De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht
Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/1.3:1.3 Onderzoeksmethode
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/1.3
1.3 Onderzoeksmethode
Documentgegevens:
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284653:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
7. De onderzoeksmethode is in juridische proefschriften die het geldend recht onderzoeken niet zelden een heet, of in ieder geval onaangenaam warm, hangijzer. De klassieke jurist denkt namelijk vanuit de belangrijkste rechtsbronnen: de wet, de wetsgeschiedenis en de rechtspraak, aangevuld met de daarover bestaande juridische literatuur. Die vormen in de regel het denkraam waaruit het geldend recht zou moeten voortvloeien en van waaruit dat recht ook geëvalueerd moet worden. Een algemene verwijzing naar wet en rechtspraak bieden echter een onvoldoende grondslag voor de onderbouwing van het gevonden antwoord op de vraagstelling. Er dreigt namelijk al snel een circulaire redenering: het recht luidt aldus, omdat het recht zo luidt. Evenmin biedt die methode voldoende grond voor de evaluatie van het geldende recht. Een maatstaf ontbreekt. Dit onderzoek neemt daarom de volgende uitgangspunten in acht.
Ten eerste veronderstelt dit onderzoek dat het recht een consistent werkend systeem is en moet zijn. Dat betekent dat algemene civiele leerstukken, zoals csqn, art. 6:98 BW-toerekening, de grondslagen voor onrechtmatigheid etc. als uitgangspunt op gelijke wijze werken in alle rechtsgebieden waarop zij betrekking hebben. Tegenstrijdigheden moeten zoveel mogelijk worden voorkomen. We zullen in §2.4 zien dat de wetgever, Hoge Raad en hoogste bestuursrechters tot uitgangspunt nemen dat deze leerstukken ook in het besluitenaansprakelijkheidsrecht gelden en op gelijke wijze moeten worden toegepast als in het civiele recht. Waar de toepassing van een leerstuk in een specifiek civiel rechtsgebied afwijkt van de algemene leer moet die afwijking een begrijpelijke (bijvoorbeeld op gemotiveerde normatieve gronden ingegeven) verklaring hebben. Verder vloeit uit het uitgangspunt van consistentie voort dat verschillende leerstukken onderling zoveel mogelijk harmoniëren.
Ten tweede neemt dit onderzoek tot uitgangspunt dat het rechtssysteem een logisch systeem is en moet zijn. Dat betekent volgens mij dat waar eenmaal tot de vormgeving van een bepaald leerstuk is gekomen of een bepaalde toepassing daarvan is verworpen, daaruit soms onvermijdelijke conclusies getrokken worden ten aanzien van de vormgeving van de overige delen van het recht. Consistentie en logica overlappen dus wel, maar zijn niet helemaal hetzelfde: de vereiste consistentie ziet op de veronderstelde werking van het algemene systeem, de logica op de wijze waarop een juridische conclusie bereikt wordt op basis van eerdere (algemeen aanvaarde) uitgangspunten.
8. De consistentie en logica bieden ten slotte niet voor alle vraagstukken een oplossing. Met name in het overheidsaansprakelijkheidsrecht staat de rechter soms voor onvermijdelijke rechtspolitieke keuzes. Daarvoor bieden de consistentie en logica onvoldoende denkkader. Zulke rechtspolitieke keuzes zijn naar de aard der zaken namelijk mede ingegeven door onder andere de visie op de machtenscheiding, door normatieve oordelen over de maatschappelijke positie van de betrokken partijen en door de effecten die men van een bepaalde vormgeving van de norm verwacht en wenst. Consistentie en logica kunnen dan niet doorslaggevend zijn. §2.6 gaat dieper in op de vraag wat rechtspolitieke keuzes zijn, of zulke keuzes in het overheidsaansprakelijkheidsrecht ook mogen worden genomen door anderen dan de wetgever en welke eisen daaraan mogen worden gesteld.
Ik kom tot de conclusie dat zowel rechter als wetenschapper soms voor zulke rechtspolitieke keuzes komen te staan. Het maken van zulke keuzes is volgens mij ook toegestaan, mits (a) de uitleg van de norm links- of rechtsom een rechtspolitieke keuze inhoudt en (b) openheid van zaken gegeven wordt over het feit dát een rechtspolitieke keuze gemaakt wordt en over de daarbij tot uitgangspunt genomen visie op de maatschappelijke positie van de overheid en de verwachtingen over de werking van de gekozen normstelling. Voor de rechter vloeien die grenzen voort uit de rechtsstatelijke positie van de rechter en de rol die de wetgever hem bij de vormgeving van het overheidsaansprakelijkheidsrecht heeft gegeven. Voor de wetenschapper vloeien die grenzen voort uit het vereiste van inzichtelijkheid van wetenschappelijk onderzoek.
Ten slotte vindt in dit proefschrift geen (externe) rechtsvergelijking plaats. De aard van het onderwerp leent zich daar mijns inziens niet goed voor. Het boek streeft immers in essentie een integratie van het besluitenaansprakelijkheidsrecht in het Nederlandse civiele recht na. Daarvoor is met name van belang te onderzoeken hoe dat rechtssysteem precies werkt en hoe het besluitenaansprakelijkheidsrecht daarop op consistente wijze kan aansluiten.