Foutenleer
Einde inhoudsopgave
Foutenleer (FM nr. 95) 2000/10.4.1:10.4.1 De fout kan niet volledig worden hersteld in het jaar waarin die fout is gemaakt
Foutenleer (FM nr. 95) 2000/10.4.1
10.4.1 De fout kan niet volledig worden hersteld in het jaar waarin die fout is gemaakt
Documentgegevens:
dr. A.O. Lubbers, datum 01-07-2000
- Datum
01-07-2000
- Auteur
dr. A.O. Lubbers
- JCDI
JCDI:ADS420542:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Aanslag
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Dat wil zeggen een fout die betrekking heeft op meer dan één jaar (bijv. het gedurende een reeks van jaren toepassen van een onjuist waarderingsstelsel).
H. Mobach en L.W. Sillevis, Cursus belastingrecht (inkomstenbelasting), 2.2.11.b.
Ook Jacobs (blz. 46) lijkt te benadrukken dat BNB 1967/35 is gewezen voor de vennootschapsbelasting.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het arrest van 28 april 1999 leert dat toepassing van de foutenleer pas aan de orde is, indien de fout niet of niet volledig kan worden hersteld in het jaar, waarin die fout is gemaakt. Ik onderscheid twee situaties, waarbij de fout niet volledig kan worden hersteld in het jaar, waarin die fout is gemaakt:
Indien sprake is van een eenmalige fout.Als de belastingplichtige uit HR 28 april 1999, BNB 1999/283, niet bereid is met betrekking tot de in 1986 gemaakte fout over een bedrag van f 73 134 gewetensgeld te betalen, maar slechts over een bedrag van f 72 000, omdat hij meent dat de inspecteur in 1986 te streng is geweest bij de beoordeling van zijn buitengewone lasten en ten onrechte een bedrag van f 1134 niet in aftrek heeft toegelaten, dan wordt de fout niet volledig hersteld in 1986. De foutenleer kan mijns inziens in dat geval worden toegepast om de fout in zijn geheel in het oudste nog openstaande jaar te herstellen; op het ontoereikende aanbod tot de betaling van gewetensgeld behoeft de inspecteur niet in te gaan.
Indien sprake is van een doorlopende fout1 en het eigenlijk herstel slechts ten aanzien van enkele jaren kan plaatsvinden.
Deze situatie kan zich voordoen indien een fout (bijvoorbeeld een onjuiste waardering van een schuld per 31 december 1994) in de loop der jaren (bijvoorbeeld in de jaren 1990, 1991, 1992, 1993 en 1994) is ontstaan (doordat bijvoorbeeld als gevolg van een vergissing jaarlijks f 1000 rente is bijgeboekt op deze schuld, terwijl die rente niet was verschuldigd). Indien navordering over de jaren 1990 en 1991 – vanwege de beperkte navorderingstermijn – niet meer mogelijk is en de belastingplichtige niet bereid is over deze jaren gewetensgeld te betalen, mag de inspecteur mijns inziens in het oudste nog openstaande jaar ten aanzien van het gehele bedrag van f 5000 de foutenleer toepassen. Hij is niet gehouden de minder praktische weg te volgen van navordering over 1992, 1993 en 1994 en toepassing van de foutenleer in 1995 voor f 2000 (ter correctie van de onjuiste boekingen voor de jaren 1990 en 1991).
Hoewel in de hiervóór onder a en b genoemde gevallen gedeeltelijk recht zou kunnen worden gedaan aan het beginsel van een juiste jaartoerekening, meen ik dat het vanuit praktisch oogpunt de voorkeur verdient om toe te staan voor het volle bedrag van de fout de foutenleer toe te passen. BNB 1999/283 biedt mijns inziens de ruimte aldus te handelen. Ik meen dat hierbij geen onderscheid dient te worden gemaakt tussen inkomsten- en vennootschapsbelastinggevallen. Ten aanzien van het hiervóór in paragraaf 10.3.1 besproken arrest HR 23 november 1966, BNB 1967/35, werd echter gespeculeerd of de uitkomst anders zou zijn geweest, indien de belanghebbende in die zaak niet aan de vennootschapsbelasting doch aan de inkomstenbelasting zou zijn onderworpen. Mobach/Sillevis2 merken op dat het in BNB 1967/35 niet aan de belastingadministratie was te wijten, dat te weinig belasting was geheven en dat het hier bovendien ging om een proportionele belasting (vennootschapsbelasting)3. Zij zijn van mening dat voor de inkomstenbelasting anders moet worden geoordeeld, omdat het bij die belasting – anders dan bij de vennootschapsbelasting – in verband met de progressie van groot belang is in welke jaren de fout wordt hersteld. Eenzelfde casus voor de inkomstenbelasting zou naar hun mening moeten leiden tot navordering over de jaren 1960 tot en met 1963 naar de juiste winsten, waarbij vervolgens de op de jaren 1958 en 1959 betrekking hebbende nog niet belaste winsten dienen te worden belast in het oudste nog openstaande jaar (1964). Ik deel de mening van Mobach/Sillevis op dit punt niet. De door de Hoge Raad ontwikkelde redelijke tegemoetkoming (zie hoofdstuk 9) zorgt immers ervoor dat onbillijkheden in de tariefsfeer, zoals die bij toepassing van de foutenleer als gevolg van de progressieve tariefstructuur van de inkomstenbelasting kunnen optreden, worden weggenomen. Ik meen daarom dat er thans geen reden meer is onder verwijzing naar het progressieve tarief van de inkomstenbelasting deze casus voor die belasting anders te behandelen dan voor de vennootschapsbelasting.