geen enkele gerechtvaardigde grond om te accepteren dat men de identiteit van een ander aanneemt en zich ten opzichte van derden voordoet als degene wiens identiteit men op frauduleuze wijze heeft aangenomen. Het moet in dit soort zaken wel gaan om gevallen waarbij men derden echt het idee geeft - of men redelijkerwijs zou moeten verwachten dat deze het idee krijgen - dat zij te maken hebben met de persoon van wie de identiteit onterecht is aangenomen. Ter illustratie: gevallen van parodie of satire vallen hier niet onder. Daarbij is namelijk duidelijk dat men niet het oogmerk heeft om daadwerkelijk andermans identiteit aan te nemen, maar dat men via de gespeelde identiteit van een ander iets aan de kaak wil stellen of komisch theater beoefent.”2.
13. Enkele gevallen die (wel) worden bestreken door de strafbaarstelling, zijn genoemd in de memorie van antwoord (Eerste Kamer):
“In artikel 231b Sr wordt het misbruik van identificerende persoonsgegevens van iemand anders strafbaar gesteld. Indien iemand opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens van een ander gebruikt met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen of de identiteit van de ander te verhelen of misbruiken, en de ander door dat gebruik nadeel wordt berokkend, kan op grond van dat artikel strafrechtelijk tegen hem worden opgetreden. Een eerste voorbeeld van een situatie die onder het bereik van deze strafbaarstelling valt, is de situatie waarin iemand willens en wetens en zonder toestemming de naam van een ander gebruikt en vervolgens onder de naam van die ander bij een bedrijf materieel huurt zonder dit materieel weer terug te brengen als gevolg waarvan het bedrijf degene wiens naam is misbruikt, aansprakelijk stelt voor de schade die het daardoor heeft opgelopen. Een ander voorbeeld dat onder de reikwijdte van artikel 231b Sr valt, is de situatie waarin iemand op naam van een ander en zonder diens instemming een account aanmaakt, en die ander op dat account in een kwaad daglicht stelt waardoor die ander reputatieschade lijdt.”3.
14. Hoewel in de toelichting op het amendement ook ‘schade door het vervuilen van (overheids)databases met valselijk aan een persoon gelinkte informatie’ als nadeel wordt omschreven, lijkt uit de verdere (summiere) totstandkomingsgeschiedenis van de bepaling en de wetssystematiek te volgen dat de strafbaarstelling van artikel 231b Sr in het bijzonder ziet op bescherming van (belangen van) de burger van wie de persoonsgegevens in het geding zijn. In zoverre betreft het een aanvulling op de artikelen 231 en 231 Sr. Deze bepalingen beschermen echter een ander rechtsgoed. Zij zien op bescherming van (belangen van) overheidsinstanties als gevolg van misbruik van gegevens. Over deze rechtsbelangen overwoog de Hoge Raad:
“Art. 231b Sr bepaalt, kort gezegd, dat het opzettelijk misbruik van identificerende persoonsgegevens van een ander strafbaar is indien uit dat misbruik “enig nadeel kan ontstaan”. Uit de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis komt naar voren dat “het nadeel vele vormen [kan] aannemen, zoals direct financieel nadeel, reputatieschade of schade door het vervuilen van (overheids)databases met valselijk aan een persoon gelinkte informatie”. Daarbij moet het wel steeds gaan om gevallen waarbij men derden het idee geeft dat zij “daadwerkelijk te maken hebben met de persoon van wie de identiteit onterecht is aangenomen”. Ook overigens blijkt uit die wetsgeschiedenis dat deze bepaling slechts ertoe strekt (potentiële) slachtoffers van het misbruik van hun persoonsgegevens te beschermen tegen de nadelige gevolgen die dit misbruik voor hen kan hebben. Mede in aanmerking genomen de omstandigheid dat art. 231b Sr is bedoeld als een aanvulling op de artikelen 231 en 231a Sr, waarin het bestanddeel ‘enig nadeel’ niet is genoemd, moet worden aangenomen dat het vereiste dat ‘enig nadeel’ van het gebruik van identificerende persoonsgegevens in de zin van art. 231b Sr uitsluitend betrekking heeft op het mogelijke nadeel voor de in art. 231b Sr bedoelde ‘ander’ wiens persoonsgegevens door de verdachte zijn misbruikt.”4.
15. Kortom, artikel 231b Sr dient naar het oordeel van de Hoge Raad ter bescherming van (belangen van) de burger van wie de identificerende persoonsgegevens in het geding zijn en met name ter bescherming tegen misbruik van die gegevens. Dit brengt mij op de vraag of dit rechtsbelang inhoud geeft aan de betekenis van het bestanddeel ‘wederrechtelijk’ in de omschrijving van het in die bepaling strafbaar gestelde delict, dan wel aan een (ongeschreven) exceptie. Ik licht dit toe.
16. Bij de vraag naar de reikwijdte van een strafbepaling komt in het algemeen betekenis toe aan het rechtsbelang of rechtsgoed dat door de betreffende strafbepaling wordt beschermd.5.Artikel 231b Sr bevat het bestanddeel ‘wederrechtelijk’. Met een dergelijk bestanddeel wordt in de regel beoogd om niet-onrechtmatige gedragingen buiten het bereik van de strafbepaling te houden.6.Welke betekenis in geval van artikel 231b Sr precies aan de term ‘wederrechtelijk’ moet worden toegedicht, blijkt niet specifiek en ondubbelzinnig uit de totstandkomingsgeschiedenis van de bepaling. De hantering van een ruime dan wel beperkte uitleg van het bestanddeel ‘wederrechtelijk’ hangt samen met de mate van rechtsnormverfijning.
17. In de literatuur wordt over de uitleg van het bestanddeel ‘wederrechtelijk’ meer in het algemeen het volgende opgemerkt. De Hullu is van oordeel dat een uniforme omschrijving van dit bestanddeel in uiteenlopende strafbepalingen grote voordelen voor de rechtszekerheid biedt. Hij acht ‘in strijd met het objectieve recht’ een adequate omschrijving die systematisch goed verdedigbaar is.7.Een werkbare definitie concentreert zich volgens hem op onrechtmatigheid, die in het bijzonder wegvalt bij acceptatie van een strafrechtelijke rechtvaardigingsgrond. Een strikt civiel- of bestuursrechtelijke uitleg van het bestanddeel is niet aan de orde. Processueel brengt deze uitleg mee dat het bestanddeel ‘wederrechtelijk’ niet is vervuld bij aanvaarding van een strafuitsluitingsgrond die de strafbaarheid van het feit aantast. De Hullu betoogt dat ook de Hoge Raad uitgaat van een algemene, ruime inhoud van het bestanddeel ‘wederrechtelijk’, veelal vertaald met: in strijd met het (objectieve) recht.
18. Tegen hantering van de betekenis ‘in strijd met het objectieve recht’ kan worden ingebracht dat daarvan weinig restrictie uitgaat en dat deze betekenis mogelijk de bedoeling van de wetgever doorkruist. Zo ligt volgens Remmelink de betekenis ‘zonder (eigen) recht’ het dichtst bij de bedoeling van de wetgever.8.De interpretatie van ‘wederrechtelijk’ als ‘in strijd met het subjectieve recht van een ander’ of ‘in strijd met het (objectieve) recht’ wordt door hem verworpen. Hij komt tot de conclusie dat het wellicht het beste is om – in overeenstemming met de hierna te bespreken opvatting van Van Veen – voor elk delict de betekenis van het bestanddeel ‘wederrechtelijk’ afzonderlijk vast te stellen. Deze betekenis zal telkens aan de hand van het doel van de bepaling en haar totstandkomingsgeschiedenis moeten worden ingevuld. Weliswaar zal de uitkomst in deze visie bijna altijd de uitleg van ‘wederrechtelijk’ als ‘zonder (eigen) recht’ zijn, maar er zullen volgens hem uitzonderingen zijn.9.
19. Machielse is de opvatting toegedaan dat de oorspronkelijke betekenis van het bestanddeel ‘wederrechtelijk’ wezenlijk samenvalt met de term ‘zonder daartoe gerechtigd te zijn’.10.Hij staat afwijzend tegenover interpretaties die aan het bestanddeel ‘wederrechtelijk’ steeds, ongeacht de delictsomschrijving waarin het bestanddeel functioneert, de betekenis toekennen van ‘tegen het recht’, dat wil zeggen: hetzij tegen het objectieve recht hetzij tegen het subjectieve recht van een ander. De (hierna te bespreken) leer van de ‘facetwederrechtelijkheid’ sluit volgens hem beter aan bij hetgeen de wetgever beoogt met de invoeging van het bestanddeel ‘wederrechtelijk’ in een delictsomschrijving. De invoeging van dit bestanddeel strekt er doorgaans toe om gedragingen die misschien letterlijk wel onder een delictsomschrijving zouden vallen, daarvan toch uit te zonderen, wanneer degene die de gedraging verrichtte daartoe bevoegd was.
20. Van Veen bepleit,11.in navolging van Riphagen,12.een interpretatie van het bestanddeel ‘wederrechtelijk’ die per delict kan variëren, en hij muntte daarvoor de term ‘facetwederrechtelijkheid’. Voor elke delictsomschrijving waarin de term ‘wederrechtelijkheid’ voorkomt, zou moeten worden onderzocht welke, eventueel specifieke, inhoud aan dit bestanddeel moet worden gegeven. Met de term ‘facetwederrechtelijkheid’ doelt Van Veen op de omstandigheid dat de wetgever telkens een bepaald facet van wederrechtelijkheid op het oog heeft. Het ‘onbevoegde’, het ‘niet daartoe gerechtigd zijn’, zal telkens dienen te worden uitgelegd met het oog op het typische onrecht dat de wetgever in een delictsomschrijving voor ogen heeft gestaan en zal geplaatst moeten worden tegen de achtergrond van de belangen die de wetgever door de strafbaarstelling van in de strafbepaling omschreven gedragingen heeft willen beschermen.
21. Niet alleen in de literatuur, maar ook in de jurisprudentie is de betekenis van de term ‘wederrechtelijk’ onderwerp van geschil geweest. Een belangwekkende zaak betreft het zogenoemde Flatverbod-arrest.13.De verdachte was door het hof vrijgesproken van lokaalvredebreuk. In weerwil van het feit dat de woningstichting (de beheerder van het complex) aan de verdachte de toegang tot de flat had ontzegd, zou de verdachte aldaar ‘hinderlijk en doelloos’ hebben ‘rondgehangen’. Het hof oordeelde dat het bestanddeel ‘wederrechtelijk’ niet kon worden bewezen en baseerde de vrijspraak op het recht van bewoners om bezoek van hun eigen keuze (i.c. de tante van de verdachte en de hoofdbewoner die geen bezwaar hadden tegen c.q. toestemming gaven voor het bezoek van het neefje) te ontvangen. De Hoge Raad casseerde:
“2.4. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. De strekking van art. 138, eerste lid, Sr brengt mee dat als ‘binnendringen’ in de zin van deze bepaling moet worden beschouwd het betreden van een woning, besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik, indien degene die zich daarin of daarop begeeft, zulks doet tegen de voor hem — hetzij door een verklaring van de rechthebbende, hetzij op grond van enige andere omstandigheid — onmiskenbare wil van de rechthebbende. Door toevoeging van het woord ‘wederrechtelijk’ is buiten twijfel gesteld dat het binnentreden — ook al geschiedt dit tegen de wil van de rechthebbende — niet strafbaar is indien dit uit anderen hoofde gerechtvaardigd zou zijn. Het betreden van een flatgebouw nadat aan de betrokkene een schrijven is uitgereikt met de strekking dat hem de toegang daartoe is ontzegd, levert in beginsel wederrechtelijk binnendringen in de zin van art. 138, eerste lid, Sr op. Bijzondere omstandigheden kunnen tot een ander oordeel nopen (vgl. HR 6 juli 2010, LJN BM 5282, NJ 2010/426).
2.5.
Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte het flatgebouw A., in gebruik bij de woningstichting B., is binnengetreden terwijl hem door die woningstichting de toegang tot dat flatgebouw en alle bij dat complex behorende, niet voor het publiek toegankelijke ruimten was ontzegd. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat een dergelijk flatverbod niet zover kan strekken dat daarmee het recht van bewoners bezoek van hun eigen keuze te ontvangen wordt beperkt of illusoir gemaakt.
Indien het Hof daarmee tot uitdrukking heeft willen brengen dat een dergelijk verbod in geen geval mede kan omvatten het betreden van het flatgebouw met het enkele doel een bewoner van een van de flats — met diens toestemming — te bezoeken, heeft het blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
Indien het Hof, uitgaande van hetgeen hiervoor onder 2.4 is vooropgesteld, heeft geoordeeld dat sprake is van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in het daar genoemde arrest van de Hoge Raad, die meebrengt dat dat binnentreden niet als wederrechtelijk kan gelden, dan is zijn oordeel niet zonder meer begrijpelijk. De enkele toestemming van een bewoner om het flatgebouw te betreden levert niet een zodanige omstandigheid op, terwijl voorts blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep namens de verdachte ter rechtvaardiging van zijn handelen in de kern niet meer is aangevoerd dan dat hij zijn in het flatgebouw wonende tante wilde bezoeken en dat zij daartegen geen bezwaar had.
De bestreden uitspraak lijdt dus aan een motiveringsgebrek. Het middel klaagt daarover terecht.”
22. Een andere in het oog springende uitspraak betreft het zogenoemde Dreigbriefarrest.14.Ten laste van de verdachte was bewezen verklaard dat hij met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, twee dreigbrieven had verzonden waarin hij de geadresseerden (kort gezegd) onder druk zette om geldbedragen op zijn rekening te storten, oftewel: afpersing. Namens de verdachte was betoogd dat hij meende gerechtigd te zijn tot deze bedragen. Het hof had dit verweer verworpen omdat uit de wijze waarop de verdachte de personen bedreigde “valt af te leiden dat hij heeft gehandeld met het telaste gelegde oogmerk”. De Hoge Raad was van oordeel dat het hof uit de bewijsmiddelen had kunnen afleiden dat hetgeen de verdachte met het oog op bevoordeling had verricht “van zodanige aard is en op zodanige wijze is geschied, dat daaruit door het Hof kon worden afgeleid” dat de verdachte moet hebben beseft dat hij “de grenzen van het maatschappelijk betamelijke daarmede verre overschreed”. Tegen die achtergrond had het hof uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de verdachte had gehandeld met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen. Ook in deze context gaf de Hoge Raad niet met zoveel woorden een omschrijving van het begrip ‘wederrechtelijk’; verduidelijkt werd slechts dat het (in verregaande mate) overschrijden van de grenzen van het maatschappelijk betamelijke een bewezenverklaring van de wederrechtelijkheid kon dragen. De ‘wederrechtelijkheid’ lijkt daarmee te zijn opgegaan in ‘het onoorbare karakter van het gebruikte middel’.15.
23. Ik kom terug op de vraag welke betekenis kan worden toegekend aan het bestanddeel ‘wederrechtelijk’ in de delictsomschrijving van artikel 231b Sr. Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat een te beperkte betekenis niet de voorkeur geniet. Het voordeel van het hanteren van een betekenis die meer omvat dan (slechts) de afwezigheid van toestemming is dat het (anderszins) overschrijden van de grenzen van het maatschappelijk betamelijke kan worden meegenomen bij de beoordeling van het wederrechtelijke karakter van de gedraging. Bovendien levert het binnen de grenzen blijven van het maatschappelijk betamelijke – zoals het in de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 231b Sr uitdrukkelijk te berde gebrachte ‘aan de kaak stellen van zaken’, ‘komisch theater’, ‘satire’ en ‘parodie’ – doorgaans geen ingewikkelde bewijs- of kwalificatieproblemen op.
24. Een en ander neemt overigens niet weg dat handelen met toestemming van invloed kan zijn op het wederrechtelijke karakter van de gedraging. De toestemming van het slachtoffer kan worden beschouwd als een ongeschreven exceptie die bewezenverklaring van het bestanddeel ‘wederrechtelijk’ (ook ingeval een ruime betekenis wordt gehanteerd) verhindert.16.
25. In de literatuur zijn voorwaarden uiteengezet aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of een gegeven toestemming tot uitsluiting van strafrechtelijke aansprakelijkheid kan leiden.17.Deze komen er in de kern op neer dat de toestemming (i) is gegeven door iemand die bekwaam is zijn of haar wil te uiten; (ii) vrijwillig18.en op in beginsel niet voor misverstand vatbare wijze is gegeven; (iii) is gegeven door iemand die goed op de hoogte is van de aard, ingrijpendheid en de gevolgen van de handeling waarvoor de toestemming wordt gegeven; (iv) voorafgaand of tijdens (en niet: pas na) de handeling is gegeven19.en (v) is gegeven ten aanzien van een verhoudingsgewijs licht vergrijp. De laatste voorwaarde hangt samen met de rechtsbelangen die worden beschermd met de ter zake van toepassing zijnde delictsomschrijving: bij verhoudingsgewijs zware vergrijpen zullen al snel het algemeen belang, de goede zeden of andere rechtsgoederen in het geding zijn en de toestemming van haar legitimerende kracht beroven.20.Zo zal de rechtvaardigende toestemming slechts die rechtsgoederen betreffen waarover de toestemminggever als enige de volledige beschikking heeft, zoals zijn of haar lichamelijke integriteit of eer en goede naam – in de regel gaat het dan om verhoudingsgewijs lichte vergrijpen.
26. Het oordeel van de rechter over de vraag of de verdachte heeft gehandeld op basis van toestemming van het slachtoffer is zodoende sterk verweven met waarderingen van feitelijke aard. Die onttrekken zich grotendeels aan een beoordeling door de cassatierechter.
De bespreking van het middel
27. Het hof heeft, zonder daaraan nadere bewijsoverwegingen te wijden, uit de bewijsmiddelen afgeleid dat de verdachte (meermalen) heeft medegepleegd: het opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander gebruiken met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen en van een ander te misbruiken, waardoor uit dat gebruik enig nadeel kon ontstaan.
28. Uit de bewijsvoering blijkt dat [betrokkene 2] is benaderd door de verdachte. Zij heeft daaropvolgend het slachtoffer, [betrokkene 1] , via WhatsApp om haar bankrekeningnummer gevraagd met daarbij de toelichting dat zij en haar vriend uit elkaar waren gegaan en dat ze nog geld van haar vriend kreeg, maar dat dit geld niet kon worden gestort op haar eigen bankrekening. Op de vraag van het slachtoffer waarom het geld niet kon worden gestort op het rekeningnummer van een nieuwe vriend, antwoordde ze dat haar nieuwe vriend in de problemen zou komen met het UWV, omdat hij een uitkering geniet. Op basis van deze informatie heeft het slachtoffer haar bankrekeningnummer verstrekt. Vervolgens is dit bankrekeningnummer, anders dan hetgeen met het slachtoffer is gecommuniceerd, gebruikt voor de uitvoering van oplichtingshandelingen c.q. pogingen daartoe. Een en ander heeft ertoe geleid dat de bankrekening is geblokkeerd.
29. Hiermee ligt in de bewijsmiddelen besloten dat de toestemming van het slachtoffer niet is gebaseerd op een juiste voorstelling van zaken. Sterker, de toestemming is verkregen door toepassing van (een zekere mate van) bedrog. Daarmee voldoet die toestemming niet aan de eisen voor uitsluiting van strafrechtelijke aansprakelijkheid. Het hof heeft uit de bewijsmiddelen kunnen opmaken dat de gegeven toestemming zodanige gebreken vertoont dat deze niet in de weg staat aan het bewezen verklaren van het bestanddeel ‘wederrechtelijk’. Hantering van een ruimere of beperktere betekenis van het bestanddeel ‘wederrechtelijk’ doet daaraan niet af.
30. In het licht van hetgeen hiervoor is uiteengezet over de betekenis van het bestanddeel ‘wederrechtelijk’ en de toestemming als grond voor uitsluiting van strafrechtelijke aansprakelijkheid, geeft het oordeel van het hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is.
Slotsom en ambtshalve beoordeling van de redelijke termijn in de fase van cassatie
31. Het middel faalt.
32. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.
33. Ik heb ambtshalve geen andere gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
34. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 03‑10‑2023
Handelingen II 2012/13, nr. 104, item 8, p. 1.
Kamerstukken I 2013/14, 33352, C, p. 4-5.
HR 26 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1698, NJ 2020/52 m.nt. Reijntjes, rov. 2.4.1. Zie over het verdere toepassingsbereik van art. 231b Sr ook HR 11 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:531.
Zie o.a. D. Schaffmeister & A. Heijder, ‘Concretisering van de wederrechtelijkheid in het strafrecht’ in: E. André de la Porte e.a. (red.), Bij deze stand van zaken. Bundel opstellen aangeboden aan A.L. Melai, Arnhem: Gouda Quint 1983, p. 441-474, en recenter: V.E. van de Wetering, S.A. Eckhardt & S.R. Bakker, ‘De rol van het achterliggende rechtsgoed bij de beoordeling van strafwaardigheid van gedrag’, DD 2018, afl. 2, p. 138-167.
Deze gedachte is terug te voeren op de volgende passage uit de totstandkomingsgeschiedenis van het Wetboek van Strafrecht: “Alleen dan is de uitdrukking wederregtelijk (…) bij de omschrijving van bepaalde misdrijven gebezigd wanneer er gevaar kon zijn, dat anders ook hij die van zijn regt gebruik maakte, zonder daarom juist uitvoering te geven aan een wettelijk voorschrift in de bepaling der strafwet zoude vallen.” H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht. Volledige verzameling van regeringsontwerpen, gewisselde stukken, gevoerde beraadslagingen enz. (Herzien en aangevuld met de wijzigingen, door J.W. Smidt), Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1891-1901, eerste deel, p. 409.
J. de Hullu, Materieel strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 188-190.
J. Remmelink, Mr. D. Hazewinkel-Suringa’s Inleiding tot de studie van het Nederlandse Strafrecht, Deventer: Gouda Quint 1996, p. 244-247.
Hierbij kan worden gedacht aan art. 444 Sr: “Hij die, wettelijk als getuige, als deskundige of als tolk opgeroepen, wederrechtelijk wegblijft, wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie.” In dezen is de betekenis ‘zonder geldige reden’ passender. Zie C.M. de Kuijper, Het begrip wederrechtelijk in het Nederlandse Wetboek van Strafrecht (diss. UvA), Amsterdam: M.J. Portielje 1905, 74-77 en 92.
A.J. Machielse in: Noyon, Langemeijer & Remmelink (red.), Het Wetboek van Strafrecht (online, actueel tot en met 1 juni 2020), aant. 1, 2 en 3 bij Inleiding (wederrechtelijkheid).
Th.W. van Veen, Facet-wederrechtelijkheid, NJB 1972, p. 466-469.
J. Riphagen, ‘De beteekenis van het woord wederrechtelijk in de strafwet’, TvS 1932, p. 138-156.
HR 30 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0940, NJ 2013/543 m.nt. Mevis.
HR 9 februari 1971, ECLI:NL:HR:1971:AB4227, NJ 1972/1 m.nt. Bronkhorst. De navolgende omschrijving c.q. analyse is ontleend aan de conclusie van mijn ambtgenoot Keulen van 11 oktober 2022, ECLI:NL:PHR:2022:927, randnummer 30.
J.H.B. Bemelmans & E.J. Hofstee, ‘Oplichting en aanverwant strafbaar bedrog in Nederland anno 2021’, in: A. Wirtgen e.a., Preadviezen Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland, Den Haag: Boom juridisch 2021, p. 232.
Ten Voorde in: T&C Strafrecht, inl. opm. bij Boek 1, Titel III, aant. 11c (online, 1 augustus 2023).
Zie o.a. S.R. Bakker, Uitzonderlijke excepties in het strafrecht (diss. EUR), Den Haag: Boom juridisch 2021, p. 176-181; S.R. Bakker, ‘Toestemming als rechtvaardiging: zelfbeschikking in het strafrecht?’, AA 2017, afl. 3, p. 177-187; H.A. Demeersseman, De autonomie van het materiële strafrecht (diss. VU Amsterdam), Arnhem: Gouda Quint 1985, p. 412-414; Ten Voorde in: T&C Strafrecht, inl. opm. bij Boek 1, Titel III, aant. 11d (online, 1 augustus 2023).
Zie ook A.J. Machielse in: Noyon, Langemeijer & Remmelink (red.), Het Wetboek van Strafrecht (online, actueel tot en met 1 juni 2020), aant. 10 bij Inleiding (wederrechtelijkheid): “Ten slotte merk ik nog op (…) dat toestemming verkregen als gevolg van dwang of bedrog (de Duitsers spreken in het laatste geval wel van ‘Obreptionsfälle’) niet meetelt.”
Zie ook A.J. Machielse in: Noyon, Langemeijer & Remmelink (red.), Het Wetboek van Strafrecht (online, actueel tot en met 1 juni 2020), aant. 10 bij Inleiding (wederrechtelijkheid): “Toestemming achteraf legitimeert in het strafrecht niet, al kan in zo’n geval het OM uiteraard wel van vervolging afzien, resp. de rechter met een zeer milde bestraffing volstaan.”
S.R. Bakker, & L. Postma, ‘Volenti non fit iniuria. Over de betekenis van de toestemming in het (medisch) strafrecht’, Strafblad 2019, p. 20-28; Ten Voorde in: T&C Strafrecht, inl. opm. bij Boek 1, Titel III, aant. 11d (online, 1 augustus 2023).
Beroepschrift 08‑07‑2022
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
te Den Haag
Griffienummer: S 21/04084
Betekening aanzegging: 12 mei 2022
Cassatieschriftuur
Inzake:
[verdachte]
gedetineerd te [verblijfplaats],
verdachte,
advocaten: R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker
dossiernummer: D20220161
Edelhoogachtbare Heren, Vrouwen:
Inleiding
Ondergetekenden, als daartoe door de verdachte bijzonder gevolmachtigd, R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, advocaten te Rotterdam, hebben hierbij de eer aan u Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur van cassatie ten vervolge op het door [verdachte], ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden d.d. 24 september 2021, en alle beslissingen die door het hof ter terechtzitting(en) zijn genomen.
In genoemd arrest heeft het hof de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden. Het hof heeft tevens beslissingen genomen op de vorderingen van de benadeelde partijen.
Middelen van cassatie
Als gronden van cassatie hebben ondergetekenden de eer voor te dragen:
Middel I
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de art. 231b Sr alsmede 359 en 415 Sv, en wel om het navolgende:
In het arrest heeft het hof bewezen verklaard, dat verdachte op meerdere tijdstippen in de periode van 10 oktober 2015 tot en met 16 oktober 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander, te weten bankgegevens van [betrokkene 1], heeft gebruikt door van misdrijf afkomstige, geldbedragen te (laten) storten op de bankrekening van die [betrokkene 1], met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen en de identiteit van de ander te misbruiken, waardoor enig nadeel kon ontstaan.
In de bewijsmiddelen heeft het hof onder meer vastgesteld dat [betrokkene 1] haar bankgegevens (bankrekeningnummer) aan een medeverdachte heeft verstrekt teneinde op haar bankrekening bedragen te laten overmaken; [betrokkene 1] vervolgens —nadat bedragen waren overgemaakt— pinopnames heeft gedaan en vervolgens een door haar van haar rekening opgenomen bedrag aan een medeverdachte heeft gegeven.
Nu het hof heeft vastgesteld dat [betrokkene 1] zelf haar bankgegevens (bankrekeningnummer) aan een medeverdachte heeft verstrekt ten behoeve van het naar haar rekening over (laten) maken van geldbedragen is het oordeel van het hof, dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander te weten bankgegevens van [betrokkene 1], heeft gebruikt, dan ook onjuist, althans onbegrijpelijk, zodat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.
De omstandigheid dat [betrokkene 1] mogelijk een ander crimineel oogmerk heeft gehad dan verdachte en/of medeverdachten, te weten het (medeplegen of bevorderen van) uitkeringsfraude en/of het verhullen van de rechthebbende of herkomst van de bedragen doet niet af aan het feit dat zij zelf heeft toe-/ingestemd met het gebruikmaken van haar bankrekeningnummer.
Toelichting
1.1
Aan de verdachte is onder feit 1 ten laste gelegd dat:
- ‘1.
hij, op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 oktober 2015 tot en met 16 oktober 2015 te Rhenen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander te weten bankgegevens van [betrokkene 1], heeft gebruikt door een of meerdere, van misdrijf, afkomstige, geldbedragen te (laten) storten op de bankrekening van die [betrokkene 1], met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen en/of de identiteit van de ander te verhelen en/of te misbruiken, waardoor enig nadeel kon ontstaan’
1.2
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 september 2021 is onder meer gerelateerd:
‘De voorzitter deelt mede de korte inhoud van de stukken van de zaak en deelt als volgt de korte inhoud mede van de processen-verbaal van de getuigenverhoren die hebben plaatsgevonden op 27 oktober 2020 in het kabinet van de raadsheer-commissaris:
De getuige [betrokkene 5] heeft verklaard zich niet meer veel te herinneren van het tenlastegelegde. De getuige [betrokkene 2] heeft verklaard op verzoek van de verdachte te hebben gehandeld en heeft aan [betrokkene 1] gevraagd om haar rekening beschikbaar te stellen.
()’
1.3
In het arrest heeft het hof bewezen verklaard, dat:
- ‘1.
hij, op meerdere tijdstippen in de periode van 10 oktober 2015 tot en met 16 oktober 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander te weten bankgegevens van [betrokkene 1], heeft gebruikt door van misdrijf afkomstige, geldbedragen te (laten) storten op de bankrekening van die [betrokkene 1], met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen en de identiteit van de ander te misbruiken, waardoor enig nadeel kon ontstaan’
1.4
Als bewijsmiddelen heeft het hof onder meer gebruikt:
- ‘1.
een proces-verbaal van verhoor, opgemaakt door [verbalisant 1], brigadier van politie Eenheid Amsterdam, d.d. 26 november 2015 (p. 140–144 van het politiedossier), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1]:
‘Ik ben op 10 oktober 2015 benaderd via Whatsapp door [betrokkene 2]. (…) Ik kreeg een Whatsappbericht van haar dat ze hulp nodig had van mij. Ze schreef dat zij en haar vriend uit elkaar waren en dat ze nog geld van haar ex vriend kreeg maar dat dit niet gestort kon worden op haar eigen bankrekening. (…) Ik vroeg haar: waarom kan het geld niet gestort worden op het bankrekeningnummer van je nieuwe vriend? Ze schreef dat hij een uitkering had en dat hij anders problemen kreeg met het UWV. Ik vond dit een aannemelijk verhaal en daarom gaf ik haar mijn bankrekeningnummer: [rekeningnummer]. Ze schreef dat ze ongeveer 500 à 600 euro gestort zou krijgen en de afspraak was dat ik het geld vervolgens van mijn rekening zou halen en aan haar zou geven.
Ik zag de volgende dag dat er 2 stortingen waren gedaan door ene [betrokkene 3] [het hof begrijpt: aangever [betrokkene 3]], (…) Ik wist dat de achternaam van haar ex-vriend [betrokkene 4] was. Ik vond dit allemaal heel vreemd. Over de hele dag kreeg ik Whatsappjes van haar met de vraag of het geld al binnen was en die avond heb ik aan haar verteld dat het erop stond.
Ze is vervolgens naar mij toe gekomen. Ik zag dat ze met de auto was met een jongen en hij bleek later haar vriend [betrokkene 5] te zijn. Ze vertelde aan mij dat het haar vriend was. Ik hoorde haar zeggen dat ik het geld nu moest pinnen. Ik zei dat ik nu niet weg kon omdat ik mijn vriendin [betrokkene 6] op visite had. Ze zei vervolgens dat ze het geld nu nodig had omdat ze mensen moest betalen. [betrokkene 6] en ik zijn vervolgens in mijn auto gestapt en we zijn naar een pinautomaat gereden in Rhenen. Ik ben naar de pinautomaat gelopen en heb een bedrag van 500 euro gepind. Vervolgens heb ik het geld aan haar overgedragen. (…)
De volgende dag heb ik mijn rekening geraadpleegd op mijn telefoon en zag ik dat er 338 euro was gestort.
Een aantal dagen later belde [betrokkene 2] mij weer op en vertelde mij dat er geld was gestort voor haar auto die zij bij haar ex-vriend had achtergelaten. Ik keek vervolgens op mijn ABN-app en zag dat er ongeveer 1000 euro was gestort. (…)
's Avonds voordat ik naar huis ging wilde ik boodschappen pinnen en toen bemerkte ik dat mijn pinpas geblokkeerd was. (…) Ik heb vervolgens de bank gebeld en deze vertelde mij dat mijn bankrekening geblokkeerd was omdat een meneer [betrokkene 3] aangifte had gedaan. (…) Ik ben samen met [betrokkene 6] naar het ABN-filiaal in Veenendaal gegaan en daar werd mij. medegedeeld dat er fraude was gepleegd met mijn bankrekening en dat deze geblokkeerd bleef tot het opgelost was. (…)
()’
- 15.
een proces-verbaal van verhoor (p. 21–28 van het politiedossier) voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van [betrokkene 2] dat plaatsvond op 21 oktober 2016:
‘V: vraag verbalisant
A: antwoord [betrokkene 2]
V: Wat is jouw verhaal met betrekking tot deze oplichtingszaken?
A: Ik werd benaderd door de vriend van de zus van mijn vriend. Die vriend heet [verdachte]. Het was vorig jaar. [verdachte] had aangegeven dat hij snel geld nodig had. Ik heb toen [betrokkene 1] [het hof begrijpt: [betrokkene 1]] benaderd. Ik vertelde haar dat door een vriend van mij geld op haar rekening zou worden gestort. Dit geld moest zij dan opnemen van haar rekening en aan mij geven. Ik heb haar niet verteld voor wie dit geld bestemd was. Ik zou geld van een vriend krijgen, maar dat geld zou dan op haar rekening worden gestort. (…) [verdachte] heeft toen geld laten storten op de rekening van [betrokkene 1]. Dit geldwerd gepind en is naar [verdachte] gegaan. (…) Op een gegeven moment kreeg ik van [betrokkene 1] te horen dat haar bankrekening was geblokkeerd.
V: Wie waren erbij toen [betrokkene 1] geld pinde?
A: Ik zat in de auto, samen met [betrokkene 5] [het hof begrijpt: [betrokkene 5]]. Dit was in Rhenen.
V: Wat heb jij gedaan met het geld dat jij in Rhenen van [betrokkene 1] hebt gehad?
A: Dit heb ik aan [verdachte] gegeven
()’
1.5
Het onder feit 1 bewezenverklaarde is door het hof gekwalificeerd als:
‘Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander gebruiken met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen en van een ander te misbruiken, waardoor uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan, meermalen gepleegd.’
1.6
Art. 231b Sr luidt:
‘Hij die opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander gebruikt met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen of de identiteit van de ander te verhelen of misbruiken, waardoor uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de vijfde categorie.’
1.7
Artikel 231b Sr stelt het opzettelijke en wederrechtelijk gebruik van identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische gegevens, van een ander strafbaar mits dit is gepleegd met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen of de identiteit van de ander te verhelen of misbruiken waardoor uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan. Het gebruiken van de gegevens houdt in: het opzettelijk en wederrechtelijk gebruik maken van identificerende persoonsgegevens van een ander, met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen of de identiteit van de ander te verhelen of te misbruiken, terwijl die ander door dat gebruik nadeel wordt berokkend. De wetgever heeft als voorbeelden genoemd het willens en wetens en zonder toestemming de naam van een ander gebruiken en vervolgens onder de naam van die ander bij een bedrijf materieel huren zonder dit terug te brengen, met als gevolg dat het bedrijf degene wiens naam is misbruikt, aansprakelijk stelt voor de opgelopen schade. Ander voorbeeld is het geval dat iemand op naam van een ander en zonder diens instemming een account aanmaakt en vervolgens op dat account die ander in een kwaad daglicht stelt waardoor deze reputatieschade lijdt.1.Artikel 231b Sr vereist voorts dat het gebruik van de gegevens gepaard kan gaan met enig nadeel. Mede in aanmerking genomen de omstandigheid dat artikel 231b Sr is bedoeld als een aanvulling op de artikelen 231 en 231a Sr, waarin het bestanddeel ‘enig nadeel’ niet is genoemd, moet volgens de Hoge Raad worden aangenomen dat het vereiste dat ‘enig nadeel’ van het gebruik van identificerende persoonsgegevens in de zin van artikel 231b Sr uitsluitend betrekking heeft op het mogelijke nadeel voor de in artikel 231b Sr bedoelde ‘ander’ wiens persoonsgegevens door de verdachte zijn misbruikt.’2.
1.8
In de delictsomschrijving van art. 231b Sr is ‘wederechtelijk’ expliciet als bestanddeel opgenomen. Andere artikelen waarin het bestanddeel is opgenomen zijn bijvoorbeeld art. 138 lid 1 Sr (wederrechtelijk binnendringen of vertoeven in een woning); art. 350 Sr (opzettelijk en wederrechtelijk enig goed vernielen), art. 282 lid 1 Sr (opzettelijke iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven/beroofd houden) en art. 284 Sr (wederrechtelijk dwingen). Naar de mening van De Hullu geven deze voorbeelden goed aan bij welke typen delicten ‘wederrechtelijk’ als bestanddeel wenselijk is: strafbaarstellingen die zonder dat bestanddeel een te ruim bereik zouden hebben, omdat de overige delictsbestanddelen regelmatig op een niet-wederrechtelijke en niet strafbaar te achten wijze wordt vervuld, zoals bijvoorbeeld indien de aannemer die met instemming van de rechthebbende vernielingen aanricht (art. 350 Sr).3. In de literatuur is volgens De Hullu regelmatig de vraag gesteld of het bestanddeel ‘wederrechtelijk’ steeds eenzelfde betekenis heeft dan wel een per delict variërende inhoud heeft. Zo zou ‘wederrechtelijk’ in art. 350 Sr meer specifiek ‘zonder toestemming’ betekenen terwijl het in art. 182 Sr een ruimere betekenis zou hebben. Deze interpretatie per delict wordt wel facetwederrechtelijkheid genoemd: per delictsomschrijving waarin wederrechtelijkheid voorkomt, zou dan moeten worden onderzocht welke specifieke inhoud aan dat bestanddeel moet worden gegeven.4. De Hullu geeft zelf (onder meer) aan dat ‘wederechtelijk’ vaak adequaat wordt omschreven door de term ‘in strijd met het recht’. Een dergelijke uniforme formulering behoeft niet in alle gevallen als (te) ruim te worden beschouwd, soms is een beperkte invulling als ‘zonder toestemming’ gemakkelijker te bewijzen.5.
1.9
Bakker is van mening dat ‘toestemming’ slechts een rechtvaardiging op kan leveren ten aanzien van (relatief) lichte feiten.6. Dit hangt mede samen met de rechtsgoederen die door de strafbaarstellingen worden beschermd en de waarde die daaraan in de samenleving wordt toegekend.7. Diverse strafbepalingen zijn in het leven geroepen om het individu te beschermen, bijvoorbeeld tegen aanrandingen van de lichamelijke integriteit en aanrandingen van de eer en goede naam. Hoewel in de eerste plaats wordt beoogd het slachtoffer te beschermen, is bij ernstigere feiten vaak ook het algemeen belang met de strafbaarstelling verweven. Wanneer bij een bepaald strafbaar feit in zoverre ook andere belangen worden geschaad, verliest het adagium volenti non fit iniuria zijn kracht: de dood van het slachtoffer dat toestemming heeft gegeven is weliswaar een inbreuk op zijn recht op leven, maar kan bijvoorbeeld ook zorgen voor een geschokte rechtsorde en gevoelens van afschuw, angst, verdriet en ontsteltenis in de maatschappij. Anders gezegd: ‘toestemming’ als rechtvaardiging kan alleen die rechtsgoederen betreffen waarover de toestemminggever als enige de volledige beschikking heeft.8. Volgens Bakker kan dan ook gesteld worden dat de strafrechtelijk relevante toestemming met rechtvaardigende werking de verwezenlijking van de delictsinhoud verhindert wanneer een concreet bestanddeel, rakende aan de zelfbeschikking (‘zijns ondanks’, ‘gedwongen’, ‘zonder verlof’ etc.), is opgenomen in de delictsomschrijving en de tenlastelegging. Ook zal de tenlastelegging waarin de algemenere term ‘wederrechtelijk’ is gebezigd, wanneer de gangbare opvatting ‘in strijd met het objectieve recht’ wordt aangehangen, (veelal) niet kunnen worden bewezen, indien er sprake is van een geldige toestemming als rechtvaardigingsgrond. In beide gevallen zou dus vrijspraak dienen te volgen.9. Bakker meent dat hiermee een zekere mate van zelfbeschikking in het Nederlandse strafrecht gegarandeerd is.10. Ook Machielse acht toestemming van degene wiens rechtsgoed door de strafbepaling wordt beschermd niet zelden als doorslaggevend voor de bepaling van de wederrechtelijkheid van iemands gedrag.11.
1.10
Gelet op het belang dat art. 231b Sr beoogt te beschermen, te weten het belang van degene wiens gegevens worden gebruikt, moet worden aangenomen dat ‘wederrechtelijk’ als bedoeld in art 231b Sr gelezen dient te worden als ‘wederechtelijk’ als bedoeld in (onder meer) art. 310/350/138 Sr, te weten: ‘zonder toestemming’ of ‘tegen de wil’ van de ander, te weten degene wiens gegevens worden gebruikt (en dit niet uit andere hoofde gerechtvaardigd is).12. Het bij art. 231b Sr beschermde rechtsgoed betreft immers de rechten en belangen van het individu, te weten degene wiens gegevens worden gebruikt13., zodat art. 231b Sr bij uitstek een strafbepaling is ten aanzien waarvan een door de gebruiker van de gegevens verleende toestemming als rechtvaardigingsgrond werkt. Het strafbaar stellen van het na verkregen toestemming van de rekeninghouder gebruikmaken van een bankrekening van de rekeninghouder en het vervolgens (laten) overmaken van geld naar die rekening zou immers ten gevolge hebben dat het (na toestemming van B) door A overmaken van geld naar de bankrekening van B ten behoeve van (bijvoorbeeld) het kopen van een cadeau voor C al strafbaar zou zijn. Een dergelijke ruime uitleg zou het bancaire betalingsverkeer in feite lamleggen.
1.11
Nu het hof heeft vastgesteld dat [betrokkene 1] [betrokkene 1] zelf haar bankgegevens (bankrekeningnummer) aan medeverdachten heeft verstrekt ten behoeve van het naar haar rekening over (laten) maken van geldbedragen, is het oordeel van het hof, dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens van een ander, te weten bankgegevens van [betrokkene 1], heeft gebruikt, dan ook onjuist, althans onbegrijpelijk, zodat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed. De omstandigheid dat [betrokkene 1] een ander crimineel oogmerk heeft gehad dan verdachte en/of medeverdachten, te weten het (medeplegen of bevorderen van) uitkeringsfraude en/of witwassen (het verhullen van de rechthebbende of herkomst van de bedragen) doet niet af aan het feit dat zij zelf heeft toe-/ingestemd met het gebruikmaken van haar bankrekeningnummer.14.
Dat
Op vorenstaande gronden het u Edelhoogachtbaar College moge behagen, gemelde uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
Rotterdam, 8 juli 2022
Advocaten
R.J. Baumgardt
P. van Dongen
S. van den Akker
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 08‑07‑2022
Kamerstukken II 2013/14, 33352, C, p. 4–5, genoemde in Van der Meij, T&C Strafrecht, art. 231b, aant. 9.
HR 26 november 2019, NJ 2020/53, r.o. 2.4.1.
J. de Hullu, Materieel Strafrecht, Wolters Kluwer, 8e druk, III.3.2 (pag. 185).
De Hullu verwijst hierbij naar Th. W. van Veen, Facetwederrechtelijkheid, NJB 1972, pag. 466–469.
De Hullu, a.w., pag. 188.
S.R. Bakker, ‘Toestemming als rechtvaardiging: zelfbeschikking in het strafrecht?’, AA 2017/177, p. 183. Voor een gelijksoortige redenering zie ook: A.J. Machielse, ‘Wederrechtelijkheid’, in: J.W. Fokkens, E.J. Hofstee & A.J.M. Machielse (red.), Wetboek van Strafrecht — Noyon, Langemeijer, Remmelink, Deventer: Wolters Kluwer, aant. 3.10 (actueel t/m 01-06-2020).
Zie hieromtrent ook: V.E. van de Wetering, S.A. Eckhardt & S.R. Bakker, ‘De rol van het achterliggende rechtsgoed van strafbepalingen bij de beoordeling van de strafwaardigheid van gedrag’, DD 2018/13.
S.R. Bakker, ‘Toestemming als rechtvaardiging: zelfbeschikking in het strafrecht?’, AA 2017/177, p. 183. Voor een gelijksoortige redenering zie ook: A.J. Machielse, ‘Wederrechtelijkheid’, in: J.W. Fokkens, E.J. Hofstee & A.J.M. Machielse (red.), Wetboek van Strafrecht — Noyon, Langemeijer, Remmelink, Deventer: Wolters Kluwer, aant. 3.10 (actueel t/m 01-06-2020).
Bakker 2017, a.w., p. 185.
Bakker 2017, a.w., p. 187.
Machielse 2020, a.w., aant. 3.10.
Vgl voor deze toevoeging HR 29 oktober 2019, NJ 2020/203, m.nt. N. Rozemond.
Nu de bepaling niet de overheid, maar de burgers wiens gegevens in het geding zijn beschermd: Reijntjes, annotatie onder HR 26 november 2019, NJ 2020/53, randnummer 4. Het belang van het voorkomen van vervuiling van (overheids)databases wordt beschermd onder de artikel 231 en 231a Sr, hetgeen volgens Reijntjes weinig van doen heeft met de bescherming van personen wier identiteit was ‘gestolen’: Reijntjes, annotatie onder HR 26 november 2019, NJ 2020/53, randnummer 6.
Soortgelijke gedragingen, te weten het op verzoek van twee personen tegen een toegezegde betaling van 10% van de opbrengst openen van een rekening, het daarna activeren van deze rekening en vervolgens aan die personen de bankpas behorend bij die rekening overhandigen waardoor die personen geld dat op de rekening is gestort kunnen pinnen, enkel en alleen omdat er sprake zou zijn van een niet nader onderbouwd faillissement, zijn door het hof Amsterdam aangemerkt als witwassen; zie het arrest van 25 november 2021 in de bij de Hoge Raad onder nummer S 21/04885 bekende zaak.