Einde inhoudsopgave
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/2.6.2.1.0
2.6.2.1.0 Inleiding
Mr. dr. B.F.M. Coebergh, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
Mr. dr. B.F.M. Coebergh
- JCDI
JCDI:ADS630408:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
In dezelfde zin Verseput, pagina 175.
In dezelfde zin, Verseput, pagina 175-176.
Zie onder andere Engelen en Scharrenburg en Van der Breggen inzake de vraag of artikel 8b Wet Vpb 1969 ook kan leiden tot een (fiscale) aanpassing van de overeengekomen condities en een herkwalificatie van een groepslening in kapitaal.
HR 31 mei 1978, nr. 18 230, BNB 1978/252. De Hoge Raad overwoog: ‘dat het Hof hiermede tot uitdrukking heeft gebracht dat het aan belanghebbende dochter opgekomen voordeel, bestaande uit het niet verschuldigd worden van rente over de haar door de grootmoedermaatschappij verstrekte lening, zijn oorzaak niet vond in de bedrijfsuitoefening van belanghebbende dochter doch uitsluitend in de vennootschappelijke betrekkingen tussen de drie bedoelde vennootschappen.’
Als het Wetsvoorstel Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel wordt ingevoegd wordt een belangrijke inbreuk op de totaalwinst gemaakt en geldt de Zweedse Gootmoederdoctrine niet zonder meer.
Hiervoor zijn diverse methoden ontwikkeld, zoals de comparable/uncontrolled price methode, de resale price-methode en de cost plus-methode. De toe te passen methode is afhankelijk van de aarde van de onderneming en de risico’s.
Peters, pagina 243-255. Hij betoogt tevens dat Nederland veel “staatssteun-ellende” bespaard zijn gebleven als het simultaan bestaan van twee at arms-lengthbeginselen beter zou zijn toegelicht en onderbouwd: ‘Ik twijfel er niet aan dat de verschillen tussen de belastingheffing van individuele (niet-groeps-)vennootschappen en de belastingheffing van multinationale groepsvennootschappen goed te rechtvaardigen zijn. De beide situaties zijn voor de toepassing van de vennootschapsbelasting simpelweg geen vergelijkbare gevallen.’
Zie ook het rapport van de Adviescommissie Belastingheffing van multinationals (Commissie ter Haar) ‘Op weg naar balans in de vennootschapsbelasting’ van 15 april 2020. Deze Commissie adviseerde het kabinet over grondslagverbredende maatregelen binnen de bestaande kaders om de vennootschapsbelasting eerlijker te maken, zonder de aantrekkelijkheid van Nederland voor Nederlandse hoofdkantoren uit het oog te verliezen. Een van de voorstellen was het wegnemen van mismatches door toepassing van het zakelijkheidsbeginsel.
Kamerstukken II 2017/18, 25097, 188, pagina 12 en Kabinetsreactie naar aanleiding van het rapport “Op weg naar balans in de vennootschapsbelasting” van de Adviescommissie belastingheffing van multinationals, 2020.
Zie hierover onder andere Kok 2021 en Roumen.
Aan de Wet Vpb 1969 worden daarom vijf bepalingen toegevoegd: artikelen 8ba, 8bb, 8bc, 8bd en artikel 35.
Aangezien het parlementaire proces ten tijde van de afronding van mijn onderzoek nog niet is afgerond, onthoud ik me van een uitgebreide analyse van het Wetsvoorstel.
Dit beginsel houdt in dat in grensoverschrijdende situaties winst of inkomen tenminste 1 keer in de belastingheffing moet worden betrokken. Dit beginsel is overigens niet onomstreden. Zie voor een uitgebreide uiteenzetting Avi-Jonah: ‘Income from cross-border transactions should be subject to tax once (that is, neither more nor less than once)’
A.J.A. Stevens en S.A. Stevens.
Zie ook A.J.A. Stevens en S.A. Stevens:’ Conceptueel ligt naar onze mening de oorzaak van de mismatch in het buitenland, omdat aldaar de voordelen niet of niet voldoende belast worden. Als in Nederland geen informeel kapitaal in aanmerking wordt genomen, dan belast Nederland een voordeel dat niet toerekenbaar is aan de uitoefening van (economische) activiteiten in Nederland’.
Zie ook Kok die dezelfde kritiek op het Wetsvoorstel heeft en de vragen die door de NOB hieromtrent zijn gesteld.
Bij het elimineren van de invloed van aandeelhoudersmotieven op de winst gaat het om een vergelijking tussen enerzijds de in werkelijkheid behaalde winst en anderzijds de winst die zou zijn behaald als aandeelhoudersmotieven geen rol zouden hebben gespeeld.1 Bij transacties die zonder zakelijke redenen zijn aangegaan, zal het resultaat veelal worden vergeleken met het resultaat dat zou zijn behaald indien de transactie achterwege zou zijn gebleven.2 Wanneer wel sprake is van een zakelijke transactie, maar de prijs niet zakelijk is, dient voor de fiscale winstbepaling uitgegaan te worden van de zakelijke prijs.3 De winst kan op basis van het totaalwinstbeginsel zowel naar boven als beneden worden bijgesteld. Het verschil tussen de zakelijke prijs en de betaalde prijs dient te worden beschouwd als een (informele) kapitaalstorting dan wel (verkapte) winstuitdeling. De basis voor het elimineren van onzakelijke elementen volgt uit het Zweedse grootmoederarrest.45 In het jaar waarin de onzakelijke transactie dan wel de zakelijke transactie met een onzakelijke prijs plaatsvindt, dient een correctie op de fiscale winst te worden aangebracht. Dit is mijns inziens eveneens het moment waarop de onttrekking c.q. informele kapitaalstorting plaatsvindt. Het elimineren van onzakelijke elementen vloeit dus voort uit het totaalwinstbeginsel. In 2002 is het at arm’s-lengthbeginsel echter ook in artikel 8b Wet Vpb 1969 opgenomen. Bij de codificatie zijn geen materiële verschillen beoogd.
In zowel de nationale context als in internationaal verband wordt uitvoerig gediscussieerd over de vraag hoe een zakelijke prijs moet worden bepaald. In internationaal verband gaat het immers niet alleen om de vraag wanneer sprake is van een voordeel uit onderneming of kapitaal, maar ook over de vraag welk land welk deel van het voordeel in de heffing mag betrekken.6 Peters betoogt daarom dat er in feite sprake is van twee at arm’s-lengthbeginselen. Toepassing van het totaalwinstbegrip van artikel 3.8 Wet IB 2001 in de vennootschapsbelasting leidt volgens hem tot een nationaal at arm’s-lengthbeginsel, dat zijn oorsprong vindt in de nauwe relatie tussen de vennootschapsbelasting en de inkomstenbelasting (en daarmee de relatie tussen de rechtspersoon en de aandeelhouder). Artikel 8b Wet Vpb 1969 ziet daarentegen volgens Peters op het internationale arm’s-lengthbeginsel, zoals dat is uitgewerkt in de OESO-richtlijnen. Dit vindt zijn oorsprong niet in de relatie tussen een vennootschap en de achterliggende aandeelhouder/natuurlijk persoon, maar in de belastingheffing van een multinationale groep als geheel en de verhouding met gelieerde (rechts)personen.7 De suggestie van Peters om twee arm’s- lengthbeginselen te gebruiken onderschrijf ik. Er zijn immers twee verschillende doelen, die een (mogelijk) andere fiscale duiding kunnen rechtvaardigen. Mijns inziens moet daarvoor echter de wet worden aangepast.
Toepassing van het zakelijkheidsbeginsel is niet onomstreden.8 Als het ontvangstland de winst niet corrigeert bij een onzakelijke transactie, kan er een heffingslek ontstaan.9 Om dit heffingslek tegen te gaan is op 4 maart 2021 het consultatiedocument en op Prinsjesdag 2021 het wetsvoorstel ‘Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel’ gepubliceerd.10 Op basis van dit wetsvoorstel worden mismatches die ontstaan door een verschil in toepassing van het zakelijkheidsbeginsel in de vennootschapsbelasting weggenomen. Dit gebeurt enerzijds door geen neerwaartse aanpassing van de winst toe te staan bij een dergelijke mismatch en anderzijds door de overdrachtsprijs van vermogensbestanddelen niet te corrigeren naar een zakelijke prijs als anders een mismatch ontstaat.1112 Mijns inziens is een dergelijk heffingslek niet te wijten aan de invulling van het totaalwinstbeginsel. Als onzakelijke transacties niet worden gecorrigeerd, dan worden ten onrechte voordelen die niet voortkomen uit de Nederlandse bedrijfsuitoefening in de heffing betrokken. Hierdoor kan strijdigheid met het territorialiteitsbeginsel ontstaan. Het is echter vanuit het zogenoemde single tax principle ook onaanvaardbaar dat sprake is van dubbele (niet) heffing.13 De meest adequate oplossing hiervoor is afstemming tussen de landen en volledige harmonisatie van de belastingstelsels op het gebied van transfer pricing. Dit lijkt nog een brug te ver. A.J.A. Stevens en S.A. Stevens hebben daarom al eerder voorgesteld om een omgekeerde CFC-regel maatregel in te voeren. Hun voorstel is als volgt:
‘Een voor de hand liggende reparatie zou zijn dat informeel kapitaal in de vermogens- en kostensfeer alleen geaccepteerd wordt indien over het corresponderende voordeel afgerekend is tegen een tarief dat naar Nederlandse maatstaven redelijk is. De vraag is of dat wenselijk is. Conceptueel ligt naar onze mening de oorzaak van de mismatch in het buitenland, omdat aldaar de voordelen niet of niet voldoende belast worden. Als in Nederland geen informeel kapitaal in aanmerking wordt genomen, dan belast Nederland een voordeel dat niet toerekenbaar is aan de uitoefening van (economische) activiteiten in Nederland. In feite is er sprake van een omgekeerde CFC-maatregel. Wij kunnen ons voorstellen dat naar analogie van de CFC-maatregel de inbreuk op het totaalwinstbeginsel daarom wordt beperkt tot situaties waarbij (1) het voordeel laag belast wordt en (2) de vennootschap die het voordeel ontvangt geen reële economische activiteiten uitoefent in het vestigingsland. ’14
Een voordeel van deze methode ten opzichte van het Wetsvoorstel vind ik dat in hun voorstel alleen misbruiksituaties waarbij geen reële economische activiteiten in het ontvangstland worden verricht worden bestreden.15 Op basis van het Wetsvoorstel kunnen ook niet misbruik situaties worden getroffen. Bijvoorbeeld als er een onzakelijk transactie plaatsvindt tussen een belaste BV en een subjectief vrijgesteld lichaam. Bij het subjectief vrijgestelde lichamen wordt dan weliswaar de zakelijkheidscorrectie niet in de heffing betrokken, maar dit komt niet door het zakelijkheidsbeginsel, maar is het gevolg van de subjectieve vrijstelling. Ook als wel een zakelijke vergoeding zou zijn overeengekomen, zou er immers geen heffing plaatsvinden.16